Dag 13. 4 Juli. Guisachan.

De hele avond had ik zitten krabben, gek van de kriebel op mijn armen, benen, in mijn hals. Overal zaten bultjes d alhoewel kleiner dan muggenbulten, een helse jeuk gaven. Ik snapte er niets van want in de cottage was geen enkele mug, alles was door horren hermetisch afgesloten. Nadat ik van de dam terug was, had ik gegeten en daarna lang buiten gezeten met mijn laptop om de columns te schrijven die ik achterliep. Ook toen ik buiten zat met de tuinlantaarns aan, waren er geen muggen. Ik bleef werken tot het te donker werd en eenmaal binnen begon de jeuk. Eerst dacht ik dat ik allergisch was voor de distelvezeltjes die ook in de avond in wolken door de lucht zweefden, maar toen hoorde ik plotseling Craigs lachende stem: “Pas op voor de “midges” met je blote benen.” Die kleine pluisjes waren geen dansende zaadjes, het waren verdorie de verraderlijk kleine, gemene Schotse mugjes! Dat besef hielp niet, integendeel, de jeuk bleef me onverminderd teisteren. Bijna ziek van ellende was ik vroeg naar bed gegaan om in de nacht herhaaldelijk van de jeuk wakker te schieten.

Ik wilde de routine van “voor Edinburgh” (of was het voor Craig?) weer oppakken en ging in de ochtend al krabbend naar het hotel in Beauty om mijn emails te lezen, even op Facebook rond te kijken en daarna zou ik naar Guisachan gaan in de hoop dat het rondlopen bij de ruïne me een antwoord zou geven op de vraag: “hoe nu verder?” en dan niet in de context met Craig. Toen ik de zaal van het hotel binnen kwam groette de serveerster me alsof ik een oude bekende was. Terwijl ze een kop koffie voor me neerzette, keek ze me meewarig aan: “De midges hebben je flink te pakken gehad. Je moet je met Skin So Soft inspuiten, dat doet het leger ook.” Ik knikte vriendelijk, had geen idee waar ze het over had maar juist omdat ze er over begon, begonnen de bultjes weer aan alle kanten te jeuken. In mijn mailbox waren geen bijzonderheden. Op Facebook was het rustig en ook op mijn Iphone waren geen berichtjes. Ik stuurde vanaf mijn laptop een column naar de Gazette en bemerkte dat ik wat teleurgesteld was dat ik niets meer van Craig had gehoord. Maar, zo hield ik me voor, hij zou voor meerdere concerten naar het Zuiden gaan en daar vast het een en ander voor hebben moeten regelen. Na de koffie en nog een laatste blik op Facebook rekende ik af en stapte in de Fiësta, op weg naar Tomich.

Toen ik het schattige dorpje naderde, ongeveer op een kwartiertje afstand, merkte ik een aantal huizen en een kerkje op die me niet eerder waren opgevallen omdat ik de eerste dagen strak naar de weg en mijn navigatie had gekeken. Ze leken overduidelijk bij Guisachan te horen gezien de bouwstijl. Het landgoed was eigenlijk zoveel uitgestrekter dan de ruïne en de gebouwtjes in Tomich en het veld waar ooit kennels geweest moesten zijn. Ik had de opsomming van kavels en gebouwen wel in het boekje gelezen maar er geen aandacht aan besteed. Ik zette de auto weer bij het luxe appartementencomplex en liep het pad op naar het “Huis.” Opnieuw overviel me de sereniteit van deze plek, de geur van wilde roosjes en kamperfoelie in de hagen, het gekwinkeleer van de vogels, het groenpaars van de glooiende heuvels en het zilver van de heldere stroompjes. Wat was hier toch veel voorgevallen. Niet alleen ten tijde van de Clearances maar ook daarna. De rijke parlementsleden en notabelen die naar hier kwamen voor vertier, het van hand over hand veranderen van eigenaar, het merkwaardige zomerkamp, de oorlogen, en nog steeds waren er mensen die met een soort vertedering over “het Huis” praatten alhoewel het in de verste verte niet meer leek op een veilige haven. Ik liep er om heen, naar de dikke boom waar ik weer languit tegenaan wilde zitten. Ik keek eerst goed rond of er geen midges te bespeuren waren en toen ging ik in het inmiddels wat opgewarmde gras zitten. Sloot mijn ogen en liet alles van de afgelopen dagen nog eens de revue passeren. Waar ik maar steeds bleef steken was toch dat alles uiteindelijk hier begonnen was. Ook al was Don 1 als baby met zijn ouders hier vandaan gegaan, toch was de oorsprong van die familie hier. Ik vroeg me af waar precies. Zijn ouders waren pachters. Woonden ze in de buurt bij Tomich, of dichterbij Cannich, in een van de vele keuterboerderijtjes die daar volgens de oude foto’s in het boekje hadden gestaan? Waren zij een van de zestien boerengezinnen die wat schapen, kippen en misschien een koe hadden, die ze hadden moeten achterlaten? Kregen zij geld om te emigreren van Sir Dudley of werd hun huis juist platgebrand? En waarom ging Don 2 terug naar deze contreien met zijn jonge vrouw? Wilde hij uiteindelijk terug naar zijn “roots?”

Ik moest wat zijn weggedommeld want toen ik mijn ogen open deed zag ik dat het al flink veel later was en ik had nog steeds geen plan. Rozig stond ik op en liep rond de ruïne. Ik zag dat er aan de zijkant inmiddels een kudde schapen aan het grazen was en de stapel boomstronken leek kleiner dan een paar dagen geleden. Op mijn gemak wandelde ik terug naar Tomich. Ik had best trek gekregen, dus zocht een plaatsje op het kleine terras van het hotel en bestelde een paar sandwiches en een latte. Op het tafeltje lag een kaartje met wandelroutes in de omgeving en ik bestudeerde het zonder er een doel bij te hebben. Toen diepte ik een pen uit mijn tas op en begon te krabbelen. “Terug naar het begin. Guisachan, 1868.” De dame die mijn bestelling had gebracht, vroeg of alles naar wens was. Ik beaamde dat en bestelde nog een latte. “Bent u hier op vakantie?” vroeg ze, wat nieuwsgierig. Dat kon ik waarderen, ik was immers zelf net zo nieuwsgierig, dus ik mompelde wat over werk en plezier, liet in niets merken dat ik de columns van hun krant schreef. “En heeft u ook een Golden Retriever?” vroeg ze daarna. Dat lag voor de hand. “Nee, ik heb helemaal geen hond, laat staan een Golden Retriever. Maar wel bijzonder dat het ras hier is ontstaan.” zei ik beleefd. “Ja, de Golden is een van de weinige rassen waarover zo nauwgezet alles is opgetekend vanaf het eerste nestje. Hele goede kennelboeken zijn er bewaard gebleven. Lord Tweedmouth hield wel van registreren.” Ze lachte om haar eigen opmerking en ging mijn koffie halen. Ineens dacht ik dat ik weer naar Pat in Drumnadrochit wilde, de beste kenner van Guisachan. Want de vrouw had me een hint gegeven. “Lord Tweedmouth hield wel van registreren..” Als hij zelfs alles zo accuraat liet bijhouden van zijn honden, waarom dan niet van zijn personeel of van de pachters? Geboorte en sterfdata werden misschien in de burgerlijke archieven niet heel strikt bijgehouden, maar misschien was er ergens een logboek of register van Guisachan zelf, zonder de honden.

Met dat idee in mijn hoofd rekende ik af en ging terug naar naar het hotel in Beauty, waar ik Pat zou kunnen bellen. Misschien wist hij of er zo’n register zou zijn en zo ja, waar. Het was druk in de zaal van het hotel, toen ik hem aan de telefoon kreeg, dus ik hoorde hem niet goed door al het geroezemoes. “Kom morgen naar hier, dan gaan we even kijken wat we kunnen doen.” hoorde ik vaag door het Happy Hour door. Net terwijl ik het hotel weer uit wilde gaan zoemde mijn Iphone zijn WhatsApp toontje. “Wish I was there. XXX” Binnen een tel voelde ik me weer in Edinburgh, in zijn omhelzing, zijn mond op de mijne. ” Wish you were here..XXX” typte ik terug. “Wish we where kissing.” was de volgende app. Ik sloot even mijn ogen. Ik ook.. dacht ik. Ik stuurde een kus-emoticon, wist niets anders te zeggen. Ik liep naar de hal van het hotel waar het wat minder lawaaiig was want ik wilde hem dichterbij, over de appjes heen.. Er stond een bankje bij de balie waarop ik plaatsnam en toetste “Call” in. “My wee Dutchie!!” Het was nog fijner dan ik had gedacht, om de lach in zijn stem te horen. “Waar ben je?” “In Beauly nu.. En jij?” “In de bus met mijn collega’s. Op weg naar het eerste optreden, morgen. In Windsor. We hebben er best veel..” Ik drukte mijn mobieltje dichter bij, wilde hem in mijn oor voelen praten. ” Wat is veel?” Ik had daar geen idee van. We hadden het er helemaal niet over gehad. “We zijn over twee weken weer terug.” Wat had deze man toch een heerlijk positieve instelling. Een ander zou zeggen: ” We zijn zoveel dagen weg.” en dat zou lang kunnen klinken. Maar “over twee weken terug” was een tijd die te overbruggen leek. “Ik ga je geen kussen sturen via de telefoon. De bassist zit naast me. Maar weet dat ik eergisteren als iets heel fijns met me mee neem. We spreken elkaar snel weer, dat weet ik zeker.” “Ik kan je wel een kus sturen, heb geen bassist naast me zitten. Ik ben trouwens aangevallen door een kudde midges, gisteren. Dus ik ga nog even wat Skin So Soft kopen wat het leger ook gebruikt.” Daar was het geluid dat me tot in mijn ruggenmerg verwarmde. “Ja, onze stoere soldaten! Hebben ze je blote benen te grazen genomen, de midges dan he, niet de soldaten?” Oh, die lach. “Mijn benen, mijn armen, mijn nek, mijn gezicht.” “Ahh, de rotzakken. Niet krabben hoor. Maizena erop. En volgende keer tegen de avond en bij vochtig weer een muskietennet om doen. Van je hoofd tot je voeten. Beloofd?” “Beloofd.” zei ik. We braken af na veel “tot later’s.” “Maar” twee weken. En dan?

Dag 12. 3 juli. Terug in Strathconon.

Het gechat met Marianne had me nogmaals een veel te korte nacht bezorgd, maar naar mijn idee was elke minuut het waard geweest. Alleen haar vraag: “En wat nu, hoe nu verder?” had ik niet kunnen beantwoorden. Rationeel had ik bedacht dat een verhouding, in welke zin dan ook, niet iets was wat in deze tijd van mijn leven een plek zou kunnen krijgen. Helemaal niet met iemand die veel reisde, niet eens in Amsterdam woonde en met wie ik eigenlijk niet veel gemeen had behalve onze muzikale smaak en onze nieuwsgierigheid. Maar emotioneel was ik een puinhoop. Ik was niet eerder zo onverwacht, halsoverkop en hevig verliefd geweest. Elke gedachte aan zijn zoenen deed me vrolijk worden en eerlijk gezegd begon ik zelfs al te verlangen naar een moment waarop ik in de ochtend naast hem wakker zou worden en die adembenemend mooie blik op me gericht zou voelen. Marianne was praktisch en suggereerde: “Misschien moet je daar geen antwoord op zoeken. Of het is een leuke flirt en het stopt wanneer je weer terug naar hier komt, of niet. Laat het maar komen zoals het komt, ga er niet over nadenken. Verliefdheid is gewoon lekker. Zeker op zo’n fraai exemplaar!” Ik beantwoordde met wat “hahaha’s” en lachende emoticons en zou willen dat ik er zo naar kon kijken als zij. Maar ik moest het allemaal weer plat beredeneren en dat had voor weinig slaap gezorgd.

