Auteursarchief: Myr

April 2019

Wat in maart schoorvoetend begon, een hink-stap-sprong in mijn verdere leven, zet nu wat steviger stappen alsof ik het steeds meer ga geloven. In een toekomst. Daar hoort behalve verdriet ook “verleden” bij. Door hulp van een kundige realiseer ik me dat ik pas mezelf kan zijn als ik ook op de juiste manier naar het verleden kan kijken. Onwillekeurig heb ik jarenlang het verlies om mijn eigen ik, dat theaterdier, weggestopt omdat er naar mijn idee andere zaken van groter belang waren. Bewust heb ik samen met mijn lief de keuze gemaakt om weg te stappen van het dierbare schouwburgleven dat samen met mijn karakter en aanleg een bepaalde chemie vormde die me maakte tot wat ik was. En het was goed, ik richtte me op heel andere zaken; het moederschap, het leven op onze boerderij, de opbouw van ons honden-leven. Ik ging bij mensen werken die mijn wekelijkse aanwezigheid nodig hadden, of dat nu was om hun huisje schoon te maken of om hun maaltijden te verzorgen. En tussendoor was ik vooruit aan het kijken en hield ik me vast aan het advies dat in die tijd wel eens gebezigd werd: ” Kijk nooit om.. dat is geweest..”

Na de zwarte maanden van de afgelopen winter moest er wat gebeuren. Want ik wilde best minder om kijken omdat het geweest was, maar ik had niet echt iets om vooruit te zien. En het leven in het heden was afschuwelijk. Zonder erkend verleden, zonder toekomstperspectief.

De kundige begon met te “werken” aan een verstoord rouwproces, zoals hij het noemde. Maar dat verstoorde rouwproces hield meer in dan de rouw om mijn geliefde. Het was ook rouw om de persoon die in mij zit en ik kwijt was. In combinatie met de onverwachte her-introductie in het theater door de vraag aan te nemen om als belichter mee te gaan tijdens een paar optredens met Nederland’s oudste jazz band, raakte ik voorzichtig dat persoon weer aan. De kundige bleef doorgaan. Want, zo is zijn mening, ik kan pas mezelf zijn als ik ook met warmte kan terug kijken op 30 theaterjaren die meer dan de helft van mijn bestaan besloegen. Langer dan ik mijn lief kende vanaf onze eerste kus tot zijn laatste zucht.

Nu, 12 “werkmomenten” later, laat de kundige me een plaatje zien. Van stukjes die samen een afbeelding vormen. En wijst me op sommige individuele stukjes waar een belangrijk deel op staat om de afbeelding te kunnen vormen. Alle facetten zijn nodig voor het hele plaatje. Maar het raamwerk, de talloze ogenschijnlijk blanco stukjes, zijn essentieel om de afbeelding tot zijn recht te laten komen. Hij houdt van metaforen, de kundige. We hebben daar vaak over gelachen. Zoals ik de sluier beschreef, heeft hij andere illustraties gebruikt om me te laten begrijpen wat er met me gaande was. Of niet. Deze caleidoscoop is zijn laatste troef. Want hij daagt me uit om nu al die blanco stukjes op de juiste plek tot een noodzakelijk kader te plaatsen, zodat de afbeelding beter te zien is.

We kijken vanaf een afstand naar het plaatje. En zien een brokje leven van een klein gezin in de jaren zestig in het midden. Dat samensmelt in een aantal foto’s van oud Den Haag, waar kleine jongetjes en meisjes de kunst van muziek en dans onder hun knietjes wilden krijgen. Vervolgens zijn er vormpjes die dansstudio’s in Rotterdam, in Parijs, in Londen en Kopenhagen laten zien. Ach, dat mooie Parijs eind jaren zeventig, is dat niet door veel kunstenaars bezongen? Dat moet er wel uit springen. Er komen stukjes van Amsterdam, de Stadsschouwburg, eerste lieve liefdes en veel ballet en opera er omheen en al zou dat het hoogtepunt kunnen zijn, volgens het plaatje is niets minder waar want er volgen een aantal gitzwarte stukjes met scheuren erin alsof het bliksemschichten door een donkere hemel zijn. Vervolgens schudden we en lossen deze beelden op en komen er theaterspots en lichtbruggen voor in de plaats. En trailers met toneelstukken. En De Grote Liefde. En dan gaat een ring van stukjes eromheen van kleine kinderen, grote tafels vol maaltijden, een huisje dat tot huis groeit en dan worden de vormpjes wat groter. Veel goud in de vorm van honden. Vooruit, drie stukjes ezel. En De Grote Liefde die kleiner wordt. Het ene stukje na het andere kleurt donker tot we terug gaan naar die nare zwarte kern. Dan schudt de kundige ferm en laat me weer kijken.

Ik zie mezelf op een gewone dag. Schrijvend aan een nieuw verhaal. Mijn agenda vullend met wat afspraken. Ik zie mezelf naar muziek luisteren, doelbewust en niet meer een radio aanzetten om de stilte te verdrijven. Ik kijk naar hoe ik naar een film kijk. Het Droste effect. Vol interesse en blijheid omdat het een mooie film is die me raakt. Ik zie mezelf op een podiumpje staan met een winnend hondje. En blij achter een lichttafel. En in een zaal waar ik naar het ballet kijk waar ik van kinds af aan elke stap en elke muzieknoot van ken. Ik zie mezelf aan tafel zitten met mijn dochters, of met vriendinnen. Dat ben ik dus. Vol met zwakke plekken, littekens en scheurtjes hier en daar. En vol met blanco stukjes die het kader moeten vormen om alle liefdes en passies vast te blijven houden. Dit is het heden. En in mijn toekomst neem ik al die facetten mee. Volgens de kundige.

Maart 2019, zes jaar later…

Zes jaar terug veranderde ons leven van een de ene op de andere dag in een situatie waar een boek over geschreven kon worden.. (En dat heb ik ook gedaan, Vallend Voordoek kwam drie jaar later uit) en waar deze blog mee startte. Ons leven, dat op een wrede manier voor altijd zou veranderen door: “Tot de dood ons scheidt.”

In die periode schreef ik regelmatig over het gevoel dat er een sluier over alles was gegooid, die, alhoewel transparant, ons hele doen en later kleurde. De lente kwam en we zagen het allemaal met minder sprankeling, minder helder blauw, groen, geel. Zelfs onze opgroeiende Lizzie, die haar jongemeisjesleven zoveel mogelijk met lach en traan beleefde, werd erdoor omfloerst. Want de sluier van doodsangst lag over ons. Later werd het steeds fijnmaziger, steeds ondoorzichtiger totdat het in de winter van 2014 als een zware mantel van zorg over mijn schouders was gehangen en er niet werd afgehaald nadat Gijs zijn helletocht had gemaakt en zijn rust vond. De sluier was nog steeds ondoorgrondelijk donker. Er was een kind te helpen “beter” te worden van haar trauma’s en verdriet. Er was een huis te redden. Er was te vechten voor een bestaan zonder mijn betere helft. Heel af en toe leek de zware stof een spoortje licht door te laten. Maar zodra ik meer licht wilde zien, meer zuurstof wilde krijgen, werd het onmiddellijk met een ruk om me heen getrokken.

Daardoor werd ik zelf donker. Mijn innerlijk was in het weefsel verstrikt geraakt. Ik kon alles aan zonder iets te voelen. Angsten waren er niet meer, lachen deed ik door het zware kantwerk heen. Mijn zintuigen vielen langzaam stil. Ik voelde weinig. Ik rook parfum maar het deed niets voor me, ik zag de helderheid van het leven minder, ik proefde mooie smaken maar er was geen nasmaak, tenzij het bitter was. Ik hoorde muziek maar behalve tranen raakte het me weinig. En alhoewel er zonnige zomers kwamen, vriendschappen ontstonden, nieuwe levens werden geboren, vakanties werden gevierd, waren die momenten slechts de mazen in de sluier, die me erop wezen op hoe goed het buiten was voordat de lap over ons heen was geslagen.

Verstikking kan op allerlei wijzen gebeuren. Het dreigde en kwam steeds dichterbij. Ik had door de jaren heen niet voldoende lucht gevoeld om te overleven. Steeds was het “net genoeg,” de vriendschappen, de zomers, de grote en kleine belevenissen. Tot het moment dat het werkelijk allemaal zwart werd en ik alleen nog maar kon worstelen voor wat lucht. De sluier was een zware deken geworden. Die ik niet meer van me af kon slaan.

  • Als kindje van drie woonde ik met mijn ouders in een dorpje aan de Lek. Ons huis was omrand door velden en slootjes. Op een ochtend liep de buurman langs zijn weiland en zag een klein, geel bekertje aan de oppervlakte van het water van een van die vaartjes, boven en onder gaan. Hij bukte zich om het te pakken en bemerkte toen dat het bekertje in een handje geklemd zat. Hij is eraan gaan trekken en zo heeft hij mijn leven gered. Ik was onder water en zou verdronken zijn geweest als hij niet langs zijn weiland was gelopen en een geel bekertje zag .

Van onder de deken hield ik -net als toen ik onder water was – een hand omhoog. Ik was aan het verstikken. Een opeenvolging van situaties maakten dat aan mijn hand werd getrokken en ik naar adem snakkend aan de oppervlakte kwam.

De deken werd ontmanteld. Het werd langzaam aan een lichter weefsel. Ik kon door de gaten kijken. De gaten werden mazen en de mazen werden steeds verder opengewerkt, zodat er weer een kantpatroon ontstond.

Maart 2019, zes jaar later. Bij de eerste zon zit ik buiten en voel de warmte op mijn gezicht. Ik hoor muziek, zing mee, dans mee en draag de melodie in me mee. Ik doe elke dag een vleugje parfum op omdat ik me erdoor omgeven wil voelen. Ik zie een paar knalgele narcisjes met heldergroene blaadjes boven het aardebruin van de modder steken. Er staan vriendschappen, lange zomers, nieuw leven voor de deur om me mee te nemen naar een volgende tijd. Ik kan zo nu en dan tot in het diepst van mijn ziel weer blij zijn. En alhoewel de sluier misschien nooit volledig opgelost zal worden, heb ik geaccepteerd dat ze er is. En dat ze met haar kantwerk een grijze dag mooi kan maken en een mooie dag in schoonheid kan versterken.


Tweede tournee naar toen.

Enkele maanden geleden merkte ik dat ik loodrecht in een depressie terecht was gekomen. Ik kon niet meer ontroerd raken, zelfs de twee weken in mijn dierbare Schotland lieten me niet voelen wat ik hoopte, ik had voortdurend een conversatie in mijn hoofd:

Kijk, lieverd, ik kan het al een paar jaar zonder jou, met hulp van al die lieve mensen die me opvangen als ik dreig te vallen.. Ik onderneem zelfstandig van alles, ik ben in staat om voor mezelf en de honden te zorgen, de kinderen zijn uitstekend op hun pootjes terecht gekomen, ik heb zelfs op een Schotse bruiloft gedanst.. hoeveel meer moet je zien om terug te komen?

En  toch nam ik die opdracht aan om met mijn hervonden jeugdvriendin op tournee te gaan. Maar het deed me in de eerste instantie nog niet warm lopen. Het voorbereidende dagje werken in mijn oude theater bracht me niets, ondanks dat het leuk was om oude collega’s en vrienden weer eens te spreken. En ik ontdekte dat kennis niet verloren gaat. Maar na een aantal uren merkte ik dat ik de magie, zoals ik me het herinnerde van “vroeger” niet voelde. En ik ging halsoverkop naar huis, naar de merkwaardige mengeling van isolement, hondengebeuren, afgewisseld met de contacten met mijn zo onontbeerlijke, lieve vrienden.

Want: ik had jou er niet mee terug. Was ik daar heimelijk naar op zoek geweest? Was dat hele plan om als belichter te fungeren alleen maar om jou dichterbij te halen?

Eigenlijk begon ik met een zwaar hart aan dit avontuur. De honden werden tijdens mijn afwezigheid fantastisch verzorgd, ik had een persoonlijk reisschema en ging zonder verwachtingen naar het eerste concert waar ik de kunst van mijn voorganger zou afkijken. Met de ervaring van mijn lege gevoel tijdens de vakantie, het wat sombere Flint-gebeuren en de afschuwelijke decembermaand, stelde ik me er niet erg veel van voor.

Toen ik voor de eerste keer het lege toneel opliep, mijn “collega’s” B. en M. begroette en de belichter een hand schudde, brak er iets van mijn vage weerstand af. Ik herkende de man. We hadden ooit samen aan een dansvoorstelling gewerkt. De technici van het theater waren niet bepaald onder de indruk dat ik er zolang uit was geweest. Ik kreeg onvoorwaardelijk het voordeel van de twijfel en kon wat acclimatiseren zonder dat ik me ongemakkelijk voelde. De spots, de afstopping, de lichtcomputer, dat allemaal was niet anders dan dat ik gewend was en het was precies zoals mijn dierbare oud-collega me had weten te voorspellen: “Als je het lichtplan voor je hebt liggen, weet je weer precies wat je er mee kan..” Daardoor begon ik me opvallend prettig te voelen en merkte dat ik zelfs het ”oude-jongens-krentebrood-jargon” van technici onderling oppakte. Waardoor er ogenschijnlijk tientallen jaren wegvielen. Want dat bleek allemaal nog hetzelfde.

De ontmoeting met de muzikanten was eenvoudig. Vriendin en collega M. stelde me aan hen voor en  zij leken niet verbaasd dat er een vrouw van vergevorderde middelbare leeftijd plaats zou gaan nemen achter de lichttafel. Ze legden hun licht zonder enige zorg in mijn handen.

Tijdens het concert zat ik met B en M en de belichter in de zaal, iets wat ik voorheen vrij weinig gedaan had. Licht,- en geluidstechnici hoorden in de regiecabine in mijn tijd en de voor mij niet gewone interactie met het publiek was iets waar ik aan moest wennen.

Tegelijkertijd bedacht ik me, terwijl B. mijn belichtende collega af en toe een cue gaf, dat dit soort samenwerking me verliefd deed worden op jou. Samen zij aan zij, ieder met een mengtafel voor ons en over en weer elkaar cues gevend welke muzikant of zanger een extra versterking of speciale spot nodig had. Zo samen.

Bij die herinnering kreeg ik kippenvel. Het was een onverwacht sterke emotie, sterker dan ik in tijden gevoeld had.

Het concert ontroerde me. De muziek maakte dat ik een enthousiaste kriebel bespeurde. Dat waar ik vroeger intens van genoot: musici, toneelspelers, cabaretiers, zangers, dansers die  onveranderlijk gepassioneerd hun talenten tonen, dat zag ik zich nu weer ontrollen. Muzikanten die plezier hebben in wat ze doen. In combinatie met de kwikzilverachtige en uiterst getalenteerde zanger en zijn pianist was het geweldig.

Na afloop, nadat we met de “technici van het huis” alles hadden afgebroken en het toneel net zo leeg was als in de ochtend toen ik binnen kwam, (iets wat me altijd heeft ontroerd, theaternomaden die een sprookje bouwen en afbreken..) werd ik uitgenodigd om mee te gaan eten. Er waren een paar bandleden die in de buurt woonden en zo bevond ik me later in een typisch Indisch eethuisje, waar felle TL lampen de make-up van de Indonesische dametjes verdiepten en waar de formica tafels met papier bekleed waren. Ook dit bracht me wonderlijk terug naar vroeger. Een nog vroeger vroeger. Van toen ik met collega’s mee ging eten na een voorstelling.

Een vroeger van ver voor jou…

Ik at lekkere dingen. Ik dronk een glas wijn. Ik luisterde naar mensen die ik enkele uren daarvoor niet  kende. Ik genoot van de maaltijd en de humor. Ik lachte, hardop, bevrijdend. En zonder enige reserve stapte ik in een oude Citroën naast een muzikant met wie ik- zo bleek uit ons ontspannen gesprek – decennia terug mijn opleiding heb gedeeld.

De rommel in de auto had de jouwe kunnen zijn, lieverd. Zijn levenslust ook. Je had hem gemogen.”

Vier dagen later was het zware hart er niet meer. Integendeel, ik reisde luchthartig naar Hoorn en verheugde me erop om de mensen weer te zien, het licht te doen en zo als vanouds deel uit te maken van een concert waar het publiek van zou genieten.

Opnieuw was ik verrast door het gemak waarmee ik me tussen de technici voegde, hoe eenvoudig het  was om de lichtstanden in de computer te programmeren en om te weten dat er ergens een thuis was met een roedel honden. Ver van het toneel waar ik met nieuwe collega’s me de komende uren met muziek en licht moest bezig houden.

Het ging goed. Het concert was mooi. Het publiek was enthousiast. Tevreden verliet ik in de nacht het theater. Een klein stukje knagend gemis wat ik onmiddellijk herkende als “het zwarte gat,” reisde met me mee.

Halverwege de week die tussen de concerten lag, kreeg ik een berichtje van M. Ze stuurde me filmpjes van het optreden en dat vond ik heerlijk. Want ik kon er naar luisteren, ik kon het bestuderen om te zien waar ik de lichtstanden kon verbeteren. Ook kon ik de muziek mee zingen. Hardop en vrolijk. Nieuw en tegelijkertijd zoals vanouds. In het berichtje schreef ze: “Een van de muzikanten vroeg me om je te zeggen dat hij blij was met jouw licht. Hij vindt het mooi..” Dat maakte me nog vrolijker. Het gaf me inspiratie en zorgde ervoor dat ik met veel plezier het lichtplan voor het volgende concert ontwierp. Met een zingend hart reisde ik er naartoe.

Naar de Schouwburg waar jij en ik, lieverd, op zijn zachtst gezegd bijzondere herinneringen aan hebben. Waar wij samen iets beleefd hebben wat niemand ons heeft kunnen nadoen. Een ervaring waar onze mooiste productie ooit uit voortkwam.

Elke stap die me dichter naar dat theater voerde bracht me dichter bij die herinneringen. Een bijzondere confrontatie.

En hoe merkwaardig was het dan dat ik tijdens het gebruikelijke voorstelrondje de handen schudde van mannen waar zowel jij als ik destijds mee hebben gewerkt? Hoe toevallig was het dat ze mij nog kenden, als vrouw van jou? Het zette me op een andere plaats. Niet zomaar een anonieme middelbare vrouw die het licht van de band doet.. nee, jouw weduwe die haar oude werk tijdelijk oppakt waar ze  ooit als “meisje van de Arri” naam mee had gemaakt. Nieuwe ervaringen in een oude setting.

Opnieuw was het “onder ons” louterend. Als een warm bad.

Tijdens het concert ontdekte ik dat ik – dankzij de filmpjes – echt ingespeeld raakte op de cue’s van mijn geluidscollega en vooral op de muzikanten zelf. We hadden weer met een groepje gegeten en tijdens de sound-check had ik genoten van hun slappe muzikantengrappen.

Die humor van jou. Waar ik zo lang niet meer om heb gelachen.

De dag na dit concert kwam er een dimensie bij die ik niet had zien aankomen. We stonden in een prachtig theatertje waar een heel andere manier van belichten gevraagd werd omdat er niets van spots conventioneel was en waar ik dus niet eerder mee gewerkt had. Gelukkig wist ik dit niet van tevoren, anders had ik er tegenop gezien want belichten met ledlampen en een daarbij behorende computer was een uitdaging. Maar de technici van het theater waren trots op hun materiaal en namen alle tijd om me goed te instrueren. Ik verbaasde mezelf door het zo interessant en leuk te vinden dat ik in mijn handen kneep van blijdschap. Het lichtplan was totaal anders dan wat we oorspronkelijk hadden ontworpen en in combinatie met het charmante halfronde toneel en een opstelling zonder zanger en pianist, was het helemaal nieuw. Tijdens de soundcheck kwam de muzikant/manager naast me zitten en vroeg me of ik bij hen wilde blijven als er weer een belichter nodig was. Want ze waren blij met me. Ik weet niet wat ik gestameld heb, het overviel me. Vooral het lichte gevoel in mijn hartstreek.