Uiteindelijk checkte ik tegen half elf uit, na een riant ontbijt met roereieren, crumpets, havermout en veel koffie. Ik gaf het meisje aan de balie mijn credit card. “Hang on, there is something for you.” zei ze en overhandigde me mijn kaart. Er zat een briefje bij en ik was niet verbaasd dat het van Craig kwam. “A wee kiss to remember last night when you are back in solitude. Be aware of the midges! Speak soon. xxx ” Ik had het gevoel alsof ik van oor tot oor grijnsde en deed het briefje voorzichtig in mijn handtas. Kort daarna draaide ik de snelweg op, richting het hoge noorden. Het was vrij rustig en ik kon goed doorrijden, zodat ik na een enkele stop tegen drieën bij “mijn” cottage aankwam. Ik pakte mijn spulletjes uit de auto en zette de tuindeuren open en wilde in de koelkast kijken wat ik nog voor boodschappen zou moeten halen voor de komende dagen. Daarna zou ik gaan nadenken hoe ik de komende stappen zou gaan aanpakken, want ondanks dat ik heel veel meer wist, was ik nog niet erg veel opgeschoten met mijn opdracht. En ik moest aan de columns werken voor de Gazette. Op de tuintafel zag ik een plastic zakje onder een steen liggen. Het was van de verhuurster van de cottage. “Deze brief is vanmorgen met de post voor je gekomen. Geniet van het mooie weer!”

Ik ritste de enveloppe open en keek meteen naar de afzender. “Marilynn Carter.” Dat was de wijkverpleegkundige. Ze schreef dat ze na ons telefoontje nog wat was gaan zoeken in de geboorteregisters en dat William Donald Lockhart, geboren 12 maart 1955 in het ziekenhuis van Inverness en gestorven op 23 november 2001 in Invermoriston, de jongste zoon was van Donald William Lockhart en Deirdre Macaffric. Zij waren op 1 april 1948 getrouwd. Deidre stierf enkele weken nadat haar zoontje geboren was. Opvallend detail was dat Donald William in Cannich geboren was in december 1828.

Ik vouwde de brief dicht en wilde eerst naar Dingwall zodat ik daarna deze nieuwe informatie in de tijdlijn kon gaan zetten, die ik samen met Mick had gemaakt. ik moest het voor me zien in een helder zwart op wit overzicht, want zo op het eerste oog leek het er op dat de vader van de in 2001 gestorven William de zoon was van de marinier die in de Scapa Flow omkwam. Wat een drama, eigenlijk, als ook zijn moeder zo jong was overleden. En waarom had ik de geboortemelding niet gezien in de archieven? “Omdat je alleen maar naar Don keek en niet naar een William.” zei een stemmetje in mijn achterhoofd. Ik voelde me meer en meer een slechte speurder. Met frisse tegenzin stapte ik weer in de auto en deed mijn boodschappen in Dingwall; brood, sap, veel groenten, melk, weer wat fruit, een diepvriespizza voor de voorraad, en een paar flessen wijn uit een actie “4 voor de prijs van 3” voor -je weet maar nooit- Daarna had ik het helemaal gehad met het autorijden, deed een luchtige kaftan aan, maakte een broodje en ging in de tuin zitten met een glas sap, de tijdlijn van Mick, mijn laptop en de brief van Marilynn.

Op zich kon ik dus weer een naam en geboortedatum aan de lijst toevoegen. Er waren nog wel een paar haken en ogen, met name de locatie’s. Don 1 was een paar maanden nadat hij geboren was, uit Cannich weggehaald. Zijn zoon was in Lanarkshire geboren. Diens zoon blijkbaar toch weer in Cannich. Dan was er een kind in Inverness geregistreerd. Ze hadden allemaal namen als Donald William of William Donald, wat een enorm gebrek aan originaliteit. Als ik dit zo bekeek, dan rezen er een paar vragen op: wie was de vriend van de opdrachtgever van Malcolm en dus indirect van mij? En bij het zien van deze tijdlijn zou er helemaal geen 40 jarige Don Lockhart zijn, want de laatste was in 2001 overleden. Dat was de meest logische gedachtengang. Toch “moest” ik iets met dat jongetje dat bij Mick in de klas had gezeten, dat weliswaar Macallister heette maar het over zijn opa had gehad die Don 2 leek te zijn geweest. En niet onbelangrijk, hij zou nu ongeveer de leeftijd van de gezochte Don hebben. Maar, hield ik mezelf voor, dat had Craig ook. Denkende aan hem verzandde ik meteen weer in heel andere hersenspinsels en de herinnering aan die onverwacht merkwaardige en liefdevolle dag gisteren, maakte dat ik mijn laptop dicht deed en de boel er bij neer wilde gooien. Het werd tijd dat ik Malcolm van alles op de hoogte ging brengen. Bij het gebrek aan bereik nam ik mijn Iphone mee en ging ik een stuk wandelen. Ik wist dat er bij de dam een plekje was waar wat bereik was, vermoedelijk omdat de dam een onderdeel was van een grote hydrocentrale.

Ik nam een plaid mee en ging richting het water, net zover tot mijn telefoon genoeg streepjes had om te kunnen bellen. Ook wilde ik Craig een bedankje sturen voor zijn lieve kaartje, wegzinkend in gezwijmel met uitzicht op het meer waarin de strakblauwe hemel weerspiegelde, omgeven door de hoge, groen/paarse bergen. Er dansten kleine distelpluisjes door de lucht, als wolken zacht witte vezeltjes boven het water en in de verte klonk wat geblaat van schapen en gekwinkeleer van vogels. Dit was alles behalve een onaangename werkplek. Ik begon met een SMSje aan Craig. Wat best lastig was, want ik wilde veel meer zeggen dan “dank je wel” maar ik wilde ook niet een heel epistel sturen, want stel dat het voor hem echt alleen een flirt was zoals Marianne had gesuggereerd. Toen ik eindelijk de juiste toon had gevonden en het berichtje wegstuurde, ging er een heimelijke zucht van verlangen mee. Ik moest mezelf streng tot de orde roepen. Ik werd niet betaald om verliefd te zijn maar om Malcolm te vertellen wat ik had gevonden. Ik sloeg wat kleine pluisjes van mijn benen en toetste zijn nummer in.

Hij was onder de indruk van mijn vorderingen. Ik vertelde over de aardige mensen die me in de afgelopen dagen hadden geholpen, Pat, Mick, Marilynn, ik vertelde over het dwaalspoor dat ik even gevolgd had doordat ik een heel andere Lockhart van ongeveer de juiste leeftijd had gevonden en daar “nader onderzoek” naar had gedaan in Edinburgh, maar tot de conclusie was gekomen dat hij niet eens van een Schotse familie was. En ik opperde dat ik toch nog eens naar Guisachan zou gaan omdat ik het sterke vermoeden had dat ik daar een draadje had laten liggen alhoewel de opeenvolgende Don’s chronologisch wel klopten tot het leek te eindigen in 2001. Malcolm zelf had navraag gedaan bij zijn client. Die bleef aansturen op een mogelijk link naar de Kanaaleilanden. Ik raakte een beetje in de war. “Was dat wel een Lockhart?” Er viel een pauze aan de andere kant van de lijn. Ik veegde een van de kleine pluisjes van mijn arm en het leek alsof ik Malcolm hardop hoorde denken. “Heel zeker Lockhart. Maar wellicht geen Don.” “Oh, Malcolm! Wat een gedoe! Waar moet ik nu naar zoeken?” riep ik uit. Hij had precies dezelfde “fout” gemaakt als ik door klakkeloos aan te nemen dat alle generaties voor de gezochte persoon Don Lockhart heetten. En hoewel er een aantal van waren, was er toch ook variatie zoals de Williams. En, bedacht ik ineens, Macallister. Na de dood van Don 2 zou Phoebe zomaar haar eigen naam weer kunnen zijn gaan gebruiken. Dat inzicht deelde ik onmiddellijk. “Weet je, misschien is dat helemaal niet zo’n gek idee. Misschien heeft ze nog wel een kind gekregen dat haar meisjesnaam droeg.” verwoordde hij mijn gedachten. “En dan is de kleinzoon van dat kind het jongetje dat bij Mick in de klas zat in 1984.” Hij zuchtte. “Dat lijkt er heel sterk op. Ik denk dat je in die richting moet gaan zoeken.” We braken het gesprek af. Ik bleef even over het meer turen. De zon ging wat lager staan, de bossen aan de overkant leken zich in hun groen te verdiepen. Ik hoopte op een berichtje terug van Craig maar ook al was het SMSje afgeleverd, er was geen reactie op gekomen. Met een hoofd, tollend van de namen en nieuwe mogelijkheden stond ik op, wapperde de wolk zwevende pluisjes weg en liep terug naar de cottage.

Dag 11. 2 juli. 21.30 uur. Edinburgh by night.

Mijn zwierige rokje had ik ondanks de zomerwarmte toch maar verruild voor mijn jeans maar het nieuwe truitje hield ik aan. Ik had nog snel een kop koffie gedronken terwijl ik me omkleedde en met een sjaal om mijn schouders en mijn laarsjes aan durfde ik de avond tegemoet te gaan. We hadden afgesproken bij een pub in een zijstraatje van de Royal Mile vlakbij het kasteel. Het was niet ver lopen van het hotel. Ik voelde me verkwikt door de buitenlucht. En vooral heel opgetogen. Toen ik de kroeg binnen ging moest ik even knipperen omdat het er vrij donker was maar het leek inderdaad rustig en het zag er heel traditioneel uit met lambriseringen, schilderijtjes aan de muur en leren zitjes. Ik zag Craig nog niet maar net terwijl ik aan de bar wilde gaan zitten werd het dikke rood fluwelen gordijn bij de deur open geschoven en kwam hij binnen, keek zoekend rond. Hij zag me niet en dat gaf me de gelegenheid om naar hem te kijken. Mijn hart sloeg een paar tellen over. Ik begreep plotseling het woord “charisma.” Voor het eerst in mijn leven zag ik wat het was. Want hij had charisma. Het leek alsof de ruimte verlicht werd door zijn aanwezigheid en mensen hun hoofd omdraaiden om naar hem te kijken. Toen zag hij me. Hij kwam op me toe en gaf me een kus op mijn wang. “Fijn om je alweer te zien.” klonk het zangerig. Oh, die stem! “Ja, dat was onverwacht snel.” wist ik net uit te brengen en besefte met volle kracht ineens de staat waarin ik me bevond. Hartstikke en halsoverkop verliefd. Dat was het. “Ik had wel gevraagd of je een “wee dram” met me wilde drinken maar ik kan me voorstellen dat je helemaal geen whisky lust.” zei Craig, terwijl hij een bankje voor ons gevonden had. “Je drinkt immers ook liever koffie dan thee.” Het was een aangenaam zeteltje waarin ik wegzakte. “Ik ben nog maar een beginnende whisky-drinker, de verkoper die me mijn eerste flesje verkocht van de week zei dat ik een instapmodel nodig had, compleet met juist glas en een drupje bronwater à anderhalve pond per halve liter.” Dit was reden genoeg voor mijn begeleider om zijn klaterende lach te laten horen. Hij pakte in zijn enthousiasme mijn hand en drukte er een kus op. Mijn huid leek te branden onder die aanraking. “Ik wil je met alle liefde introduceren in de heerlijke wereld van de whisky, maar als je liever een pint hebt of een glas wijn of zelfs koffie, dan haal ik het voor je.” Ik was zo gecharmeerd van die vlinderlichte kus op mijn hand dat ik het gevoel had dat ik weer begon te blozen, iets wat in deze zacht verlichte kroeg gelukkig niet te zien zou zijn. ” Ik zou wel een instapmodel lusten. Met veel water ernaast.”

We toastten met onze drankjes. “Slāinte.” zei Craig en ik probeerde het vreemde woord ook uit te spreken. Er begon een pianist te spelen, wat ballads, ingetogen, mooi, romantisch en de avond vlinderde zacht over in de nacht. Ik liet het gebeuren. We praatten veel, fluisterend, hongerig naar informatie over de ander. We vertelden elkaar over onze levens, over ons vroeger en ons later, onze liefhebberijen en over de dingen die we verafschuwden. We zwegen ook zo nu en dan, genietend van de whisky en de muziek. Ik liet hem nog een keer “Concertgebouw” zeggen omdat het me mijn knieën had doen knikken, en hij zei het zacht fluisterend. Er waren meer woorden die me deden smelten. “Amoroso,” een radioprogramma van Lex Bohlmeijer waarin hij in Nederland had opgetreden. ” Zeg het nog eens?” En tegen het dunne membraan van mijn binnenoor zoemde zijn stem tot in mijn ruggenmerg, “Amoroso..” We zaten steeds dichter bij elkaar totdat onze benen en armen elkaar raakten. Uiteindelijk hadden we nog maar één glas waaruit we dronken. Kleine slokjes die we over onze tong lieten dansen als een belofte voor een lange afdronk. Toen de barman aangaf dat de laatste ronde geschonken werd was ik de tijd helemaal vergeten. Ik sloot af met een glas water met ijs, wilde de rokerige, zachte, fruitige nasmaak van de whisky niet verliezen. “Gaan we elkaar nog weer zien?” vroeg Craig, zijn mond vlakbij de mijne. Ik wilde tegen hem aan kruipen, wilde de dag niet beëindigen. Wilde eigenlijk veel meer, dingen die een zelfverzekerde, onafhankelijke buitenlandse journaliste, cq privé-detective, niet zou moeten willen. “Dat hoop ik wel.” antwoordde ik zacht. “Ik ben de komende dagen voor optredens de stad uit. We gaan naar Engeland met de band. Zuid Engeland.” zei hij en dat klonk als de andere kant van de wereld. “Ik ga morgen terug naar de cottage. Moet de Don nog vinden.” ik probeerde mijn stem luchtig te laten klinken. “Dan breng ik je nu naar je hotel. En dan zien we elkaar weer als jij je Don hebt en ik mijn concerten achter de rug. Misschien kan ik je een keer mee nemen naar de distilleerderij waarvan je vanavond de whisky dronk. Of ik neem je mee naar een van de eilanden, Skye, Mull of Islay, waar trouwens ook heerlijke whisky vandaan komt.” We liepen met de armen om elkaar heen de Royal Mile af, de brug bij het station over en veel te snel naar mijn zin kwam de verlichte gevel van mijn hotel in zicht.

We bleven stil staan. Craig zoende me. En ik zoende hem. Het voelde zo goed. Zo afschuwelijk goed. Met heel veel moeite scheurde ik me los uit zijn omhelzing. “Tot snel. Pas op jezelf.” murmelde hij en plooide zijn lippen weer over de mijne. Bij de straatlantaarn zag ik dat er kleine kuiltjes in zijn wangen zaten. Dat zijn wimpers als van een meisje zo lang en dik en donker waren. Dat er iets klopte onder de huid in de halsopening van zijn shirt. “Jij ook.” zei ik zonder adem. Ik maakte me nu echt los omdat ik anders zou gaan huilen van emotie en liep naar binnen, zag hem door de glazen wand nog eenmaal zwaaien. Terwijl ik naar de lift liep, schoot me ineens wat te binnen. Ik rende de deur weer uit, achter hem aan. “Craig! Wat zijn midges?” riep ik. Hij draaide zich om, ik hoorde zijn heerlijke lach. Hij spreidde zijn armen zodat ik erin kon rennen. ” Gekkie! Midges zijn de meest nare Schotse mugjes, nauwelijks te zien zo klein maar ze steken je overal. Ze zitten in de Hooglanden in de zomermaanden, als het vochtig weer is. Pas maar op met je blote armen en benen.” Een innige kus volgde. En nog een. Ik ging met mijn vinger over het kloppende plekje in zijn hals. Hij trok de spelden uit mijn haar en woelde zijn vingers erdoor. Er reed een ambulance met sirene langs. “Het klinkt als een valse klarinet.” lachte hij en voerde me mee in zijn schater en in een kus. Toen gingen we werkelijk uit elkaar.

Op mijn kamer was de zoem in mijn hoofd overgegaan in zingen. Het was laat maar ik wilde nog niet slapen. Hoe kan het dat je binnen een etmaal zo verliefd kunt zijn? Ik herinnerde het me zelfs van mijn eerste vriendjes en van Raff, mijn hippie ex niet. En dat op mijn leeftijd. In een opwelling stuurde ik de foto van Craig en mij door naar Marianne in Amsterdam, me pas later realiserend dat het daar een uur later was. Ik poetste mijn tanden en trok mijn pyjama aan toen de telefoon een berichtje piepte. Half hoopte ik dat het nog een keer van Craig was, maar ik zag een vraagteken van Marianne. “Wat is dit voor een geweldenaar? Is hij degene die je moest zoeken? Ik zeg, geslaagd!” typte ze er achter aan. “Ff bellen?” schreef ik verlangend terug. “Noh, dat kan nu niet. Peter slaapt hier naast me. Maar… vertel!! Wat heb je gedaan!” Ik wist dat Peter, haar “half wel half niet” vriendje een hekel had aan onze soms late conversaties en het was misschien maar beter om te schrijven wat me was overkomen. Dus, ook al had ik mijn tanden gepoetst en wat “drammetjes” whisky gedronken, schonk ik toch nog een klein slokje van de Pinot in en begon te typen. “Hij is niet degene die ik moet zoeken, maar ik heb hem wel gevonden. Ik ben verliefd geworden op een muzikant, geloof ik. Hij zoent zoals hij speelt.” “En zoals hij er uit ziet?” vroeg Marianne deskundig. “En zoals hij eruit ziet.” beaamde ik. “Dus… meer dan lekker!” concludeerde ze. En dat was de opening voor een uitgebreide chat.

Dag 11. 2 Juli. 16.00 uur. Carluke, Edinburgh.

Als in een soort verdoving reed ik binnen 50 minuten van Falkirk naar Carluke, waar ik precies op de tijd van onze afspraak het hekje door stapte. Ik was nu niet meer bang van het geblaf van de hond. Mick kwam weer vanuit de tuin en had nu een strohoed op die hem tot een ware Britse pensionado maakte. “Hoe was Edinburgh?” vroeg hij, nadat hij ook nu zijn zelfgemaakte bessensiroop inschonk. Ik voelde een hete gloed over mijn gezicht trekken. “Goed. Een mooie stad. Ik ben vanmiddag naar de Kelpies geweest.” Mick knikte goedkeurend. “Imposant he? Je hebt je tijd als toerist goed besteed.” Ik schudde mijn hoofd. “Ik had een afspraak met Craig Lockhart.” zei ik zo nonchalant mogelijk. “De klarinettist?” vroeg Mick tot mijn verbazing. ” Ja. Die ik je noemde vanmorgen, die ik gisteren in de pub had gezien.” “Hij is een hele goede jazzmuzikant. Ik ben er vanmorgen niet op ingegaan aan de telefoon maar ik weet zeker dat hij niet van de familie is waarnaar je op zoek bent. Hij is niet van hier. Maar wat kan hij spelen!” Ik knikte blanco. Het was niet de zin die ik wilde horen omdat het veel te foute associaties opriep. ” Ja, het klonk goed.” beaamde ik zo neutraal mogelijk. “En je had gelijk. Ik had helemaal niet met hem hoeven afspreken want het is geen Don Lockhart uit Cannich.” Mick leek me even van hoofd tot sneakers te bekijken. ” Teleurgesteld?” vroeg hij simpel. “Een beetje. Het leek zo lekker makkelijk. Leuke muzikant van ongeveer dezelfde leeftijd als mijn “Lost Person,” naam en adres doorgeven aan Malcolm en voilà, mijn werk is gedaan en ik kan weer naar huis.” Mick schudde zijn hoofd. “Ik geloof niet dat je dat meent. Volgens mij begin je van Schotland te houden. Ik ben nog even verder gaan zoeken, ook in de gegevens van mijn voorganger op de school en ik kom niet verder dan dat Don Lockhart hier inderdaad in Kilncadzow geboren is, getrouwd is met Phoebe Macallister en dat ze volgens jou een zoon kregen 8 jaar later, in Cannich. Dus in 1928. Maar wat ik wel merkwaardig vindt is dat er een kleine Donald Macallister een paar jaar bij mij in de klas zat, van zijn zesde tot zijn negende ongeveer, die bij hoog en bij laag volhield dat zijn opa omgekomen was in de Scapa Flow bij de aanslag op de Royal Oak. Ik heb geprobeerd te achterhalen waar het gezin heen verhuisde toen hij negen was maar zulke dingen werden toen niet accuraat genoteerd. hij was simpel uit de schoolarchieven geschreven met “verhuizing” als reden.”

Opnieuw vroeg ik me af aan welke kant van de bol wol ik moest trekken. Ik vertelde Mick over het telefoontje van de wijkverpleegkundige uit Invermoriston, lichtjaren geleden en slechts een paar uur voordat mijn hoofd begon te zoemen door de ontmoeting met de muzikant. “Dat was een William Donald Lockhart, geboren en gestorven in Inverness.” Mick dacht na. “Theoretisch zou hij de vader van mijn jongetje Macallister kunnen zijn. Maar ik zie werkelijk de link niet. Of het zou Phoebe moeten zijn, die na het overlijden van haar man haar meisjesnaam weer heeft aangenomen.” Ik probeerde zijn gedachtegang te volgen. “Phoebe kan onmogelijk van William Lockhart een kind hebben gekregen dat bij jou in de klas zat in de jaren 80. Ze was al met Don de tweede in 1920 getrouwd.” “Dat kan inderdaad niet. Toch denk ik wel dat zij er iets mee te maken heeft. Zullen we eens alles wat we weten op een rijtje zetten?” Ik knikte, moe ineens van alle indrukken. Mick haalde een blocnote en begon in een keurig schoolmeestershandschrift te schrijven. “Don Lockhart 1. Cannich, 1868. Verhuisde eind 1868, vermoedelijk door de Clearances rondom Guisachan.” Ik vroeg ook een velletje papier en schreef als een brave leerling met hem mee. “Don Lockhart 2. Kilncadzow. 1898. Getrouwd in 1920 met Phoebe Macallister in Carluke. Vermoedelijk wordt Don Lockhart 3 uit dit huwelijk geboren in Cannich in 1928. Don Lockhart 2 stierf in 1939. Dan weten we niets totdat er in 1955 een William Donald Lockhart geboren wordt in Inverness, ouders vooralsnog onbekend. Hij is niet getrouwd en heeft geen kinderen en sterft op 46 jarige leeftijd in de gemeente Inverness. Vervolgens zat er van 1984 tot 1987 een Donald Macallister op school in Carluke, die daarna is verdwenen.”

Ik nam een grote slok van mijn bessenlimonade. “Moeten de Lockharts uit Newcastle er niet bij?” vroeg ik een beetje hoopvol. Mick keek me onderzoekend aan. “Ze lijken er niets mee te maken te hebben en het geeft een verkeerd en onrustig beeld. Maar als jij er persé een aantekening van wil maken, dan ben ik de laatste die je tegen zal houden.” Ik keek nogmaals naar het onsamenhangende lijstje. “Familie van Craig Lockhart, Newcastle.” schreef ik er bij. Ik had geen idee hoe oud Craig was, laat staan hoe oud zijn vader was. Ik verwoordde dat hardop tegen Mick. “Dat kunnen we wel opzoeken. Die Craig is redelijk bekend, dus ik Google hem wel even.” Hij ging het vervallen huis binnen, mij in de zonnige tuin achterlatend. Een bijna 80 jarige schoolmeester die gaat googelen, het werd steeds zotter. In een mum van tijd kwam Mick terug. “De muzikant is van 1980 en geboren in Newcastle. Vader en moeder komen daar beide vandaan en er is nog een oudere zuster.” Het was raar om Mick te horen praten over “de muzikant” terwijl ik zijn lippen nog op mijn wang leek te voelen, maar ik zweeg en krabbelde de gegevens op mijn papiertje. Hij was dus 6 jaar ouder dan ik. Dat schreef ik er niet bij.