We gingen naar een Italiaans restaurantje met de hele groep. Ik zat tussen bij de mannen met wie ik een klik had vanaf het begin. Zoals gebruikelijk werd de maaltijd gekruid met sterke verhalen, flauwe gein en bijbehorende lachsalvo’s. Maar ineens kwam het gesprek op “dromen najagen.”

En ineens, lieverd, was jij daar.

 Ik schetste een droom van een opname-studio in een Franse watermolen. Over gevolgde cursussen, hoe een bestaan op te bouwen in het buitenland. Over plannen om een huisje te verbouwen voor muzikanten en bands die daar hun CD’s zouden opnemen, hun concerten konden voorbereiden, hun nieuwe materiaal konden repeteren. Ik vertelde en vertelde. De sfeer aan tafel leek te veranderen, werd ingetogen, werd vreemd vertrouwelijk.

Ik vertelde over jou. Over onze dromen. Aan hen.

 Ze luisterden. Om in belichterstermen te spreken, het voelde alsof de bundel om ons heen  kleiner werd, warmer en intenser. Een spotje op ons groepje, terwijl de mensen om ons heen allemaal zaten te eten en het geroezemoes door ging. Ik gaf na mijn verhaal het stokje door aan mijn buurman en met een kwinkslag ging de lichtstand terug naar de eerdere helderheid. Want hij illustreerde zijn droom die voornamelijk over muziekmaken, reizen en meisjes ging, met een geestige toon. Toch was mijn verhaal blijkbaar blijven hangen. De muzikant tegenover me keek me zo intens en onderzoekend aan toen hij vroeg of ik spijt had dat onze droom nooit was uitgekomen, dat ik naar adem moest happen en me bijna verslikte in een stuk pizza.

Want ik was even alleen met jou, met hem  en deze herinnering.

Deed het pijn om onze droom zo in deze tegenwoordige tijd te integreren?

Deed het pijn om te praten over jou?

 Ik weet het eigenlijk niet. Ik weet alleen dat ik diep ontroerd was.

Bij de volgende voorstelling was het opbouwen opnieuw buitengewoon gezellig en het verliep allemaal heel vlot. We hadden veel tijd over zodat we uitgebreid konden eten in het theater zelf, waar voor ons gekookt werd en een grote tafel was gereserveerd. Vanzelfsprekend zat ik in hetzelfde groepje als de vorige malen waardoor onze gesprekken zich leken te vervolgen en we gemeenschappelijke voorkeuren bleken te hebben die we met elkaar deelden. Maar ook de afwisseling van gekke anekdotes en bijzondere herinneringen deelden we, net als het stokbrood en het karafje water. We konden uitgebreid natafelen en ik genoot van hun gezelschap.

Het “zwarte gat” van “na de productie,” een bekend theaterfenomeen, ligt op de loer en ik kijk niet naar het laatste concert uit. Geen lichtplannen meer intekenen, geen reis naar een andere stad, geen leeg toneel dat we gaan bevolken, geen gezellige etentjes in leuk gezelschap, geen luchtige sfeer van saamhorigheid, geen eigen plek in een technische mannenwereld. Het is altijd pijnlijk, dat gat en wat heb ik dat vaak met weemoed overleefd. Ik besef dat dit een periode is geweest om met warmte op terug te kijken. Het heeft me meer moois gebracht dan ik voor mogelijk achtte. Het afscheid ervan doet al bij voorbaat pijn.

In zekere zin heb ik je  weer even kunnen “aanraken” door hetzelfde te beleven wat we in onze theatertijd samen zo intens beleefden. En waardoor we verliefd op elkaar werden. Ik heb iets hervonden wat ik dacht voor altijd kwijt te zijn.

Het heeft me tegelijkertijd een vorm van angst gegeven. Angst om opnieuw iets goeds te verliezen, angst om iets goeds op te bouwen. Ik voel weer. Ik ga met nieuwe herinneringen terug mijn leven in. En laat iets van mijzelf achter. Achter een lichtcomputer. In een schaterlach. Op een toneel. In mijn huidige “verleden.”

Onherroepelijk was “de laatste” aangebroken. Ik moest ervoor een dag eerder overnachten omdat ik anders nooit op tijd zou komen. Hoe merkwaardig is het om in een luxe hotelkamer in de ochtend in bed koffie te drinken, kijkend naar het nieuws op TV, als een totaal ander mens dan de vrouw die ’s morgens door een luid geeuwende hond wordt gewekt die daarna met een slof in zijn bek de dag kwispelend voor geopend verklaart.

Het was fris, lente-achtig zonnig toen ik voor de laatste keer naar het theater liep, door een nog slapend stadje waar de kerkklokken zongen. Binnen in mij zong het ook lente, terwijl ik niet uitkeek naar het einde van de dag… naar het afscheid dat zou gaan komen.

B. en M. waren er al en na het gebruikelijke voorstelrondje dronken we koffie met de theatertechnici. Ik kreeg het lichtplan toegeschoven maar haalde uit mijn koffertje het al ingetekende en voorbereidde exemplaar, wat duidelijk waardering oogstte van de toneelmeester.

Omdat het een matinee was hadden we minder tijd dan de voorgaande keren. Het inhangen en stellen van de lampen ging echter naadloos en snel, dus toen de muzikanten binnen druppelden was ik aan hun “speciaaltjes” bezig. Dat leverde een andere dynamiek op. Het toneel was nog van mij en zij plaatsten hun instrumenten tijdens mijn “Tikkie op, wat kleiner, beetje onscherp op de lens, toch nog iets duiken. Vast. En 195 erin..”

De beide theatermannen gingen naar het kantoor nadat alle spots gesteld waren en ik achter de lichtcomputer gesetteld was. Nee, ik had geen hulp nodig. Ja, daar waren ze blij mee, want zodoende hadden ze de tijd voor hun lunch. En omdat het programmeren soepel en snel ging, kon ik zelf ook bij hen een broodje eten.

En opnieuw kwam jij langs in mijn gedachten. En in het gesprek. En opnieuw was dat niet raar, sterker nog, het riep een anekdote op waaruit jouw humor sprak en waar we hartelijk om moesten lachen. Ik zag hun grijns om jouw grappen. En daardoor jouw grijns.

Het concert werd een mooi einde van het tournee. De zaal was goed gevuld en de muzikanten leken onderling afgesproken te hebben dat ze met veel enthousiasme diverse improvisatiemomenten zouden aangrijpen om zich van hun beste kant te laten horen. Daardoor moest ik ook improviseren en hen van hun beste kant laten zien. Uiterste concentratie, geen andere gedachten mogelijk. Voortdurend bleef ik met hen mee ademen zodat ik kon anticiperen op elke nieuwe verrassing die ze brachten en hen daardoor individueel tot hun recht kon laten komen. De chemie die er tussen de muziek en het licht ontstond, golfde over het publiek heen als een intiem gesprek. Zodra er een solo ingezet ging worden zag ik dat door hun lichaamstaal aangekondigd worden zodat ik al voor de eerste noten het licht mee kon laten groeien. Dit was de magie waarnaar ik had gezocht. Dit was het innerlijke juichen. Ik had het terug gevonden.

Nadat we hadden afgebroken en het voorlopige afscheid van de muzikanten een feit was, stapte ik bij B en M in hun kleine autootje. We hadden besloten om met zijn drieën de dag samen te rekken, nog even ergens te gaan eten om dit avontuur af te sluiten. En om onze verwondering aan elkaar uit te kunnen spreken van hoe bijzonder het allemaal gegaan is. We wandelden wat door een charmante stad en streken uiteindelijk neer in een gezellige eetgelegenheid waar onze vriendschap steviger gesmeed werd omdat we elkaar zo veel te vertellen hadden en zoveel raakvlakken ontdekten.

Het is geen afscheid. Er is geen “laatste” voorstelling geweest. Het zal geen 18 jaar duren eer ik weer in een theater een lichtplan ontwerp. En B. en M. gaan mee naar wat volgt.

Ik mis je, dat is niet veranderd. Ik hou zoveel van je dat het pijn doet. Maar ik heb een deel van mezelf hervonden, het deel dat ik verloren ben geraakt ergens op de weg naar onze toekomst samen. Het deel van mijn persoonlijkheid wat me vormde tot theaterdier. Er is weer angst voor verlies en afscheid. Zoals voordat ik jou verloor. En er is vertrouwen terug gekomen in mijn huidige vriendschappen. En in nieuwe. Dat samen maakt me meer compleet dan ik was.

5 maanden uit de lucht..

…En nu er weer in! Inmiddels is het half maart 2019, bijna 4 jaar en 4 maanden zonder Gijs, en dat dit nog steeds met vallen en opstaan een dagelijks “werk” is, getuigen de komende blogs die een terugblik zijn op de afgelopen tijd vol emotionele, zware en zeker ook lichte momenten… kortom, hogmanay.nl is weer in bedrijf!

Nanowrimo 2009

Kennismaking.
Ik ben Skye. Althans, zo zal ik worden aangesproken als ik over een paar weken
op eigen poten sta. Nu hebben mijn vier zusjes en drie broertjes nog een andere
naam; de kleur van het bandje om onze hals. Ik zou zo maar pupje paars of teefje
geel kunnen zijn maar mijn werkelijke identiteit is voor iedereen vooralsnog
geheim. Alleen ikzelf weet wie ik ben. En natuurlijk mijn mama Fallon, maar zij
laat wijselijk niets los. Officieel klink ik veel fraaier. Silence Dream Maiden
Bradley, of misschien wel Silence Dream Minster Lovell. Op dit moment kent
niemand mijn ware naam maar Skye bekt nou eenmaal lekkerder, om in hondentaal te
spreken, dan zoín hele mondvol. Hoe mooi onze namen ook zijn.

Vanuit mijn kijk op de wereld zal deze kroniek opgetekend worden. Dat kan ik
inmiddels met open ogen zeggen, want die zijn net een paar dagen geleden gaan
functioneren. Kwamen mijn broertjes en zusjes en ik eerst ogen en oren te kort
om alles te beleven, vandaag de dag werken al onze zintuigen volop en gaan we
niet alleen de werpkist, onze moeder en elkaar verkennen maar ook de hele
buitenwereld zal per dag meer onderzocht worden. Tegelijkertijd zal ik de
komende weken het verhaal vertellen. In de tijd dat wij nog in het veilige nest
bij mama zijn en wij ons van molletjes tot hondjes ontwikkelen heb ik alle
gelegenheid voor overpeinzingen.
Op het moment dat ik uitgevlogen ben is daar geen tijd meer voor. Dan wacht mij
een taak.
Mijn verhaal is misschien niet uniek maar voor de mensen die het aangaat is het
wel bijzonder. Het gaat over oude wensen en nieuwe verwachtingen. Over hoop en
teleurstelling, over veranderingen en vaste patronen. Vooral gaat het over
liefde. Liefde voor ons, Golden Retrievers en liefde voor het leven. Het
doorgeven van leven.
Want ik ben niet zomaar een teefje uit een willekeurig nest hondjes. Nee, ik ben
een Teef Met een Bijzondere Missie. Ik ben voorbestemd om later, als ik gezond,
groot en mooi ben, de stammoeder van een nieuwe kennel te worden. Je zou kunnen
zeggen dat ik uitverkoren ga worden. Maar dat klinkt al te zweverig.
Laten we het erop houden dat ik een speciale plaats zal gaan innemen in het
roedel waar ik ga wonen als ik bij mama weg ga. Over dat roedel en mijn plaats
daarin zal dit niet unieke, maar toch bijzondere verhaal gaan.

Als aanstaande stammoeder wordt er veel van je verwacht. Daarom dat zij, de
mensen, nog niet kunnen zien wie ik ben. Eerst moet men mij ontdekken en moet de
keuze voor mij gemaakt worden. Ik moet de beste zijn voor deze gevoelige taak.
In de komende weken zullen de mensen dat pas gaan bepalen. Niet alleen de baas
en de vrouw van mama, degenen die ons het beste kennen, gaan mij uitzoeken. Ook
mensen die niet zoveel met mij te maken gaan krijgen maar die wel weten wat een
goede teef is, zullen aan me voelen en naar me kijken. En de nieuwe baas en
vrouw zullen me regelmatig willen zien om tot een goede beslissing te kunnen
komen. Uiteraard weet ik wel dat ik het ben maar zij weten het niet. Mensen zijn
eigenwijs en willen niet door een hond uitgekozen worden. Ze willen zoiets zelf
bepalen. Ik zeg niets en laat ze maar in die waan. Gaandeweg het verhaal zullen
de oplettende lezers kunnen ontdekken dat juist bij mijn mensen er verschillende
momenten zijn geweest waarop de hond hen uitkoos. Zonder dat ze dat hebben
kunnen benoemen.
Zoals ik al zei, zijn we met vijf meiden in het gezin. Teefje oranje, rood,
geel, paars en roze. Een daarvan ben ik. Als men over een slordige vijf weken
eindelijk weet wie ik ben, zal ik mijn definitieve naam krijgen. Tegelijkertijd
met een rijstkorrel die ze via een spuit tussen mijn schouderbladen plaatsen.
Als dat gebeurd is, kan men niet meer om me heen. Dan ben ik Skye.

Er moet in het eerste jaar van mijn leven veel gebeuren. Allereerst de grote
verhuizingen. Van werpkist naar puppyren, van huiskamer naar nieuw huis. Dat zal
best wat aanpassingen vergen. Van ons allemaal. Want ik zal mijn mama. broertjes
en zusjes missen. Hun geluiden, hun luchtjes, de zoete melk van mama en de
hapklare snoeten en staarten om in te bijten. Hun warme lijven. Het schijnt dat
die overgang best ingewikkeld is.
De groep waar ik in ga wonen zal moeten wennen aan het feit dat ik klein en
daardoor breekbaar ben. Dat ik ik ben. Ik scheel ruim twee jaar met de jongste
hond die al groot en stoer is.
Als ik een beetje erbij hoor, gaan de mensen met me werken. We gaan trainingen
doen om van alles te leren. Goed luisteren. Wandelen zonder trekken, komen op
bevel, zit en blijf en af, enzovoort. Ik ga daarvoor op een puppenclubje. Dat
lijkt me heel interessant. Het schijnt ook behoorlijk belangrijk te zijn.
Ze zullen willen weten of ik werklust heb. Dat is een belangrijk aspect van het
Retrieverschap en voor een aanstaande stammoeder een gewilde karaktertrek. Vraag
me niet waarom maar hoe meer dode dieren je thuisbrengt, hoe liever het de
mensen is.
En dan mag je het niet zomaar gaan halen, geen eigen initiatief tonen in deze
omstandigheden. Nee, zoiets moet je doen op het ogenblik dat zij je dat
opdragen. Je moet braaf wachten totdat je een door de baas en jou afgesproken
sein krijgt om iets te gaan halen. Dan moet je er rechtstreeks naar toe, dwars
door sloot of vaart, kou, nattigheid of struikgewas. Gehoorzaam en enthousiast
dien je het aangeschoten wild ongeschonden aan te bieden aan de baas. Niet voor
zijn voeten gooien, netjes gaan zitten en wachten tot hij het van je aanpakt.
Daar heb je die puppentraining voor nodig. Zie je, ik ben net twee weken oud en
misschien nog niet droog achter mijn pas geopende oren, maar ik weet best veel
over de taken van een Retriever. Dat krijgen we met de moedermelk van mama
Fallon mee. Zij kreeg het weer van oma Logan mee.
Zo wordt die kennis van generatie op generatie doorgevoerd, mits we allemaal van
goeden huize zijn. Die kennis wordt instinct genoemd. Door dat instinct staan
wij als kleine Golden Retrievertjes best nog dicht bij de natuur ondanks dat we
ook geleerd krijgen dat ons eten op dezelfde tijd voorgeschoteld wordt en we
moeten gaan leren dat we op gezette tijden naar buiten moeten voor een plas.
Als ik al die dingen onder de poot heb, moet ik naar de dokter. Die gaat fotoís
maken van mijn heupen en ellebogen en ook mijn ogen worden gecontroleerd. Dat
schijnt nog belangrijker te zijn dan het voorgaande. Als ook die zaken goed
bevonden zijn dan ben ik een behoorlijk eind op de carriËreladder van
stammoeder.
Ondertussen zal ik op tentoonstellingen gepresenteerd gaan worden. Als ik later
gezonde, mooie kinderen zal moeten gaan voortbrengen moeten de baasjes zelf mij
eerst mooi voorbrengen, om het maar eens ingewikkeld uit te leggen. Op die shows
komen heel erg veel mede-aanstaande-stammoeders. Sommigen van hen weten hun
bestemming al vanaf het moment dat ze de ogen openden. Anderen zijn, net als ik,
in wording. Met zijn allen worden we gekeurd en de bedoeling is dat de beste er
met de prijs vandoor gaat. Het schijnt dat er collega-teven zijn die er al van
te voren van uitgaan dat zij in de prijzen vallen omdat ze in het daarvoor
bestemde nest zijn geboren. Maar daar wil ik me niet over uitlaten. Tenslotte
kom ik zelf letterlijk net om de hoek kijken.
Natuurlijk zal ik erg mijn best doen om me zo mooi mogelijk te laten zien. Ik
ben niet voor niets de knapste teef uit het nest volgens mijn mensen!
En dan, als dit hele traject doorlopen is, gaat het gebeuren. Er zal een
gezonde, lieve, mooie man voor me uitgekozen gaan worden. Een uitverkorene voor
de uitverkorene bij wijze van spreken.
We zijn dan weliswaar ruim twee jaar of langer verder maar het is absoluut de
moeite waard om het hier alvast te vermelden.
Wie weet waar hij is, die aanstaande van me. Het kan zomaar zijn dat hij al
ergens rondloopt. Het kan ook zijn dat hij nog geboren moet worden. Misschien
wordt er tegen die tijd gekozen voor een oudere, ervaren dekreu of eentje die
in het buitenland woont. Wellicht is hij nu al op puppytraining of heeft hij
zijn eerste show achter de rug. Of wordt hij volgende maand, als ik net bij mijn
moeder vandaan ben, wel Beste Puppy op de grote Amsterdamse tentoonstelling. Wie
zal het zeggen? Hij zal ongetwijfeld een goede rasvertegenwoordiger zijn. Eentje
die mijn mensen dan geschikt genoeg vinden om vader van mijn kinderen te worden.
Ze kijken naar de namen van onze opaís en omaís, combineren het en een ander,
praten er met allerlei mensen over en dat onderzoek gaat vrij ver.
Voor mij maakt het niet zoveel uit, hij moet een prettige verschijning zijn en
lief genoeg zijn om mijn opdracht mee te kunnen vervullen.
Maar dat is als ik het zelf voor het zeggen zou hebben. Ik geloof niet dat
zoiets aan de orde is. Ik ben tenslotte niet de fokker maar de fokteef dus moet
ik het, letterlijk, allemaal over me heen laten komen. Dat klinkt zwaarder dan
het is. Vermoedelijk zul je me er tegen die tijd niet over horen.
Als ik uiteindelijk mijn eerste nestje heb en mijn kinderen allemaal gezond
zijn, dan kun je zeggen dat mijn missie geslaagd is en ik ben geworden wat men
nu van me verwacht. De stammoeder van een nieuwe kennel.

De weg daarheen is lang en vol obstakels en risicoís. Er kan tijdens deze reis
van alles gebeuren. Ik kan net niet mooi genoeg zijn, mijn heupen kunnen een net
afwijkend beeld vertonen of ik kan zomaar op een heel andere manier uitgroeien.
Als dat zo zou zijn, dan nog zullen de mensen van me houden. Want zoals ik aan
het begin van deze introductie al zei; dit is het verhaal over liefde voor de
Golden Retriever. En hoe klein ik nu nog ben, er is al onvoorwaardelijke liefde
voor mij.De eerste Chico.