Mick vroeg me of ik wilde blijven eten, maar dat wimpelde ik af. Ik had eigenlijk behoefte om helemaal terug naar de cottage te rijden en me in de stilte onder te dompelen omdat ik aan vanmiddag wilde denken, maar het was niet verstandig om nu nog vier uur in de auto te gaan zitten. We spraken af dat we elkaar op de hoogte zouden houden. Met een hartelijke omhelzing, mijn tweede vandaag, namen we afscheid.

Opnieuw reed ik rond de spits Edinburgh in. Ik zette de auto op vrijwel dezelfde plek en liep even een blokje om langs de pub waar de band gisteren gespeeld had. Nu hing er geen aankondiging. Ik liep een beetje doelloos nog wat verder en ging toen richting station waar ik in een boekwinkel een krant kocht. De charme van de grote stad leek me nu minder te omarmen en ondanks het zachte zomerweer besloot ik met een omweg terug naar het hotel te gaan. Bij de receptie vroeg ik of er afhaalmaaltijden mogelijk waren en het meisje in het stijve uniform gaf me een kaart. “U kunt laten bezorgen maar vanzelfsprekend kunt u ook een maaltijd via roomservice uit ons restaurant bestellen.” Het leek alsof ze dat eigenlijk liever had, dus ik knikte vriendelijk en nam mijn sleutel en de menukaart mee naar de kamer. De ramen stonden open, het was opgeruimd en fris. Ik snakte naar een groot glas wijn maar wilde het kleine flesje dat in de minibar stond niet open maken. Dus werd het geen afhaalmaaltijd, maar roomservice. Ik bestelde een fles gekoelde Pinot Grigio, een uitgebreide salade met bacon en geitenkaas en een soort dik brood met gezouten boter, schopte mijn schoenen uit en haalde de spelden uit mijn haar en wilde domweg op de TV wat gaan zappen om mijn hoofd van het gezoem van vandaag af te leiden. Toen de wijn en de salade gebracht waren kon ik me eindelijk ontspannen. Ik keek naar een Brits programma over huizen in “the Country” die verbouwd moesten worden, heel kneuterig en precies met de juiste spanningsboog die ik nu aankon, toen mijn Iphone aangaf dat er een appje binnen kwam. Ik hoopte dat het Marianne uit Amsterdam was die me zou vragen hoe het allemaal in Schotland was en ik zou eindeloos met haar kunnen appen terwijl ik de Pinot dronk en de huizen aan me voorbij zag gaan. Maar het was een foto van vanmiddag. De muzikant met zijn verschrikkelijk leuke hoofd dicht tegen het mijne en het gigantisch stalen paardenhoofd hoog boven ons. “Hi Jaimie, leuk toch? Hoe was het bij je oude schoolmeester, nog wat meer te weten gekomen? xxx”

Vooral die drie kruisjes deden het. Ik appte meteen terug. “Super leuke foto. Niet veel meer wijzer geworden dan ik al was. Thnx voor het doorsturen!” Ik durfde zelf geen kruisjes te zetten. Nam nog een slok. Keek naar een huis in Exeter dat een extra serre nodig had. Probeerde niet te wachten op een nieuw berichtje. Dat wel kwam, net toen ik even in de badkamer was. “Ben je alweer terug in je cottage? Of nog dichtbij?” “Heel dichtbij. Ik ben terug gegaan naar Edinburgh, geen zin in de lange de rit naar de Highlands.” Ik hoopte dat het niet te suggestief overkwam. Meteen bromde het antwoord: “Dat snap ik. Zin in een “wee dram” in een rustige pub met een Lockhart die geen Don is?” Mijn hart begon te bonzen. Ik zag dat het inmiddels over negenen was. Ik had een halve fles wijn op, mijn haren uit de plooi en eigenlijk klaar voor een vroege nacht. Ik had nauwelijks geslapen en was erg moe. Ik was hier voor mijn werk. “Leuk! Waar?” appte ik terug.

Dag 11. 2 Juli, 12.00 uur, Falkirk Wheel.

Nauwelijks een half uur nadat ik mijn laatste telefoontje had gepleegd liep ik door een grote “Zara,” snel op zoek naar iets nieuws en leuks dat ik voor vandaag nodig had. Ik had er niet op gerekend dat ik een dag langer in Edinburgh zou blijven en ik had er zeker niet op gerekend dat ik op stel en sprong een afspraakje zou hebben met een aantrekkelijke, Schotse muzikant. Toen ik hem sprak hoorde ik wie het was want hij had een aankondiging gedaan voor een door hem gearrangeerd nummer. Ik herinnerde me de donkerblonde, knappe verschijning in zijn goed gesneden colbertje en toen ik naar de foto op het kaartje keek en het gezicht bij de naam ontdekte, was ik een beetje onder de indruk. Hij moest minstens zo nieuwsgierig zijn geweest naar mijn verhaal als ik naar het zijne, want hij had meteen voorgesteld om elkaar te treffen. De ontmoetingsplaats was wat merkwaardig. We hadden afgesproken bij de Kelpies, de enorme kunstwerken van paardenhoofden die elke toerist gezien moest hebben, een uurtje rijden van de stad. Maar van daar kon ik rechtstreeks doorrijden naar Mick, dus op zich was het voor mij gunstig.

Ik koos een simpel rood rokje tot net over mijn knie met een soepele zomertrui erover en was blij dat ik mijn sneakers had meegenomen voor in de auto. Mijn hooggehakte korte laarsjes leken me onder deze nieuwe outfit niet zo geschikt. Nadat ik me in het toilet van een grote Marks en Spencers had omgekleed en met een snelle haal wat mascara en een vleugje lipgloss op had gedaan, haalde ik de Fiësta uit de garage en was op weg naar Falkirk. Ik zou eindelijk een Lockhart gaan spreken die ik zelf gevonden had. En wat voor een.

Het was druk toen ik op de parkeerplaats bij The Falkirk Wheel aankwam. Het pad naar de immens grote stalen paardenhoofden voerde over allerlei houten bruggetjes en op sommige plekken waren ze zo smal dat de drommen toeristen in rijen achter elkaar liepen. Ik wilde er langs, op mijn horloge kijkend als het witte konijn uit Alice in Wonderland, maar er was geen doorkomen aan. Eenmaal op het terrein leek de drukte zich wat op te lossen. Hele groepen mensen gingen naar de waterkant waar narrow-boten lagen, maar ook de tearoom werd druk bezocht omdat er veel kinderen waren en er ijs verkocht werd. Onder een van de gigantische paarden zag ik hem al staan, Craig Lockhart. Hoe was het mogelijk dat hij me gisteren nauwelijks was opgevallen? Ik liep op hem toe omdat ik hem wel herkende maar hij mij niet en moest even naar adem happen toen ik zijn hand schudde. Want hij was meer dan aantrekkelijk. Hij was waanzinnig knap. En had de meest overrompelende lach die me rechtstreeks verleidde. Dat was niet volgens plan.

Hij loodste me langs de jengelende kinderen en vermoeide grootmoeders naar een soort houten huisje waar het opvallend leeg bleek. “De gemiddelde bezoeker wil eigenlijk niet eens weten waarom de Kelpies hier staan, dus deze informatiekiosk is lekker rustig. Thee?” vroeg hij terwijl we aan een tafeltje gingen zitten. “Liever koffie.” stotterde ik. Hij grijnsde een charmante grijns. “Natuurlijk! Ik ga het even halen.” Ik keek hem na terwijl ik een verdacht bekend gebons in de buurt van mijn hart voelde. Mijn hemel, dit was echt niet wat ik nu kon gebruiken. Ik dwong mezelf serieus te blijven en niets van mijn verwarring te tonen, toen Craig terug kwam met een blad met twee grote koppen koffie en twee stukken van een soort dikke mueslikoek. “Flapjack.” verklaarde hij. Even dacht ik dat het een raar scheldwoord was, maar toen begreep ik dat de koek zo heette. Hij ging tegenover me zitten, keek me onderzoekend aan met een paar prachtige diepblauwe ogen en vroeg: “Wat kan ik voor je betekenen?” Ik was even van mijn stuk gebracht door de vraag, maar hernam mezelf. Ik was aan het werk, hield ik me in stilte voor. Hij hoefde niets voor me te betekenen.

Ik legde mijn missie uit. Ik gaf aan wat ik had gevonden en vooral, wat ik nog niet had gevonden. Ik vroeg hem of hij familie had die uit Cannich kwam, of er Donalds bij waren en terwijl ik het zo vertelde vond ik het erg onnozel en onsamenhangend klinken. Ik leek wel een bewonderaarster die een smoes had bedacht om haar idool te spreken in plaats van een zelfverzekerde buitenlandse journaliste die een privé-detective-opdracht had. Craig nam een slok van zijn koffie, beet met zijn mooie, regelmatige gebit een stuk van zijn flapjack af en bleef me zo intens aankijken dat mijn knieën onder de tafel knikten. “Nou, Jaimie (dat is een Schotse naam, overigens) ik zou je graag willen helpen, maar ik ben niet van een Lockharts-tak uit Cannich. Mijn vader is geboren in Newcastle, dus eigenlijk ben ik niet eens een Schot. Ik ben een Geordie.” Hij lachte zijn ongelooflijk leuke lach en zijn ogen lachten mee. “En je grootvader?” probeerde ik nog. “Hmm, geen idee. Vast ook uit Newcastle. Ik wil het met alle plezier voor je navragen aan mijn vader. Eigenlijk heb ik me nooit zo bezig gehouden met onze genealogie, misschien zou ik het eens moeten doen. Het lijkt best interessant. Als er zulke leuke genealogen zijn.” Weer viel ik voor zijn lach. Ik haastte me te zeggen dat ik alles behalve interesse had in genealogie in het algemeen, maar dat deze familie in het bijzonder slechts mijn opdracht was. “Oke, Jaimie, ik plaagde je maar. Toch denk ik niet dat je wat mij betreft op het goede spoor zit, alhoewel ik natuurlijk best zou willen weten wat het is, dat “jouw” Lockhart junior gaat krijgen.” “Ik weet het ook niet. En, hij is niet van mij.” verbeterde ik hem. Hij gaf me een knipoog. “Dat weet je niet. Misschien wordt hij het wel. Dat zou wel jammer zijn..” Hij leek me opnieuw te plagen en ik voelde me steeds meer een tienermeisje dat voortdurend bloosde. Voor Craig leek het hiermee klaar, althans, zijn aandeel in de Lockhart-affaire, zoals hij het noemde. Hij ging over op andere zaken, vroeg me naar mijn leven in Amsterdam. “Ik heb er ook wel eens gespeeld, in het “Concertgebouw” vertelde hij en zoals hij het woord “Concertgebouw” uitsprak deed mijn knieën weer knikken. Ik was blij dat ze onder de tafel zaten. Ik vertelde wat over Amsterdam en mijn vrienden daar maar verzweeg wijselijk de aanwezigheid mijn hippie-achtige ex. Ik begreep dat Craig al sinds zijn kindertijd klarinet speelde, zijn opleiding aan The Royal Conservatoire of Scotland in Glasgow had genoten en in Edinburgh was neergestreken waar hij voor verschillende bands speelde. En inderdaad leek hij absoluut niet op de man waarnaar ik op zoek was, bedacht ik me, zonder precies te weten hoe de man was naar wie ik zocht. ” Wat denk je, Jaimie? Laten we het hierbij? Of zullen we nog een toeristische wandeling onder de paardenhoofden maken? Gaan we elkaar nog een andere keer zien, ook al ben ik niet “jouw” Lockhart?” Ik begon zijn manier van plagen te begrijpen. Keek tersluiks op mijn horloge, de afspraak met Mick had ik niet afgezegd. “Laten we de paarden gaan bekijken, dan is het in ieder geval allemaal niet voor niets geweest.” schertste ik terug. Craig lachte zijn ontwapenende lach weer en daardoor merkte ik dat ik de juiste toon gevonden had. We slenterden naast elkaar naar de immense kunstwerken. Er was een rondleiding aan de binnenkant van de paarden mogelijk maar we waren net te laat en ik had te weinig tijd om te wachten voor de volgende. Craig stond erop dat we een foto lieten maken door een voorbijgaande toerist; “Voor als je jouw Lockhart hebt gevonden en mij vergeten bent.” zei hij en vroeg me naar mijn telefoonnummer zodat hij het kiekje kon doorsturen. We liepen naar de parkeerplaats en ik klikte de Fiësta open. “Dank je voor je tijd en de koffie.” zei ik stijfjes, terwijl we tegenover elkaar stonden omdat ik niet wist wat ik anders moest zeggen. Craig had in de eerste instantie minder woorden nodig. Voor ik het wist bevond ik me in een spontane omhelzing. “We gaan elkaar zien, want je gaat me op de hoogte houden van je zoektocht. En mocht je nog een keer een moppie muziek willen horen, bel me en ik vertel je waar ik speel.” Hij boog zich naar me over voor een doeltreffende kus op mijn wang. “En, ik wil je graag nog wat advies geven. Pas op voor de midges met je blote benen.” en toen draaide Craig Lockhart zich om en liep naar zijn auto, mij ademloos achterlatend.