Bijna acht jaar geleden hadden mijn aanstaande vrouw en de baas, behalve een
klein kind, alleen nog maar katten. Ik geloof dat het er toen twee waren. Mijn
kennis daarover reikt niet zover. Tenslotte krijg ik deze gegevens ook alleen
door omdat ik ik ben, en de Hogere Macht die me deze dingen in het harige oortje
zal fluisteren is niet van alles even goed op de hoogte. Ik moet het er mee doen
want ik wil dit verhaal zo graag vertellen. Dat er hier en daar een hiaat valt
moet de lezer me maar niet kwalijk nemen. Tenslotte ben ik twee weken en een
paar dagen oud en krijg ik mijn informatie pas door sinds mijn ogen en oren open
zijn. Aan mijn broertjes en zusjes heb ik wat dit betreft niet zoveel, want zij
zijn niet zoals ik. Zij hoeven niet te worden zoals ik. Mama Fallon weet heel
veel over andere delen uit mijn verhaal. Daarmee zal ze me in de loop van deze
maand helpen maar om het een en ander in de juiste volgorde te plaatsen moet ik
het nu doen met de informatie die ik toegefluisterd krijg.
Enfin, er waren katten bij mijn aanstaande familie en een hond was het laatste
waaraan ze toen dachten. Zowel de baas als de vrouw hadden in hun jeugd bij hun
moeder in het nest wel een hond had, maar sinds hun samengaan waren die
maatjes-voor-het-leven naar een ver verleden verbannen.
Ze werkten beiden in een theater, de baas op het toneel achter de schermen en de
vrouw in een ruimte waar veel artiesten en theaterpersoneel samenschoolden.
Het was in die situatie, dat zij op een mooie januaridag haar werkplek
binnenliep en daar, op de grote, luie, leren bank een enorme lichtgoudkleurige
reu zag liggen. Hij deed ÈÈn oog open om te zien of het goed volk was, kreunde
en smakte eens lekker, rekte en strekte zijn poten, draaide zich om en viel
opnieuw in slaap.
Dat was haar eerste indruk van de eerste Chico. Voor wat ik heb begrepen was het
een onuitwisbare indruk en was de vrouw op slag verliefd. Maar dat kan een
romantische tint aan de overlevering van dit verhaal zijn. Daar wil ik van af
wezen.
Later op die dag wist Chico de vrouw verder om zijn poot te winden door zichzelf
te zijn. Hij droeg een rode zakdoek om zijn hals en dat gaf hem een stoer
aanzien. Tegelijkertijd was hij zoet als een lammetje. Lief kwispelen, vooral
niet bedelen maar wel zo flemend kijken met een scheve kop, dat er minimaal een
koekje zijn kant op kwam.
Chico was, ondanks zijn imposante verschijning, een ware charmeur. Men noemt dat
ook wel een allemansvriend.
Hij was de hond van de chauffeur die het decortransport van een musical
verzorgde en daardoor kwam hij op heel veel plaatsen in het land.
Hij moest zich dus goed weten aan te passen: de ene keer lag hij een paar uur in
de cabine van de vrachtwagen te slapen en de andere keer kon hij in een
artiestenruimte als in dit theater een dutje doen. Hij reisde altijd mee. Op de
bijrijderstoel had hij zijn eigen kleed en als ze dan het theater van die dag
aandeden, ging hij in de buurt van zijn baas scharrelen. Na een korte
snuffeltocht rondom de desbetreffende schouwburg werd er een plaatsje voor hem
gezocht waar hij kon liggen terwijl zijn baas de trailer loste, zoals dat in
vakjargon werd genoemd. Chico kende dat jargon heel goed. Zodra er ìKoffie!î
werd geroepen, wist hij dat hij door zijn baas opgehaald zou worden om weer naar
buiten te gaan. Halverwege de middag, als de lampen op het toneel aan en uit
gingen, hadden Chico en zijn baas daar niets meer te zoeken en dan gingen ze er
samen lekker lang op uit. Een enkele keer was de baas zo moe dat hij ergens een
kleedkamer in dook om een uurtje te slapen. Dan moest Chico zichzelf vermaken
door te gaan schooien bij een kleedster, een keuken binnen te wandelen waar het
naar lekkere dingen rook of, zoals die bewuste dag, een bank te vinden waarop
hij zich helemaal kon uitstrekken. Soms speelde hij op het toneel met een
rekwisiet en het gebeurde ook wel dat hij in de kleedkamer bij een jonge
musicalster zat, om haar met zijn vertrouwenwekkende gezelschap te helpen haar
zenuwen de baas te worden. Alleen al een beetje ritmisch aaien over zijn kop
werkte voor de meest nerveuze diva kalmerend.
Hij zag alle stadsparken van Nederland, maar was ook in het buitenland bereisd.
Veel beroemdheden hielden van hem en hij was niet minder geliefd bij de
technische medewerkers.
Dat zijn aanwezigheid in het theater van mijn aanstaande vrouw zoín invloed zou
hebben op hun,- en daardoor mijn leven, had niemand kunnen vermoeden. Chico was
de hele avond bij haar in de buurt en liet zich attenties, knuffels en lekkers
met een grijns op zijn gezicht aanleunen. Ze begon te stralen toen zijn baas
vroeg of ze de dag erna een oogje op hem wilde houden. Op Chico dan, niet op de
baas zelf. Die moest met de trailer een paar uur weg om iets te verwisselen en
vond het beter als in dat geval Chico niet mee ging.
En Chico vond dat ook beter. Hij had ontdekt dat hij languit op de bank kon
liggen met zijn kop op haar schoot. Ze krauwelde achter zijn fluwelen oren en
prevelde allerlei lieve woordjes. Tel daarbij nog iets extra lekkers in zijn
voerbak op en een wandeling waarbij hij een bal in zijn bek mocht dragen en je
begrijpt dat Chico het best vond dat zijn baas een dagje weg moest.
De vrouw was reddeloos verloren. Ze had haar hart verpand aan Chico en omdat ze
hem niet kon krijgen wilde ze een hond die op hem leek.
Mijn aanstaande baas wist op dat moment nog niet zo goed wat er nou met zijn
vrouw aan de hand was. Hij had haar wel eerder verliefd gezien, maar dat was op
hemzelf en dat was toch heel anders. Bovendien hadden ze nooit de ambitie gehad
om naast het kind en de katten nog andere huisgenoten in hun leven te betrekken.
Het lot wilde echter dat Chico twee weken later in het theater van de baas moest
zijn. En, zoals te verwachten was, wist hij ook daar met zijn vriendelijkheid,
zijn stoerheid en zijn zachtheid de mensen te vertederen. Waaronder de baas. Hoe
ze er, behalve door Chico, verder op kwamen heeft mijn Hogere Macht niet op
kunnen vangen, maar ze besloten een hond in hun gezin op te nemen.
De vrouw had sterke argumenten: doordat het kind naar school moest zou er
onherroepelijk een regelmaat in hun leven ontstaan. En bij die regelmaat paste
heus een hond. Omdat de baas altijd in een donkere ruimte zijn werk moest doen,
leek het de vrouw goed voor hem om wat meer naar buiten te gaan, om wat vaker
een middag de bossen in te trekken. Met een hond is dat allemaal veel leuker,
dus zou de baas het ongetwijfeld vaker doen.
De baas zwichtte voor deze argumenten en had er zelf ook wat bedacht. Hij vond
het bijvoorbeeld goed voor het kind om op te groeien met een hond, aan wie ze
later alles kon gaan vertellen zonder dat ze er commentaar op zou krijgen.
Kortom, ze gingen op zoek naar een hond. Zoals Chico.
Een goudkleurige, stoere lobbes zou het worden.
De baas zocht allerlei informatie in boeken en las veel over ons ras en onze
oorspronkelijke eigenschappen, de vrouw zat uren op het internet te zoeken naar
kennels en zo leerden ze dat er heel veel verschillende fokkers waren en
minstens zoveel verschillende lijnen. Ze zagen dat er veel lichtgekleurde
Goldens waren, ze zagen dat er kleine, ranke Goldens waren, maar het type van
Chico vonden ze niet zo gemakkelijk.
Totdat de vrouw na een speurtocht van een paar weken de stoute schoenen aantrok
en de rasvereniging belde. Tijdens dat telefoontje kreeg ze een aantal adressen
van mensen die de Chicoís van deze wereld fokten. Niet helemaal natuurlijk, want
Chicoís ouders waren uit Engeland en zo ver wilden de vrouw en de baas toen niet
gaan. Tussen die adressen zaten een paar namen die ze via het internet aan een
nadere inspectie konden onderwerpen. En ja hoor, het plan rijpte en ze stonden
na een paar telefoontjes zomaar op de wachtlijst voor een pup. Op dat moment
wisten ze nog helemaal niet of de voorkeur naar een reu of een teefje ging en
dat was ook niet aan de orde. De eerste stap was gezet.
Maar al snel werd de eerste teleurstelling een feit: de fokker belde na een paar
dagen met de mededeling dat de teef leeg was gebleven. Toen was dat een heel
vreemd gegeven voor mijn mensen die over dat tevenfenomeen nog niets hadden
gelezen of gehoord.
Het lijstje van namen werd kleiner naarmate ze meer websites bekeken. Sommigen
hadden geen website en een van die websiteloze kennels kwam bovendrijven.
De vrouw besloot de kennel te bellen. Die had volgens de rasvereniging een
aantal importhonden.
En kijk, daar komen mijn verre voorouders in beeld. Want wie was een van die
importhonden? Jawel, niemand minder dan mijn eigenste betovergrootvader.
Volgens mij hoef ik hier nu niet verder over uit te wijden.
Tijdens dat telefoongesprek klikte het tussen de fokker en de vrouw. Binnen een
paar dagen zat mijn familie ergens in Brabant aan de koffie.
Met op de schoot van de vrouw de machtige kop van mijn betovergrootvader. Een
Schotse reu met de mooiste olijvenogen waar ze ooit in gekeken had.
Hij deed het beeld van Chico onmiddellijk vervagen. Deze hond was de hond zoals
ze een hond wilden. De hond der honden.
Zijn zoon werd kort daarop geboren en werd liefderijk opgenomen in het gezin.
Daarover gaat mijn volgende episode. Maar nu ben ik moe. Ik wil warme melk
drinken bij mama. Dicht tegen mijn zusjes en broertjes aankrullen en de stem van
de Hogere Macht maar even laten voor wat het is. Een Teef met een Missie heeft
haar rust nodig!

Noddy en hoe het niet moet.
Na een verkwikkende slaap, een lekkere scharrel door de werpkist, een slok melk
van mama en een voorzichtige hap in de staart van mijn broertje, ga ik weer aan
de slag. Ik heb vannacht behoorlijk heftig gedroomd en in die dromen kwamen
allerlei beelden door. Die beelden, noem het mijn Gave, vertellen me alles wat
ik moet weten over mijn verleden, heden en toekomst. Om te beginnen moet ik alle
vrienden en familie die ik bij mijn aanstaande gezin ga ontmoeten, leren kennen.
Dat zijn er nogal wat dus mijn Gave moet hard werken om het allemaal door te
spelen. Ja, het is ingewikkeld om zo speciaal te zijn als ik ben. Maar je hoort
me niet klagen, ik onderga mijn lot met liefde.
Genoeg over mezelf nu. Op naar de periode dat Noddy bij het gezin kwam.
Die arme man heeft heel wat meegemaakt eer de mensen goed gesocialiseerd waren.

Het begon al dat hij veel te laat bij zijn vader en moeder werd opgehaald.
Er waren allerlei toestanden waardoor Noddy niet met zeven weken al kon komen.
Het had iets te maken met een verbouwing van het huis. En het gebrek aan
doortastendheid van de baas en de vrouw. Zij hadden de werklui tot noestere
arbeid moeten manen omdat Noddy zou komen. Niet de boel andersom.. wat is nou
belangrijker. Ze hadden Noddy juist eerder moeten ophalen om hem iets
fantastisch te gunnen.
Ondanks alle informatie in boeken en op de computer hadden de vrouw en de baas
niet begrepen wat de werkelijke behoeften van een pup zijn. Dat er door
vertraging in de verbouwing geen vloer lag, zou eigenlijk ideaal moeten zijn
voor een pup! Stel je voor, een zandbak ter grootte van een forse keuken. Dat is
geweldig. Niets zindelijkheidstraining, helemaal niet nodig, nee een speeltuin
en een toilet in ÈÈn.
In plaats daarvan lieten ze hem bijna een week langer in het nest, waar hij als
enige was achtergebleven. Natuurlijk werd hij schromelijk verwend door de fokker
en zijn vrouw, maar of dat nou zo goed was voor zijn ontwikkeling, dat durf ik
niet te zeggen.
Toen hij uiteindelijk kwam was hij dus acht weken oud en een schattig bolletje
wol, zoals wij Golden Retriever pupjes ongetwijfeld allemaal op die leeftijd
zijn.
Iedereen was vertederd door de kleine Noddy met zijn diepbruine kooltjes van
ogen, zijn pluizige oortjes en lange, zijden wimpers. De werklui lagen op hun
knieÎn voor zijn bench, en dat was echt niet om de vloer te leggen, want die was
er inmiddels al.
De buren van het pleintje liepen massaal uit om de nieuwe buurtbewoner te
begroeten en hij kreeg een welkomstpakketje met een bal aan een koordje, wat
lekkere kluifjes en zakjes. Die bleken voor de mensen te zijn. Om Noddyís
ìongelukjesî op te ruimen, zoals dat genoemd werd.
De kinderen van het schooltje hielden van hem, en speelden en knuffelden met hem
en Noddy liet zich dat graag welgevallen. Zoveel aandacht is natuurlijk ook
heerlijk als je net je vader en moeder moet missen. Tot zover ging alles
helemaal goed, maar toen brak dan toch de tijd aan dat er opgevoed moest gaan
worden en er een puppytraining ging plaatsvinden.

In de eerste instantie was Noddy nog niet op een puppenclubje, dat kwam pas
later. De vrouw nam zelf zijn opvoeding op zich maar we kunnen hier misschien
beter zeggen dat de vrouw opgevoed moest worden door Noddy. Want wat maakte ze
een fouten, zeg! Noddy heeft werkelijk baanbrekend werk verricht en de weg vrij
gemaakt voor ons, de jongere generatie. Zo was bijvoorbeeld iedereen verbaasd
dat hij een Barbiepop onthoofdde. Dat deed hij anders nooit. Vrij logisch want
anders lag er ook geen Barbiepop op puppenneushoogte. Dit was een wijze les voor
het meisje, dat met tranen in haar ogen de kapotte pop weg deed en vond dat ze
zelf had moeten opruimen. Bravo Noddy! Verder leerde Noddy aan zijn gezin dat
wat zij denken dat vies is, een hond juist lekker kan vinden. Paardenvijgen als
snack is een eenvoudig voorbeeld. Toen ze maar steeds niet begrepen dat het een
delicatesse is, een hartig tussendoortje en niet vies, besloot Noddy hen te
laten ruiken wat echt vies is. Na een voor Noddy heerlijke rolpartij in
menselijke uitwerpselen, wisten ze meteen dat het eten van af en toe een mondje
mest echt niet tot de grootse zonden hoort. Toch was die les nog niet genoeg.
Noddy nam graag een hap uit de muur. Het gips kraakte zo heerlijk tussen zijn
tandjes. Een bars ìFoei!î of ìneeî was niet genoeg reden om die gewoonte
achterwege te laten. Noem het maar een verslaving, juist mensen kennen daar toch
genoeg van zou je zeggen.
Ze wilden dat Noddy een afkickprogramma volgde en daarom smeerden ze een
verschrikkelijk hete sambal op de bewuste muur. Het resultaat was alles behalve
gewenst. Noddy beet niet meer in de muur, dat niet. Maar nu zat hij uren te
likken aan dat heerlijk hete spul tot zijn tong en de muur er rood van waren.
Hij werd een ware sambalconnaisseur. Uiteindelijk is er een kast voor die muur
geplaatst. Noddy kickte ìcold Turkeyî af en de mensen hadden begrepen dat het
geen hondje was wat je zomaar je wil op kon leggen.

De benchtraining was ook zoín beginnersfout. Noddy was net zover dat hij bijna
de hele nacht zindelijk was en de bench accepteerde, toen ze onverwacht besloten
om met hem op vakantie te gaan. De ene week was hij net droog, niet bepaald
achter zijn oren maar wel in zijn bench, en de andere week vervoerden ze hem
negen uur verderop naar een wildvreemd huis waar een wildvreemde bench in een
wildvreemde keuken werd gezet. En ze dachten werkelijk in hun onschuld dat het
inmiddels drie maanden oude pupje dat zonder slag of stoot zou accepteren. Die
nacht gilde Noddy het hele dorp bij elkaar. Haastig werd hij uit de bench
gelaten. Als beloning zorgde Noddy dat hij droog bleef. De volgende nacht wilden
ze het weer proberen maar ditmaal krijste hij als een speenvarken dat geslacht
werd en daarmee hield hij het hele departement wakker. Ook toen werd hij uit de
bench gehaald. Hij kreeg een lekker warm kleedje op een riante plek in de
gezellige woonkeuken en hij heeft nooit meer een bench van binnen gezien. Dit
was een duidelijk voorbeeld van hoe je de mensen met een goed resultaat kunt
africhten.
Een andere situatie was wel heel schrijnend, in de letterlijke zin van het
woord. De vrouw besloot op een ochtend dat ze vers stokbrood zou gaan halen bij
de bakker in het dorp. Als verrassing voor de baas, die lekker kon blijven
uitslapen. De kinderen en Noddy gingen mee, dan had de pup tenminste zijn
ochtendwandeling al gehad. Dacht de vrouw. Maar wat ze niet helemaal begrepen
had, was dat de bakker in het dorp minstens acht kilometer van het huis
verwijderd was. Ze gingen er elke ochtend met de auto heen en dat vertekende de
afstand in haar beleving. De kleine hond sjokte na verloop van tijd steeds
langzamer achter hen aan. De tocht duurde en duurde maar en de bakker kwam maar
niet in zicht. Het vrouwtje was helemaal vergeten dat een pup niet zo lang mag
lopen. Arme hond. Zijn voetzooltjes waren ruw van de wandeling en een van de
kussentjes bloedde zelfs een beetje. Dat neigt toch naar onbedoelde
mishandeling, zeg nou zelf. Zo nu en dan stopten ze wel om in de berm even uit
te rusten, maar toch was het onverantwoordelijk. Zoiets moeten ze met mij niet
eens proberen, ik zou al na 50 meter mijn stem laten horen.
Uiteindelijk bereikten ze de bakker en met croissantjes en een stokbrood gingen
ze terug. Zowel Noddy als de kinderen hadden er genoeg van en lieten dat
allemaal door gedrein merken. De vrouw wilden hen zoethouden door liedjes te
zingen, hen te wijzen op een mooie boom, een roofvogel of wat dan ook. Er werd
steeds een stukje stokbrood afgebroken als er gepauzeerd werd. Dan weer voor een
van de meisjes, dan weer voor het hondje. Uiteindelijk kwamen ze met een klein
stukje thuis.
Tijdens de terugtocht had de vrouw Noddy in haar grote tas gezet en op haar rug
genomen. Dat leek voor alle partijen een stuk gemakkelijker te gaan.
Noddy vond dat wel best en ontspande zich eindelijk, adat hij heftig had zitten
likken aan zijn schrijnende zooltjes. Die ontspanning ging gepaard met een ander
sort ontspanning.
Bij thuiskomst bleek dat uiteindelijk het hele ontbijt in het water was
gevallen, want Noddy had in de tas met de croissantjes zijn blaas geleegd.