Dag 11. 2 juli. Een matineuze doorbraak.

Door het lezen van de naam Craig Lockhart had ik helemaal geen oog dicht gedaan en ik was blij dat het licht werd. Ondanks dat ik me had voorgenomen nog wat te winkelen voordat ik terug naar Carluke zou rijden, was mijn zin daarin helemaal verdwenen. Ik moest er achter zien te komen wie mij zo laat had proberen te bellen en ik wilde de muzikant spreken die dezelfde achternaam droeg als mijn “lost person.” Met een kop koffie en een crumpet in de ontbijtzaal, haalde ik de gezichten van de muzikanten even terug. Ik was niet genoeg thuis in de instrumenten om precies te weten wat de klarinet was. Ik had een oudere man gezien die een contrabas speelde, ik had gekeken naar de zanger, maar de overige muzikanten waren me ondanks hun goede spel nauwelijks opgevallen. Ook de foto van hen maakte me niet veel wijzer want er stond niet bij wie wie was. Ineens was ik onredelijk geïrriteerd door mijn ouders, die hun verwende prinsesje nooit kennis hadden laten maken met iets van muziek. Een vrouw van de wereld, die niet eens een klarinet kan herkennen als ze er een hoort?

Daarnaast moest ik er achter zien te komen wie de late beller was geweest. Ik besloot te wachten tot negen uur om het nummer terug te bellen, dat moest laat genoeg zijn voor een gewone dag. En ik boekte nog een nacht bij. Als ik om dezelfde tijd terug zou gaan naar Mick was het opnieuw aardig laat om de vier uur naar mijn cottage terug te rijden en ik hoopte toch iets meer te weten te komen van de muzikant Craig Lockhart. Dat kon ik het beste hier in Edinburgh doen en misschien kon ik dan een pauze inlassen om te gaan winkelen. Tijdens mijn tweede kop koffie en de tweede crumpet bedacht ik me dat ik al een paar dagen niets voor de Cannich Gazette had geschreven en daarom stuurde ik een smsje naar de redactie dat de blog er zo snel mogelijk weer aankwam, met excuus.

Vlak voordat ik de ontbijtzaal wilde verlaten en op mijn hotelkamer wilde gaan bellen, zoemde mijn telefoon zelf al. Het was Mick. “Goedemorgen, love, heb je even wat tijd voor mij? Wat ik dacht te zullen vinden voor je is inderdaad gelukt. Ik wil je het nu al vertellen want mogelijk kun je er wat mee. Als je dan vanmiddag naar hier komt kunnen we het eens allemaal op een rijtje zetten.” Het klonk nogal cryptisch, dus ik griste mijn tas mee en snelde naar mijn hotelkamer met mijn Iphone aan mijn oor als een drukke zakenvrouw uit een chickfilm. “vertel” gebood ik, met een pen en papier in de aanslag.

“Toen je gisteren naar Don Lockhart vroeg, zei me dat niet zoveel, helemaal omdat het wel al duidelijk was dat zijn zoon in Cannich geboren was en hij omgekomen was op de Royal Oak toen het jongetje elf jaar was. Maar ik ben nog eens gaan nadenken, want ik herinner me dat er over gesproken werd in een bepaalde context, terwijl die ramp plaatsvond voordat ik zelf geboren was. Misschien was het net na de oorlog, toen er een lijst van de gevallenen uit ons dorp geregistreerd werd? Maar dat leek me sterk, want ik was toen een kleuter en zo tot in details gaan mijn vroege herinneringen niet. Bovendien, waarom zou het hier zo benoemd worden, terwijl de man blijkbaar terug naar Cannich was gegaan met zijn gezin. Ik ben nog even verder gaan denken en realiseerde me dat ik, toen ik ongeveer 8 jaar voor de klas stond, een jonge leerling had waarvan de opa tijdens de ramp in de Scapa Flow was overleden. Ik heb er niet zoveel aandacht aan besteed toen, want er waren vanzelfsprekend meerdere leerlingen die grootvaders hadden verloren in de oorlog, maar deze herinnering kwam ineens bovendrijven omdat ik het opvallend vond dat het kind het zo stellig vertelde, terwijl er toendertijd nergens sprake van was van een omgekomen Macallister op dat schip. Ik bedacht me die situatie toen je al weg was. Je had me je aantekeningen laten zien van je onderzoek en daar had ik gezien dat Don Lockhart, geboren in Kilncadzow in september 1898 in 1920 in het huwelijk was getreden met Phoebe Macallister. Je gaf aan dat hun zoon acht jaar later in Cannich werd geboren en Don sr in 1939 omkwam. Chronologisch vind ik dat -zeker voor die tijd- een beetje merkwaardig. Snap je er nog iets van?” Ik moest deze informatie even op me laten inwerken. De zoon van de omgekomen Lockhart was in Cannich geboren, 8 jaar nadat zijn ouders getrouwd waren. Maar had ik werkelijk gelezen dat hun zoon in Cannich was geboren? Of had ik aangenomen dat de Don Lockhart, die volgens de archieven in 1928 in Cannich geboren was, de zoon was van dit echtpaar? Het duizelde me even toen ik vroeg of Mick nog aan de andere kant van de lijn was. “Weet je wat ook toeval is? Dat ik gisterenavond in een kroeg hier een band heb horen spelen waarvan de klarinettist Craig Lockhart heet.” Mick lachte. “Jaimie, er heten heel veel familie’s Lockhart. Dat is niet zo heel vreemd…” Ik voelde me een beetje op mijn plaats gezet. “Ik vind het teveel toeval.” pruttelde ik nog wat na. We spraken voor later op de dag af en ik liet me languit achterover op het bed vallen. In plaats van dat ik meer inzicht kreeg in de stamboom van de eerste Lockhart uit Cannich, begreep ik er steeds minder van. Ik had het gevoel alsof ik wilde gaan huilen maar in plaats daarvan drukte ik het nummer in van de onbekende beller. Binnen enkele tellen kreeg ik een vrouw aan de lijn die een naam noemde die ik niet verstond. ” Ik heb uw oproep in de Cannich Gazette gelezen.” zei ze. ” Ik weet niet of het voor u van belang is, maar ik ben wijkverpleegkundige en heb een jaar of zeventien geleden in Invermoriston een vrij jonge man op zijn sterfbed verpleegd. Hij heette Donald Lockhart. Hij is, kort nadat ik bij hem kwam, overleden aan de gevolgen van een vreemde vergiftiging.”

Even wist ik niets uit te brengen. “Hallo, bent u daar nog?” hoorde ik door het speakertje van mijn Iphone. Ik slikte en piepte toen: ” Ja, ik ben er nog. Hoe oud was Donald Lockhart toen, weet u dat nog? Had hij een gezin? Ik heb niets van zijn overlijden in de archieven gevonden.” “Ik heb na uw oproep in de Gazette mijn eigen gegevens allemaal nagelopen. Ik was nog jong, het was een van mijn eerste terminale patiënten, het raakte me enorm want hij had zichzelf moedwillig vergiftigd en hij had niet verwacht dat zijn dood zo lang op zich liet wachten. Dus hij was opstandig en ongelukkig. Het was in de winter van 2001 en hij was nog maar 46 jaar. Hij had geen vrouw en geen kinderen, daarom was ik er via de zorgorganisatie naar toe gestuurd.” Ik schreef mee terwijl ze vertelde. Donald Lockhart, 46 jaar, geen kinderen, zelfvergiftiging in Invermoriston. “Hoe ver is Invermoriston van Cannich?” vroeg ik, ogenschijnlijk onsamenhangend. “Ongeveer drie kwartier met de auto, het snelste ga je via Drumnadrochit.” was het antwoord. Ik probeerde me even de topografie voor de geest te halen. “Wat raar dat ik niet gevonden heb over hem in het archief van de Highlands.” Even was het stil. “Tja, soms valt er wel eens wat tussenuit, lijkt me. Ik herinner me dat hij als geboorteplaats Inverness had opgegeven en in feite valt Invermoriston ook onder Inverness. Bovendien was Donald zijn tweede naam. Hij heette William Donald Lockhart.” Ik bedankte haar uitvoerig en moest haar beloven dat ik zou bellen als ik meer informatie zou willen. Toen ik had neergelegd kon ik mezelf wel voor mijn hoofd slaan. Wat een domme actie. Ik was als een bok op de haverkist gesprongen met alleen maar de naam Don Lockhart en had vermoedelijk W.D. Lockhart, geboren en overleden in Inverness meteen weggefilterd. Maar; als hij in 2001 al was overleden, dan was er helemaal geen Don Lockhart van rond de 40 jaar. Want met hem leek deze tak van de Lockharts uit die contreien verdwenen. En mijn aanname dat het kind dat in 1928 met de naam D. Lockhart in Cannich geboren was, de zoon van de marinier en zijn vrouw Phoebe was, leek ook niet te kloppen. Maar wat klopte er eigenlijk wel?

Ik was behoorlijk aangeslagen door het nieuws en wilde eigenlijk alles aan Malcolm rapporteren en met het eerste vliegtuig naar huis uit pure frustratie. Maar ik wist dat zo’n actie mijn verwende prinsesjesgedrag was omdat ik gewend was dat alles me voor de wind ging. En deze opdracht bleek zich niet te laten sturen door mijn wil. Mijn afspraak met Mick, mijn spullen in de cottage en mijn nieuwsgierigheid naar de achtergrond van de muzikale Lockhart wonnen het van mijn gevoel bakzeil te hebben gehaald. Dus haalde ik het visitekaartje van de band te voorschijn, zag dat het net tien uur was en toetste het nummer van het impresariaat in.

Binnen vijf minuten had ik, met een vaag verhaal, het meisje van het impresariaat weten te overtuigen dat ik dringend het telefoonnummer van de muzikant nodig had. “Ik mag geen persoonlijke informatie doorgeven.” piepte ze, maar mijn overredingskracht bleek overtuigend genoeg toen ik iets over “Nederland, optredens, spoed, aanbiedingen” had gekletst. Ik maakte nog maar eens een kop koffie, vroeg me af of ik om kwart over tien wel een muzikant kon bellen die tot half twaalf in een kroeg had opgetreden, maar ik kon niet wachten, dus toetste het nummer in.

Dag 10. 1 juli. Edinburgh.