Toch was het daar in Frankrijk niet uitsluitend kommer en kwel, integendeel.
Zowel Noddy als de mensen hadden daar de tijd van hun leven. Er was een enorme
speelwei waar de hond de hele dag los kon lopen, er liep een riviertje achter
het huis waar de kinderen en Noddy uren in rondspartelden, er was een weg die
rustig genoeg was om oefeningen te doen. Een ideale periode om veel te leren.
Noddy leerde zich keurig te gedragen in restaurants en enorme supermarkten, hij
ging mee naar wildparken en musea. In Frankrijk mogen honden heel veel en dat
kwam voor zijn socialisatie goed van pas. In het slaperige provinciestadje was
hij een bezienswaardigheid en werd hij door veel vreemden geaaid. Kortom,
iedereen ging na die twee heerlijke weken met een stuk extra geestelijke bagage
terug naar huis.
En daar begon het harde leven. Noddyís eerste cursus op de puppenclub. Het
ìblijfî en ìkomen op bevelî was voor hem een van de leukste onderdelen van de
les. Want als zijn riem van de halsband werd gehaakt en het vrouwtje aan de
andere kant van het sportveld stond te roepen, dan nam Noddy zijn kans waar en
spurtte vol dol enthousiasme het hele veld over. Luisteren was het laatste
waaraan hij op zoín moment dacht. Hij vierde een eigen feestje en het gebeurde
wel dat de vrouw al nerveus werd bij de gedachte dat de oefening in de les
herhaald zou worden. Nu was de vrouw sowieso gespannen als ze met Noddy werkte.
Ze wilde zo verschrikkelijk graag haar best doen om een band op te bouwen met
het hondje, dat de instructrice haar meerdere malen moest waarschuwen. ìDoor
jouw zenuwen wordt die hond ook een brok zenuwen op den duur.î waren de
vermanende woorden. Dat prentte het vrouwtje weliswaar goed in, maar omkeren kon
ze niet zo gemakkelijk.

Tot op een middag waarop ze samen met Noddy mee deed aan een onderlinge
wedstrijd, als afsluiting van het trainingsseizoen.
De zenuwen gierden haar door de keel. Ze had thuis zo hard geoefend met de pup
en daar deed hij alle onderdelen die ze verwachtte te krijgen, helemaal goed.
Maar zodra hij het idee had dat ze richting sportveld gingen, werd hij onrustig.
Trok zowat haar arm uit de kom, want behalve ongedurig was hij ook nog eens
beresterk. Hij was lastig en wilde niet gehoorzamen en op het sportveld was er
geen land met hem te bezeilen. Het huilen stond het vrouwtje nader dan het
lachen. Er moesten allerlei oefeningen uitgevoerd worden die leken op de
commandoís en oefeningen die ze in de lessen geleerd hadden. Noddy deed het niet
eens zo onaardig, maar het onderdeel ìkomen op bevelî was voor hem weer het sein
om te gaan galopperen en niet naar het vrouwtje te luisteren. Alle goede punten
die ze gescoord hadden waren in een sprint verloren.
Tot het zwaarste onderdeel kwam. Er was een parcours uitgezet met
slalompaaltjes. Elke baas kreeg een lepel met daarop een rauw ei en het hondje
moest aan de voet de baas volgen tijdens het slalommen zonder dat het ei viel.
Wat er precies gebeurde, zou ik niet kunnen vertellen. Ik was er immers niet bij
en de Hogere macht die me dit allemaal ingeeft, was er ook nog niet. Maar de
vrouw gaf kort het commando ìvolgî aan Noddy en hij was de enige pup die het
binnen de tijd liep zonder dat het ei viel.
Dat maakte dat ze de minpunten van zijn woeste spelletje ruimschoots terug
verdiend hadden. En zo won Noddy een tweede prijs op zijn eerste wedstrijd.

Noddy is nu ruim zeven jaar. Nog altijd een overenthousiaste, vrolijke en bij
tijden ongedurige vent. Maar er is na die wedstrijd iets veranderd tussen het
vrouwtje en hem. Samen hebben ze veel trainingen en lessen en cursussen gedaan.
Noddy is uiteindelijk, ondanks de beginnerperikelen van zijn gezin een prima
luisterende hond geworden. Hij werkt graag en is gehoorzaam.
Ik denk dat hij voor mij een groot voorbeeld zal zijn, juist omdat hij toch zo
speels is en met iedereen graag een prettig robbertje wil stoeien. Maar als het
vrouwtje of de baas hem iets vragen, dan vergeet hij waarmee hij bezig was en is
helemaal gericht op hen. Ze noemen dat ìwill to please.î Iets wat wij als Golden
Retriever zeer zeker in ons karakter moeten hebben en wat ik later geacht word
ook weer door te geven aan mijn kinderen, als het zover komt.Betovergrootvader.
Had ik al verteld dat Noddyís vader mijn betovergrootvader is? Die hond, die bij
de eerste kennismaking al zijn kop op de schoot van de vrouw legde, haar aankeek
en daardoor rechtstreeks een weke plek in haar hart boorde? Die hond, die mijn
mensen liet beslissen dat ze een reu wilden, die hopelijk zou lijken op zijn
vader?
Nou, die hond is dus eigenlijk familie van mij en ik kan met recht zeggen dat ik
daar fier op ben. Het is een hond die zijn sporen verdiend heeft en door
meerdere fokkers geliefd was in zijn jonge jaren. Niet alleen vanwege zijn
uiterlijk, mijn betovergrootvader is een bijzonder knappe verschijning, maar
vooral zijn karakter is bij veel mensen geroemd. Niet voor niets stroomt zijn
bloed door mijn aderen. Behoorlijk verdund, dat wel, maar toch is het duidelijk
dat ik mijn bijzondere kwaliteiten onder andere van deze opa heb meegekregen.

Hij is ruim 12 jaar geleden in Schotland geboren. Zijn werpkist stond even
buiten een kleine stad, die poÎtisch ìde poort naar de ìHighlandsî genoemd
wordt.
Een prachtige omgeving vol lieflijke heuvels, diepe, spiegelende meren en
uitgestrekte heidevlakten, omzoomd door bossen. Veel groen en goudtinten en in
het najaar herfstig paars. Omdat de lucht er vaak vrieskoud en ziltvochtig is,
zijn daar de mensen en dieren robuust en functioneel gebouwd. De honden zoals
mijn overopa hebben een dikke vacht, die de wind niet doorlaat maar wel de koude
regen afstoot. Ze zijn stoer en stevig, zonder zwaar te zijn. Omdat ze voor de
jacht werden gefokt moesten ze zichzelf warm kunnen houden na een duik in een
ijskoud meer achter een aangeschoten auerhoen of wilde eend.
Het was een nest met een broer en drie zussen, die, terwijl ik dit schrijf,
allemaal nog in leven zijn. Vermoedelijk zijn het van die taaie rakkers omdat ze
zijn afgehard tijdens een van die gure, Schotse winters. Alhoewel ze in de gloed
van de gouden herfst zijn geboren, trad, zoals vaak in die contreien, de winter
veel te snel in. Nauwelijks was het paars van de heide verstomd en waren de
koperkleurige bladerdekens van de heuvels tot mulch verworden of Koning Winter
had de omgeving van de kennel bevroren. Volgens de overlevering van dit verhaal
stond er ijs op de waterbakken en vroor de rijp op de puppensnoetjes. De kleine
hondjes leerden al gauw hoe ze water moesten drinken als ze met een poot een wak
in hun drinkbak hadden geslagen.
Tot op de dag van vandaag schijnt mijn overopa nog zijn neus op de rand van de
drinkbak te leggen en lepelt het water met zijn tong naar binnen als door een
gat in het ijs.
Toen hij ruim vier maanden oud was, ging hij een reis maken die groter was dan
mijn reis ooit zal zijn. Zelfs langer en gevaarlijker dan Noddy naar Frankrijk.
Want hij moest in een kleine kooi in de buik van een grote vogel. Snap je het
nog? Met mijn kleine puppenhersentjes dacht ik eigenlijk dat het vogeltje in de
kooi hoorde in plaats van andersom. Hoe dan ook, hij reisde als een stukje
pakketpost, samen met nog een pup, hoog door de lucht en moest daarna nog erg
lang in een auto zitten.
Dit alles schijnt hij met een zeer evenwichtige grijns op zijn snoetje doorstaan
te hebben. Over socialisatie gesproken!
De link die ik met deze overopa heb, is dat hij eigenlijk naar Nederland is
gehaald omdat men zijn lijnen hier wilde vermeerderen. Hij had dus in feite
dezelfde taak in zijn leven als men mij hoopt te geven en dat maakt dat ik me,
ondanks dat hij ver van me afstaat, toch emotioneel sterk verwant met hem voel.
Zou hij, toen hij zo door de lucht vloog, ook die druk hebben gevoeld? De
geestelijke druk, bedoel ik? Niet alleen een druk in zijn oren? Zou hij de hand
van het lot ook aan zijn pels hebben voelen trekken? Of was hij toen al zo
stabiel en zelfverzekerd?
Ik hoop dat ik ooit in de gelegenheid kom om hem deze vragen te stellen.
Alhoewel hij nu behoorlijk doof schijnt te zijn zou ik hierover toch met hem van
gedachten willen wisselen. Tenslotte was hij een Reu met een Missie en die
missie is zeker geslaagd. Afgaande op de Golden Retriever populatie die hij
heeft voortgebracht is het zelfs een succesmissie te noemen.
Nou weet ik wel dat wij als teef nooit zulke hoeveelheden nakomelingen zullen
krijgen, omdat we nou eenmaal geen broedmachine zijn en wij het allemaal maar
moeten dragen, maar toch. Ook om die redenen heb ik diep respect voor die oude
man en ben ik er trots op om zijn achter, achter, achterkleindochter te zijn.