Het was later geworden bij Mick dan ik had gepland en daardoor was het helemaal geen optie meer om naar mijn cottage in de Hooglanden terug te gaan. In plaats daarvan reed ik rond zes uur de drukte van de grote stad binnen en had ik binnen een half uur een kamer in een klein hotel gevonden, niet ver van het station van Edinburgh. Ik zette mijn auto in de parkeergarage en besloot vanaf dat moment alles te voet te doen. Het was nog steeds zonnig en aangenaam warm, dus na een verkwikkende douche op de hotelkamer ging ik opgewekt de stad in. Mick had me beloofd dat hij wat voor me zou uitzoeken en we hadden afgesproken dat ik morgen rond dezelfde tijd weer bij hem langs zou gaan in de hoop dat hij dan “wat voor me had.” Ik hoefde dus niets anders te doen dan me onder te dompelen in het heerlijke en o zo vertrouwde gerommel van een stad, een plek te zoeken waar ik allereerst een groot glas wijn zou nemen alvorens ik ging bedenken wat ik met de avond zou aanvangen. Een film? een theatervoorstelling? Winkels bekijken? Wat een genot om weer normale keuzes te kunnen maken!

Ik streek neer op een terrasje aan een van de drukke toeristische straten van Edinburgh, niet ver van het kasteel. Met het mezelf beloofde glas witte wijn keek ik naar de voorbijgangers. Net als in Amsterdam waren het ook hier voornamelijk jonge, snelle, moderne mensen, met mobieltjes in hun hand, sprekend tegen onzichtbare mensen. Jongens op skateboards flitsten wendbaar en soepel door de drukte, taxi’s, top-deck bussen, vooral die met toeristen, reden met een slakkengangetje door de relatief nauwe straten, groepen jonge vrouwen liepen met tasjes van allerlei modehuizen en ik keek ernaar en genoot volop van al dat geroezemoes. Ik was toch niet echt geboren voor de eenzaamheid in de wilde natuur.

Tijdens die heerlijke overpeinzingen had ik bedacht dat ik hier zou blijven zitten om wat te eten en dat ik daarna naar een pub zou gaan waar muziek gemaakt werd. Op de hoek van de straat van mijn hotel was er een die er uitzag als een echte Britse kroeg en er had een aankondiging van een jazzband gehangen. Ik merkte dat ik te onrustig was voor een film of een voorstelling en een avond muziek in een pub leek me precies dat wat ik nodig had om morgen de stilte van de bergen weer aan te kunnen. Dus bestelde ik een schotel met allerlei gefrituurde lekkernijen zoals zalm, dikke frites, asperges, als een soort Schots antwoord op Tempura en vooruit, daar mocht nog een glas van die lekkere wijn bij. En een karafje bronwater. De maaltijd was verrukkelijk. Alles was luchtig gebakken met toch zijn eigen specifieke smaak, er kwam een mandje met brood bij, diverse dips en een heerlijke salade en ik was volkomen tevreden met mijn rare leventje.

Na het vorstelijke diner slenterde ik wat door de straten van Edinburgh. Ik merkte dat hier en daar al flink aandacht aan het grote festival werd gegeven, er waren overal straatmuzikanten en ik nam, net als veel toeristen met mij, een kaartje voor een top-deck bus die een rit door de oude stad beloofde. In de verte spiegelde de Firth of Forth, het was een zwoele zomeravond en na de rit eindigde ik vlakbij waar ik opgestapt was. Terwijl ik de bus uitging schoot een jonge vrouw me aan. Ze duwde me een kaart onder de neus en vroeg met een zwaar Nederlands accent of ik wist waar een bepaalde bar was. Ik zei dat ik zelf ook een Nederlandse toerist was en daardoor schoot ze in de lach. “Ik dacht echt dat je van hier was.” zei ze. “Had ik dan deze toeristenbus genomen?” vroeg ik en dat leidde naar een nieuwe lachbui: “Ik heb afgesproken met een paar mensen in deze bar, maar heb geen idee waar het is.” Ik keek nog eens naar de kaart en meende iets te herkennen. “Het lijkt op een pub waar ik langs ben gelopen, op de hoek van een straat vlakbij het station. Ik wilde er naar toe omdat er een band zou spelen.” Ze keek me verbaasd aan. “daar wilden we juist ook naar toe.” zei ze en stak toen haar hand naar me uit. ” Tamara. Ik denk dat het die pub is die jij bedoelt. Dat is ook toevallig.” Zo kwam het dat ik al druk Nederlands pratend ene Tamara door de Schotse stad loodste. Het was een korte wandeling en het meisje vertelde me dat het haar eerste keer alleen op vakantie was, dat ze Edinburgh “episch” vond en hoopte er over een paar jaar haar stage te kunnen doen. De mensen met wie ze had afgesproken bleek een bont gezelschap jongeren te zijn die ze in haar hostel had ontmoet en alhoewel ik ver boven hun gemiddelde leeftijd was, vond ik het wel een leuke groep om een stukje van de avond mee door te brengen. Het verwonderde me dat ze naar dezelfde muziek wilden luisteren, het was niet bepaald hedendaagse rap of anderszins, maar de groovy “sound” was ook weer “episch” en daar moest ik ze gelijk in geven.

De pub was goed vol en het was prettig dat we een tafeltje hadden gevonden. We hadden een pot gemaakt zodat er steeds iemand naar de bar kon gaan voor een rondje drankjes zonder het gedoe van apart afrekenen, waardoor ik achter een groot glas cider zat toen de lichten wat dimden en de band werd aangekondigd. Het was een divers gezelschap, wat blazers, een drummer, een zanger en een bassist en ze speelden een set van een stuk of zeven gemakkelijk in het gehoor klinkende, lekker jazzy nummers, waarna er een pauze werd ingelast en er een meisje met kaartjes langsging. Ik nam er automatisch een aan, en kletste wat met Tamara en een jongeman met lange haren waarvan ik vermoedde dat ze hem wel erg leuk vond. Er werd nog een rondje drankjes gehaald en de muziek begon opnieuw. Na een paar aangename uurtjes nam ik afscheid van het groepje jongelui dat nog wat verder het nachtleven van Edinburgh in wilde, maar deze dertig plusser ging met de aangename muziek in het hoofd terug naar de hotelkamer.

Toen ik mijn tanden had gepoetst, wat TV had gekeken en nog een glas water had gedronken zette ik de wekker van mijn Iphone en zag tot mijn verrassing dat er iemand me had proberen te bellen. Het was een lang nummer en ik diepte uit mijn tas het vodje papier op waar het telefoonnummer van Pat op stond. Maar het was niet hetzelfde. Ook het nummer van Mick was het niet. Het was te laat om de onbekende terug te bellen dus ik lag nog uren wakker omdat mijn nieuwsgierigheid in de nacht allerlei scenario’s bedacht. Ik was blijkbaar volledig aan de stilte van mijn cottage gewend geraakt want ik hoorde nu alles, voorbijgaande auto’s, de lach van een groep mensen die tegen de hoge gevels ketste, een ambulance met gillende sirenes. Er ging teveel door mijn hoofd en halverwege de nacht stond ik op en maakte voor mezelf een beker warme cacao, waarvan de ingrediënten op een complementair dienblaadje stonden.

Ik keek nog eens naar het schermpje van mijn telefoon. Ik was gebeld om half 11, best laat als je bedenkt dat het iemand was die ik vermoedelijk niet kende. Toen zat ik nog achter mijn cider in de kroeg en had mijn telefoon niet gehoord. De beller had ook geen berichtje achter gelaten maar had het tien minuten later nog een keer geprobeerd. Ik stond op om het raam te sluiten in de hoop dat er minder nachtelijke geluiden de kamer in zouden komen en ik echt een paar uur slaap kon pakken, toen ik bijna struikelde over mijn tas die ik achteloos naast het bed had gegooid. Het visitekaartje van de jazzband stak uit een van de vakjes. Ik pakte het op en wilde het beter opbergen, toen mijn oog viel op een naam: “Craig Lockhart, klarinet.”

Dag 9. 30 juni. Carluke.

Ondanks dat mijn bezoek aan Pat me niet had gebracht wat ik zocht, had het er wel voor gezorgd dat ik met nog meer interesse het boekje over het landgoed verder wilde lezen. Het was zoveel interessanter nu ik wat van de achtergrond wist. Op de terugweg van Drumnadrochit was ik langs een Tesco gegaan en had nog wat proviand ingeslagen, waaronder – ik vond dat ik er aan moest gaan geloven – een “een-sloks” flesje Single Malt Whisky die, volgens de man die me hielp een “zacht instapmodel voor de beginnende whiskydrinker” was. Zijn verkooppraatje was zo goed dat ik er ook een perfect whiskyglaasje bij had gekocht dat in niets leek op de grote, brede tumblers die ik altijd in de films zag. De man had me min of meer verboden om er ijsblokjes in te doen, dat leek een blasfemie, maar raadde me wel een paar drupjes water aan van een zuivere bron. Dus dat bronwater moest er ook bij gekocht worden. Toen ik had gevraagd wat je dan bij zo’n whisky at behalve gerookte zalm, begon hij werkelijk op zijn praatstoel te komen en zei me dat het “pairing” van whisky en voedsel helemaal aan de smaak van de drinker lag maar dat hij zelf wat gerookte ham, wat romige chocolade of een neutrale fudge niet verkeerd vond. Uiteindelijk ging ik met heel andere artikelen de winkel uit dan ik van te voren bedacht had. En had ik in de avond mijn debuut als whiskydrinker, met mijn voeten op de poef naast de haard en het boekje over Guisachan op mijn schoot. Als mijn dynamisch drukke Amsterdamse vrienden me zo eens hadden kunnen zien!

Ik besloot om de volgende dag naar Lanarkshire te gaan waar Don 2 zich leek te hebben gevestigd. Zijn zoon werd dan wel in Cannich geboren, maar ik wilde uitzoeken waarom ze terug waren gegaan en of er mogelijk iets bekend was van waar zijn vrouw en jonge zoontje zich hadden opgehouden na zijn vroege dood. Als ik dat zou vinden, zou ik een heel stuk verder zijn.

De whisky had ervoor gezorgd dat ik in een droomloze slaap was gevallen en door de wekker was geslapen. Ik werd wakker toen de zon al boven het meer stond en er een kudde schapen in de wei voor mijn cottage gebracht werd. Daardoor nam ik een korte douche in de tweede badkamer, omdat ik mijzelf niet in Eva’s kostuum aan die wolbalen wilde vertonen en geen zin had om op zo’n stralende dag de rolgordijnen meer te laten. Ik nam een haastige kop koffie met een broodje en ging niet eerst naar Beauty voor de laatste roddels, maar stapte met een flesje “puur bronwater” en een banaan in de Fiësta richting het Zuiden. Het was zeker vier uur rijden als ik het verkeer mee had en ik hoopte van harte dat er in Carluke ook iets van een gemeentehuis of register was, zodat ik niet voor niets een dag lang in de auto zou zitten. De eerste twee uur gingen erg soepel. Ik kende de auto nu goed en al mijn ritjes door de Hooglanden hadden ervoor gezorgd dat ik met het grootste gemak de rotondes links nam en niet meer hoefde na te denken als ik in moest voegen. Ik was nu ruim een week hier en merkte dat ik steeds minder heimwee had naar mijn geliefde Amsterdam, op de momenten na dat ik met mijn vrienden chatte. Daar was het immers nu ook volop terrasjesweer. Maar die tijd zou snel genoeg weer komen als ik maar even een doorbraak zou krijgen in mijn opdracht. Na een korte stop bij de “Services” waar ik tankte en bij een Costa een grote café latte nam, begon ik aan het tweede deel van mijn reis. het werd beduidend drukker op de snelweg. Carluke lag op een half uur afstand van Glasgow en een uurtje van Edinburgh, dat was aan het verkeer te merken. Daardoor arriveerde ik een stuk later in het stadje dan ik gepland had en omdat ik inmiddels mijn maag voelde knorren, besloot ik eerst ergens een broodje te gaan eten en mijn plannen een beetje te wijzigen. Er was niemand aan wie ik rekening en verantwoording hoefde af te leggen, waarom zou ik mezelf niet verwennen en een hotelletje in Edinburgh nemen om de namiddag en avond door te brengen? Het was een stad die ik altijd wel eens had willen bezoeken, ik was er nu zo vlakbij en ik merkte dat ik nadat ik dat besluit genomen had, ineens hevig snakte naar de drukte van een grote stad.

Carluke was een klein plaatsje en ik was er snel doorheen gereden, zodat ik op een smal weggetje tussen twee stapelmuurtjes moest keren om het stadje weer in te komen. Bij een supermarkt informeerde ik naar een gemeentehuis maar dat was in Lanark, een paar mijl verderop. Toch had ik het stellige gevoel dat ik hier moest zoeken en ik parkeerde de auto vlakbij een school. Terwijl ik het portier afsloot bedacht ik me dat dit instituut, alhoewel nieuw, misschien ook de school was waar Don 2 ooit naartoe gegaan was. Deze rare gedachte dreef me het gebouw in, vol met tieners in uniform. Ik werd door een van hen naar een kantoortje van een conciërge gewezen en ik voelde me bijna zo onzeker als al die pubers in de grote hal toen ik mijn vraag stelde: “Hoe lang bestaat deze school? Zijn er misschien ergens archieven te vinden van leerlingen die begin 1900 hier in Carluke op school zaten?” De conciërge, een rondborstige vrouw met rode krullen, die eerder aan een Ierse deed denken dan aan een Schotse, keek me verwonderd aan. “Dat is een lastige vraag. Deze school is nog niet zo oud, maar er moet wel een schooltje zijn geweest hier in deze buurt. Geen idee of er nog archieven zijn. U zou eens bij het oude schoolhoofd kunnen informeren. Hij is ver in de 70, maar heeft een dijk van een geheugen. Als er iemand is die kan helpen is hij het wel. Ik zal zijn adres wel even opschrijven, hij woont in een vervallen boerderijtje op de weg naar Lanark.” Opnieuw kreeg ik een velletje papier met daarop een adres gekrabbeld, alhoewel dit papiertje keurige lijntjes had, recht van een blocnote gescheurd. Ik bedankte de vrouw en baande me een weg door de groepen pubers in stemmig donkerrood.

Binnen 20 minuten stond ik op een klein weggetje naast een vervallen boerderijtje, zoals de vrouw had beschreven. Er scharrelden wat kippen over een klein erf en ik zette de auto zo dicht mogelijk tegen de berm aan. Een scheefhangend hekje leek toegang te geven tot een verwilderd pad dat naar een verveloze deur leidde. Ik moest even diep ademhalen en stapte toen het hekje door. Een grote leverkleurige, ruwharige hond van onbestendig ras kwam traag op me af en begon toen zo hard te blaffen dat ik me wezenloos schrok. Ik zag zijn tanden blikkeren en wilde eigenlijk rechtsomkeerd maken, toen ik iemand hoorde roepen. “Joey, stil!” Een man kwam langs de zijkant van het huis op me af. Je zou hem alles behalve “diep in de zeventig” geven, met zijn on-Schots lange lijf en slobberende spijkerbroek. Op zijn vraag wie ik was, stelde ik me voor en vroeg of hij de voormalig hoofdmeester van de Carluke school was. Hij knikte, zei dat ik hem Mick kon noemen en vroeg of ik mee naar achter wilde komen, hij zat in de tuin. Die was onverwacht weelderig in vergelijk met het verval van het huis. Diep groene gazonnen, uitzicht over de bijna paarsige heuvels in de verte, een idyllisch zitje, het zag er uitnodigend en vriendelijk uit net als Mick zelf. Na de nodige beleefde plichtplegingen waarbij hij een glas zelfgemaakte bessensiroop met bronwater voor me inschonk, kwamen we terzake. Ik vertelde dat ik op zoek was naar een Don Lockhart, hier geboren in 1898, in 1920 getrouwd was en daarna naar Cannich was verhuisd waar zijn zoon geboren was. En gestorven was in 1939. Mick leek eerst niet veel met mijn informatie te kunnen. Hijzelf was in 1940 geboren, dus had Don 2 op een jaar na “gemist.” Hij zou wel aan archieven kunnen komen om te zien of hij hier op school gezeten had, maar, zei hij spitsvondig, dat was in feite niet van belang. Het was voor mij belangrijker om te weten waarom hij naar Cannich was gegaan, zeker met de veronderstelling in gedachten dat zijn ouders met hem juist 30 jaar daarvoor uit Cannich waren vertrokken. Ik zuchtte diep. Het leek alsof ik aan een kluwen wol trok om het begin te vinden maar er raakte alleen maar meer wol in de knoop. We waren beiden even stil, keken naar de heuvels, luisterden naar de vogels en een tractor in een paar weilanden verderop en toen hernam hij ineens het woord. “Ik denk dat ik toch wel kan helpen. Al is het op een heel ander vlak.”

Dag 8. 29 juni. Drumnadrochit.

Drumnadrochit lag een half uurtje van Cannich af en was wederom een charmant plaatsje. Het was wel toeristisch en je struikelde bijna over de knuffel-Nessie’s. De bekers en theedoeken, petten, kaarten en truien met Nessie waren bij elke tearoom, winkel of pub te vinden en ook het Visitors Centre stond er vol mee. Ik wilde eerst even wat rond kijken om zo moed te verzamelen om bij Pat aan te kloppen en vooral mijn vragen te stellen. Want eigenlijk was mijn interesse in het Guisachan Estate alleen maar bijzaak en moest ik echt nog wat harder op zoek naar Don Lockhart junior. Toch vond ik mezelf terug bij de voordeur van een kleine, witgepleisterde cottage. Alhoewel het best wel wat weg had van mijn eigen huisje aan het meer, was het uitzicht in deze tuin op het Loch Ness van een ongekende schoonheid. “Je zult hier maar wonen..” schoot het door me heen terwijl ik zocht naar een deurbel maar een klopper vond. De man die de deur open deed was het tegendeel van wat ik eigenlijk dacht te zullen aantreffen. Ik ging er van uit dat Pat de leeftijd had van de lange, knappe man bij Guisachan, zijn “maat.” Maar deze man moest zeker de zeventig gepasseerd zijn. Ik stelde me voor en besefte dat ik niet eens de naam wist van zijn vriend, maar met een breed armgebaar noodde Pat me binnen en ging me voor naar een lichte kamer met enorme ramen die uitkeken op het Loch. Het was niet bepaald een gevel van een traditionele cottage met al dat glas, de mollige banken en de houten kasten waren dat wel. “Ga zitten, liefje, Morris vertelde me dat je zou komen. Ik heb de ketel op staan.” De aloude manier om in het Verenigd Koninkrijk iemand op zijn gemak te stellen, met een ketel die op staat om thee te maken. Ik durfde niet aan te geven dat ik geen thee dronk. Pat had een bruin gelooid gezicht met talloze plooien en lijnen, alsof hij zelf een thee-bad had genomen. Zijn haren waren grijs en zijn ogen vriendelijk. Hij was klein en een beetje zwaar maar hij bewoog zich door zijn huisje met een soort gratie die je eerder van een danser zou verwachten dan van een Schotse buitenman. Ik had geen thee nodig om me op mijn gemak te voelen.

Nadat er uiteindelijk een grote mok oploskoffie voor me stond, vergezeld van de meest verrukkelijke scones “my wee sister made them,” aldus Pat, stak ik van wal. Ik legde uit dat ik naar hier gekomen was om een jongeman te vinden maar dat ik bij Guisachan terecht was gekomen, wat me onverwacht was gaan intrigeren. Pat liet me uitpraten, af en toe knikkend of schuddend met zijn wijze hoofd en toen stond hij op om een soort album uit een boekenkast te halen. Hij likte aan zijn wijsvinger en duim, sloeg het open en bladerde er doorheen naar een bepaalde pagina en ging naast me op de bank zitten. “Dit is het huis in volle glorie.” zei hij. Voor me zag ik een zwart wit foto van een drie verdiepingen hoog huis, met grote ramen, donkergrijze stenen die met lichtgrijze stenen een patroon vormden. Ik zag een groep mensen voor het bordes, waar niets van mos op zou hebben gezeten ten tijde van deze foto. Mensen zoals ik me herinner van de foto’s van mijn grootouders. Ik zag ook wat honden erbij, sommigen hadden wat weg van Ierse Setters maar er lag ook een wat lichtere hond die het meest op een Golden Retriever leek. “Dit is het huis in de gloriejaren van Sir Dudley Marjoribanks, die in 1880 in de adelstand verheven werd en Baron Tweedmouth ging heten. Maar ver voordat hij het landgoed kocht, had het al zijn geschiedenis. Ik zal je niet teveel met jaartallen en namen vermoeien. Maar een stukje chronologie is nodig als je Guisachan wil leren doorgronden.” Hij nam een slok van zijn thee en ging verder. “Eeuwen geleden werd deze omgeving, North West Inverness-shire bevolkt door twee Clans. Dat waren de Chrisholmes en de Frasers. Ze bevochten elkaar om land en mensen en in die tijd waren de Highlands druk bevolkt. Ongeveer in 1540 is er voor het eerst sprake van het land van Guisachan, dat aan William, de tweede zoon van het Clanhoofd van de Frasers werd geschonken door zijn vader, toen de vierde Lord Lovat.” Ik herinnerde me bij Fort Augustus een groot hotel op een heuvel, het “Lovat.” Ik dacht dat het de naam van een keten was en vertelde dat aan Pat. “Het Lovat is inderdaad genoemd naar het hoofd van de Fraser Clan.” Hij ging verder. “Een andere zoon kreeg ook grote stukken land en er is een tijdlang een andere naam dan Guisachan door de Frasers gehanteerd, maar de heren hadden door de jaren en gevechten heen al hun land verloren. Alleen Guisachan bleef over, tot in 1670 toe. Er zijn gevechten bevochten tussen de Clans, er is veel landjepik geweest en de Guisachan landen zijn in andere handen van zonen en kleinzonen gekomen met als zwarte apotheose het volledig afbranden van het huis in 1747 door troepen van het Gouvernement. Inmiddels was er een “William de jongere,” die 5 jaar later een nieuw huis liet bouwen, waarvan het karkas nu door bomen ondermijnd wordt. ” “Dus deze ruïne is ruim 265 jaar oud?” vroeg ik en betrapte me er op dat er werkelijk ontzag in mijn stem door klonk. “Aye.” bevestigde Pat. Hij ging verder met de geschiedenis en kwam al vrij snel op het punt dat ik inmiddels kende, de koop van het huis door de politicus Marjoribanks. ” Er zijn na zijn komst inderdaad veel pachters verdreven en het is niet onwaarschijnlijk dat de Lockharts, die in 1868 daar een kind kregen zoals je stelt, voor het opgroeien van dat kind eieren voor hun geld hebben gekozen en zijn gevlucht, waarheen dan ook.” Ik vertelde dat ik had begrepen dat de Lockhart die op de “Royal Oak” was omgekomen 11 jaar voor zijn overlijden een zoon had gekregen die in Cannich was geboren. “Alsof de familie toch weer terug is gegaan.” besloot ik mijn relaas. Pat  trok een diepe rimpel boven zijn neus, waardoor hij er als een soort verweerde tuinkabouter uit zag. ” Dus… Don 1 is geboren in Cannich in 1868, het gezin is enkele maanden later verdwenen en 60 jaar, in 1928 wordt zijn kleinzoon, Don 3 weer in Cannich geboren. Don 2 is bij de ramp op de Royal Oak omgekomen. En nu ben je in feite op zoek naar Don 5 als ik het goed uitreken?” Ik knikte. Zo was het precies. Het klonk zo eenvoudig. Pat keek me onderzoekend aan. “En hoe wil je dat gaan doen?” was zijn vraag terwijl ik de laatste kruimels van de overheerlijke scones van mijn bordje pakte. ” Ik weet het niet.” zei ik in alle eerlijkheid.

Pat had me nog verteld dat Guisachan eind jaren 30 in diskrediet was geraakt. Het landgoed werd verhuurd als trainingskamp voor de allereerste “Keep Fit Summer School” die in het Verenigd Koninkrijk werd georganiseerd en men sprak er schande van dat er in de meren naakt gezwommen werd. De zwarte wolken van de Tweede Wereldoorlog dreigden ook in deze contreien en het was toen dat het eens zo bruisende landgoed voor 1500 pond verkocht werd aan een rijke dame die al een van de bijbehorende huizen bezat en het wilde behouden. Maar ze was een van die mensen die de uitdrukking “Penny wise, pound foolish” bezigde en om de zware belastingen te ontduiken liet ze de leistenen daken weghalen en werd het gebouw leeggehaald en verder ontmanteld. Het verloor zijn glorie, het verval begon en was tot op de dag van vandaag nog niet beëindigd.

Vreemd genoeg stemde het me wel verdrietig maar tegelijkertijd voelde ik in het knusse huiskamertje ook een soort onrust omhoog borrelen. Het was prettig om met een kop koffie in mijn hand naar het vriendelijke, monotone stemgeluid te luisteren van mijn gastheer, die vol verve allerlei details vertelde over het “Huis,” maar ik leek steeds verder van mijn opdracht verwijderd te raken. Dus met grote tegenzin scheurde ik me uit de zachte, diepe bank los en bedankte Pat voor zijn gastvrijheid en informatie. ” Any time,” zei hij en vroeg me hem te bellen als ik meer wilde weten of als ik meer had ontdekt. Op het papiertje dat zijn pubmaat me had gegeven met zijn adres, krabbelde hij er zijn telefoonnummer bij. Met een hartelijke groet namen we afscheid en stond ik weldra aan de oever van het grote meer om mijn gedachten terug naar “de Don’s” te halen.

Dag 7. 28 juni. Een ontmoeting.

Het werd een gewoonte. In de ochtend maakte ik eerst een wandeling in de buurt van de cottage, over de dam langs het meer of een stukje door de varens de heuvel op, maar niet zover dat ik met een hert in aanraking zou komen. En dan reed ik naar Beauly waar ik in het hotel onder het genot van een kop koffie het internet bezocht, mijn mail bekeek en even op FaceBook rondneusde. Ik was hier nu al een week zonder werkelijke vooruitgang. Gisteren was ik opnieuw naar Inverness gegaan en had me in het archief verdiept en was verder gaan zoeken naar de Don Lockhart die op het slagschip Royal Oak in de baai van Scapa op 14 oktober 1939 aan zijn einde was gekomen. Dit ontroerde me vreemd genoeg. De Tweede Wereldoorlog was net als de Eerste en bijvoorbeeld de Clearances, geschiedenis waarover ik slechts gelezen had en alhoewel ik de herinneringen van mijn ouders aan de oorlog altijd erg boeiend en tegelijkertijd akelig vond, was ik niet buitengemeen geïnteresseerd geweest. Misschien kwam het omdat ik eigenlijk tot nu toe een luchthart-treurniet leventje had mogen leiden als enig prinsesje van mijn ouders die me op handen hadden gedragen, met als enige verdrietige dieptepunten het overlijden van mijn moeder en de breuk van mijn relatie. Alles ging me voor de wind, ik had leuke vrienden, een fijn appartement, werk dat ik met plezier deed en me een goed inkomen verschafte en daardoor had ik niet heel veel stenen op het uitgestippelde pad. Het woord “ontroering” kende ik niet goed. “Bevlogenheid” of “passie” ook niet, terwijl ik het wel bij mensen in mijn omgeving had kunnen constateren. Alleen al bij mijn lieve ex-vriendje die zijn passie achterna was gegaan en nu ergens in Israël de wereld wilde verbeteren.

Donald Lockhart was in 1898 geboren, zoals bleek in Lanarkshire. Opvallend was dat zijn voorouders juist uit Lanarkshire naar de Hooglanden waren getrokken. Ik had niet kunnen achterhalen of de eerste Don Lockhart uit Cannich met zijn ouders daadwerkelijk naar Lanarkshire was verhuisd en of hij werkelijk de vader was. Feit was dat een Don Lockhart in september 1898 in het plaatsje Kilncadzow het levenslicht had gezien. Er was een zusje boven hem en een broertje na hem geboren. Beiden waren op heel jonge leeftijd overleden. Donald  trouwde in 1920 met Phoebe Macallister. Hij monsterde later aan op de “Royal Oak” om zich voor de Kroon in te zetten als marinier. Daar stopten mijn bevindingen, die onmiddellijk nieuwe vragen opriepen. Waarom gingen ze naar Cannich terug? Wat was er van Phoebe geworden? Was hun zoontje de grootvader van “mijn” Donald?

Ik was nog een keer door alles gegaan wat maar met geboorte,- en overlijdensregisters te maken had gehad, maar ik vond niets meer. Dat kon twee dingen betekenen; of de man leefde nog, of hij was verhuisd en elders overleden. De rest van de dag had ik besteed aan het bezichtigen van het schattige, toeristische Fort Augustus en een stukje van het Loch Ness. De schoonheid van Schotland begon me per dag meer in haar greep te krijgen en voor een stadskind als ik was dat een rare gewaarwording.

Na het uurtje Facebook-contact met mijn vrienden in Amsterdam reed ik opnieuw naar Cannich. Misschien had het oproepje in mijn blog in de Gazette voor reacties gezorgd. Ik wilde terug naar Guisachan omdat ik de sfeer opnieuw wilde proeven. Omdat het me in zijn ban had. En dan zou ik daarna in Cannich doorvragen naar Don Lockhart.

Het landgoed lag er net zo geheimzinnig en indrukwekkend bij als een paar dagen eerder. Ik was een beetje bang geweest dat ik het- door er zoveel over te lezen – allemaal wat had over-geromantiseerd, maar de gehavende ruïne was werkelijk een magische plek en ik liep eromheen om opnieuw tegen de oude boom te gaan zitten en alle impressies in me op te nemen. Hier was veel verdriet geweest, deels door de verwende Sir Dudley die een luxe vakantieplaats wilde voor zijn invloedrijke vriendjes, deels doordat de gruwelen van die tijd over alles heen lagen. Het merkwaardige feodale systeem van landheren, leenheren, pachters enzovoorts dat uiteindelijk niet meer werkte door de economische achteruitgang speelde de grootste rol en Sir Dudley was daar slechts een pion in. Ik had in Inverness in het archief nog iets gelezen over de woningen die hij voor zijn personeel liet bouwen en ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat een man die een hele enclave voor zijn personeel inricht, compleet met kerk en school, toch niet moedwillig mensen met geweld uit hun huizen liet verjagen. Guisachan bestond uit een volledig dorp en was niet alleen dit ingestorte dakloze gebouw met zijn imposante façade en het mosbegroeide bordes. De afgevaardigde van het House Of Commons die had gesproken over “protserige cottages, meer voor de show dan voor het gemak” was natuurlijk ook wel bevooroordeeld geweest. En vanzelfsprekend zouden de boeren die hun eigen woningen met hun eigen handen hadden gebouwd, zich niet prettig hebben gevoeld in de Victoriaanse huisjes met erkers en daken van leisteen die niet misstonden in een stadje als Fort Augustus, maar hier op het platteland uit de toon vielen. Er waren zoveel verschillende invalshoeken dat ik mijn naar alle kanten flitsende gedachten wilde kanaliseren door nogmaals rond het gebouw te lopen om de betoverende sfeer op te snuiven.

Bij de stapel boomstammen aan de zijflank van het huis was een indrukwekkend grote man aan het werk die ik in de eerste instantie met een groet voorbij liep. Hij was met een landrover door het hek gekomen want de wagen stond langs het pad geparkeerd. Hij was in de weer met rollen gaas en paaltjes en tikte even tegen zijn bruine wax-hoed. Ik nam aan dat er vee aan de voorkant beweidt zou gaan worden wat me even een steek gaf want dat zou kunnen betekenen dat ik niet meer zo makkelijk hier zou kunnen rondlopen. Dus ik liep terug naar de man en vroeg ernaar. “Aye” zei hij met een sappig accent. “Er komen schapen want het land moet kaal.” Ik vroeg van wie het landgoed nu was. Hij haalde zijn schouders op. “Het landgoed wordt beheerd door een een landschapstrust, en wij krijgen de opdracht het te onderhouden.” ik zag een naam van een landschaps onderhoudsbedrijf op zijn bodywarmer. “Waarom hebben ze het zo laten vervallen, waarom is het leeg komen te staan?” vroeg ik. Hij keek me even onderzoekend aan. “Wie wil dat weten?” was zijn wedervraag. Ik haastte me te zeggen dat ik gewoon een belangstellende toerist was. ” Niet van een Golden Retriever groep of zo?”  Ik was verbaasd over deze vraag. “Nee hoor. Ik kwam van de week toevallig in deze buurt en vind het een indrukwekkende ruïne maar vraag me af waardoor het een ruïne is geworden.” ik verzweeg dat ik de columns voor de Cannich Gazette schreef en dat ik iemand zocht. Hij leunde tegen de boomstammen. “Het staat al vele decennia leeg. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog is het dak gesloopt zodat er geen belasting over betaald hoefde te worden. Dat is met heel veel landhuizen en kastelen gebeurd, vandaar dat we een land van ruïnes zijn geworden. Meer weet ik er niet van. Wel komen er regelmatig mensen met Golden Retrievers om te vieren dat hun honden hier voor het eerst gefokt werden. Zeer waarschijnlijk was dat niet eens hier ter plekke maar werden de pups geboren op Kerrow House, een paar mijl verderop. Dat is nu een hotel maar hoorde vroeger bij het landgoed als huisvesting voor de hogere staf.” Ik bedankte hem voor zijn tijd en wilde doorlopen. “Een vriend van me heeft voor zijn studie onderzoek gedaan naar deze omgeving en ik denk dat hij U wel het een en ander over Guisachan kan vertellen. Wilt U dat ik hem bel? ” Ik was verrast door zijn onverwachte aanbod en wist eerst niets uit te brengen. Toen hernam ik me. “Dat zou fantastisch zijn,” Hij lachte een leuke lach wat hem ronduit aantrekkelijk maakte en haalde uit zijn binnenzak een mobieltje. Ik kon me niet voorstellen dat hij hier bij het verlaten huis bereik had, maar al snel hoorde ik hem in rap Schots praten met een heleboel “Mate,” “Pal” en “Aye” erin en ook nog zoiets als “Lassie” waarmee hij mij leek te bedoelen. Hij keek me aan en legde even zijn hand op het mobieltje. “Wanneer heeft U tijd?” vroeg hij beleefd. Ik zei dat ik de hele dag, de hele week de tijd had en hij knikte en ging verder met zijn onverstaanbare gesprek. Even later stopte hij zijn telefoontje weer in zijn binnenzak en haalde er een stukje papier en een potloodstompje uit. Krabbelde een adres op het velletje. “Hier moet je heen, mijn maat heet Pat en je kunt er naar toe wanneer het jou uitkomt. Hij wil graag je vragen beantwoorden.” Ik nam het papiertje aan, de achterkant van een rekening uit een pub waar een adres op stond waarvan ik me afvroeg of mijn navigatie dat ooit zou herkennen. De man leek van onder zijn hoed mijn twijfel op te merken. “Het is niet ver van hier. Drumnadrochit. Daar is ook een ruïne, het Urquhart Castle, natuurlijk zonder dak. En als je tijd en zin over hebt, er is een mooi museum en je kunt er alles vinden over Nessie.” Hij grijnsde weer zijn leuke grijns en ik bedankte hem uitbundig voor zijn hulp. Het had iets schattigs, ik kreeg zomaar van een wildvreemde een adres met alleen een voornaam van iemand die me te woord wilde staan. Waren ze voor alle toeristen zo vriendelijk en behulpzaam? In diepe gedachten liep ik het idyllische paadje naar het dorp weer over en de zachte geur van de kamperfoelie vlinderde met me mee.