Ik vertelde dat de baas en de vrouw een vriendschap met Noddyís fokker hadden
opgebouwd en die bloeide steeds sterker, naarmate Noddy groter werd.
Ze zagen elkaar regelmatig en als daar om wat voor reden geen gelegenheid voor
was, dan belde de vrouw met de fokker en die telefoontjes konden soms aardig
lang duren. Op een minder goede dag waren de mensen op reis geweest en had Noddy
gelogeerd in een luxe hondenpension, waar ook de honden van de koningin van
Nederland een kennel gereserveerd hadden. Het stond dus zeker hoog
aangeschreven, maar ik moet eerlijk zeggen dat ze mij nooit in zoín hotel moeten
stoppen. Koninklijke honden of niet, zoiets doe je niet met een Skye. Noddy
heeft het blijkbaar wel geaccepteerd.
Sorry, ik dwaal af. Ik had het over die mindere goede dag. De baas en de vrouw
wilden een afspraak maken met de fokker om met Noddy nog een dagje daarheen te
gaan. Maar in plaats van de vrolijke stem van de fokkersvrouw klonk een
verdrietige stem van de fokker zelf. Drie dagen daarvoor was zijn echtgenote
heel plotseling overleden. Ik weet niet zo heel goed wat dat is, maar het heeft
met de reis naar de Regenboogbrug te maken.
Alhoewel dat heel erg mooi en fijn klinkt, wordt er toch iets heel verdrietigs
aan verbonden. En dat was in dit geval ook zo. Mijn vrouwtje heeft in de weken
daarna vaak met de fokker gebeld om hem te troosten. Maar zoiets valt niet te
betroosten of te begrijpen.
Maanden daarna was Noddy weer eens met het gezin naar Frankrijk geweest en had
volop genoten van zijn plekje in het huis daar. Van het riviertje, van de
walnotenbomen en van de heerlijke speelwei tussen de koeien. Hij had zijn eigen
slaapplek die hij zichzelf als pup had toegeÎigend, op een deken onder de trap.
Niets kon zijn geluk verstoren. Hij speelde veel met een prachtig
schapendoesmeisje, Betsy, die hem alle fijne plaatsen van het erf liet zien.
Ze was zijn ware vakantievriendinnetje en als de speling van het lot niet een
heel andere kant op was gegaan, dan had Noddy die vakantieliefde absoluut in een
later stadium tot een hechtere verbintenis willen omzetten. Overigens met
enthousiaste toestemming van de baas van Betsy.
Die vakantie, en dus ook Noddyís verloving, werd wreed afgebroken door de
bewuste speling van het lot. Binnen een paar dagen stond de wereld van de baas
en de vrouw op zijn kop en pas enkele weken later konden ze weer rustig
ademhalen en hun sociale contacten weer oppakken. Daardoor spraken ze na lange
tijd ook hun vriend de fokker weer en ze schrokken van het nieuws dat hij zijn
honden wilde herplaatsen omdat hij het niet meer in zijn eentje aankon. Het
vrouwtje vroeg aan hem of ze hem ergens mee kon helpen. Het was even stil aan de
andere kant van de telefoonlijn en toen zei de man dat hij het zo fijn zou
vinden als zijn dekreu, jawel, mijn betovergrootvader, bij hen mocht gaan wonen.
Het vrouwtje voelde een tinteling door haar rug gaan. Want ze was immers zo
verliefd op die Schotse hooglander! Ze heeft het met de baas besproken, vijf
minuutjes maar en die hoefde er ook niet verder over na te denken.
En zo kwam het dat Noddy een week later zijn vader in huis nam. Beide heren
waren vanaf het eerste moment de beste maatjes. Ze sliepen in de avond van
Duffyís komst al samen op een kussen en het leek alsof ze nooit zonder elkaar
waren geweest.
Eind goed, al goed, zou je zeggen. Niets is minder waar. Want ook al waren Noddy
en Duffy vrienden voor het leven, toch scheen hier een grauwe sluier overheen.
De stoere Schot, die nooit iets mankeerde, die altijd zijn werk had gedaan met
een voortdurend goed humeur, werd binnen de kortste keren zo ziek dat ze bang
waren dat hij de regenboogbrug over zou gaan.
Er werd in hem gesneden, niet een keer, niet twee keer, maar wel vier keer. Hij
moest stomme kappen om, hij kreeg vieze pillen, hij werd mager en leek in niets
op de knappe man die mijn betovergrootvader was.
In diezelfde periode werd Noddy per ongeluk vergiftigd door de buren. Zij
snoeiden hun struiken en bomen en vonden het zo schattig dat Noddy de besjes zo
graag lustte. Vertederd voerden ze hem de vruchtjes en vertelden naderhand dat
ze het zo lief vonden dat hij uit hun hand at. Dat werd Noddy bijna fataal. Hij
zou niet de eerste hond zijn die door het eten van deze bessen stierf. Maar er
zat gelukkig een beschermengeltje, diep verstopt in zijn vacht. Noddyís maag
werd leeggemaakt bij een spoedarts en hij kwam door de eerste kritieke dagen
heen.
Vanaf dat moment waren beide vrienden ziek en in die periode vroeg het vrouwtje
zich soms wanhopig af waarom ze geen goudvissen ging fokken. Daar heb je
blijkbaar toch minder zorgen en verdriet om.
Zowel Noddy als Duffy knapten niet echt op. Noddy kon niets meer goed verteren.
Zijn hele maag en darmen waren door de giftige bessen kapot gegaan en hij had
altijd pijn in zijn buik.
Van alles werd geprobeerd. Hij kreeg brokken van de dierenarts te eten, hij
kreeg pilletjes en drankjes en korreltjes en papjes, maar niets hielp. Hij bleef
ziek. Duffy was inmiddels wel aan de beterende poot maar ook hij kwam niet
helemaal over zijn malaise heen.
Het vrouwtje ging, zoals ze dat eerder gedaan had bij de voorbereidingen op
Noddyís komst, virtueel op zoek naar informatie. Ze ging het Wereld Wijde Web
op. (Zien jullie trouwens hoe ik als nauwelijks drie weken oude pup al veel weet
van de wereld om me heen? Zoals ik eerder al meldde: het is een Gave.)
Wat ze toen tegenkwam is absoluut stof voor een hoofdstuk apart. En dat ga ik
hier daarom apart vermelden want met een beetje goede wil zal het mij ook goed
doen, later als ik geen melk meer drink bij mama.
Morgen komen mijn aanstaande baas en vrouwtjes naar me kijken. Misschien aaien
ze me zelfs wel. Kunnen ze zien dat ik het ben? Of zullen ze mijn zusjes en mij
over ÈÈn kam scheren, ons ìde teefjesî noemen en niet weten dat ze mij recht in
de inmiddels ontloken oogjes kunnen kijken?
We zullen het morgen wel zien. Ik ga nu mijn ogen een paar uur sluiten, ik wil
er natuurlijk op mijn best uitzien als ze er zijn.
Bezoekje en een gekke Geest..
Vandaag is mijn aanstaande gezin naar me komen kijken. Ik hoorde ze praten: ìIs
het die met het rode bandje? Wordt het teefje paars? Of is Skye de roze? De gele
of oranje kan het ook wel zijnÖî Ik wilde tegen ze zeggen: ìkijk dan, hier ben
ik. Snap je nou nog niet dat ik het ben? Ik ben Skye, jullie eerste teef.î maar
mijn gepiep vonden ze alleen maar schattig en omdat mijn broers ook aardig
tekeer gingen, heeft niemand enige notie gehad van wat ik eigenlijk wilde
duidelijk maken.
Dat kan nog wat worden, hoe moet ik hen later sturen als ze me nu al niet
begrijpen?
Misschien moet ik wat meer geduld met hen hebben. Het duurt immers nog een
tijdje voordat ik naar ze toe ga.
Mijn zusjes en broers gaan ook verhuizen en hun eigenaren zullen tegen die tijd
ook wel weten wie er naar hun toe gaat.
Nou heb ik opgevangen dat we van tevoren allemaal getest gaan worden door een
onafhankelijk adviseur, die een beetje onze karakters bepaald. Niet dat het voor
mijn mensen een doorslaggevend argument zal zijn als ze me eenmaal kennen, maar
voor de mensen van mijn zusjes bijvoorbeeld is dat weer wel belangrijk. Die
hebben geen Teef met speciale Gaven voor ogen en willen misschien alleen een
hondje dat heel rustig is of lekker onstuimig. Of een hondje met veel of weinig
goudkleur.

Het is grappig om te bedenken dat deze bezoekers de mensen zijn waarbij ik mijn
hele leven zal gaan wonen. Ik heb heel erg mijn best gedaan om alvast hun
stemmen in te prenten. De baas heeft een zware stem, een beetje een sonoor
ìhohohoî geluid, terwijl het meisje een hogere, vrolijke stem heeft. Als ze een
blaf zou produceren, zou dat ongeveer klinken als van een collie. Niet zoín
schel kefferskreetje, maar zeker niet de zware woef van een retriever.
De stem van de vrouw is vrij laag maar het zou zomaar kunnen zijn dat die klank
flink de hoogte in gaat als ze boos is. Ik denk dat ik al een beetje begrijp hoe
dat werkt. Dat ik een schel, hoog timbre in haar stem kan voorkomen door braaf
te zijn.
Ik had graag even met ze willen babbelen. Een onderonsje van hond tot mens, maar
dat zat er niet in. Ik had ze het een en ander willen vragen over de honden
waarbij ik in de groep kom, want ik weet natuurlijk niet zeker of alle verhalen
die ik binnenkrijg wel helemaal waar zijn. Zo kan ik me niet voorstellen dat
Duffy ooit een wildvreemd huis is ingelopen en terug kwam met een plumeau die
hij als jachttrofee naar de vrouw bracht. Zoiets zou een Reu met een Missie toch
nooit in zijn kop halen? (Zie je overigens de link tussen ìwildvreemdî huis en
ìJachttrofee?î Zo krijg ik de berichten dus door. Die Hogere Macht, of Geest of
hoe je mijn stemmetje ook wil noemen, doet nog zijn best om Geestig te zijn,
ook. Hij heeft het steeds over betÛver- grootvader met de klemtoon op een heel
andere plek. Denkt grappig te wezen.)
Het verhaal van Noddy en Duffy die een boterham met ontbijtspek op een bordje op
een stoel hebben laten staan, zonder het zelfs maar aan te raken, is volgens mij
gewoon een Broodje Aap verhaal van mijn Geestige Geest. Noddy en Duffy zullen
best heel braaf zijn en hun braafheid zal regelmatig als voorbeeld voor mijn
neus gehouden gaan worden, zo gemeen zijn mensen wel maar ik kan niet geloven
dat ze zo braaf zijn dat ze een lekkernij als brood met spek aan hun neus
voorbij laten gaan. Ze zijn wel honden, hoor! Retrievers. Wij eten graag en
vaak. En bovendien, wie verzint het om zoín broodje op een stoel te laten staan.
Dat doet toch niemand met honden en katten in huis? Ik geloof het niet en ben
bang dat ik ook met dit verhaal weer stevig bij de neus ben genomen.

Ik heb uiteindelijk mijn identiteit nog niet kenbaar kunnen maken aan mijn
mensen en zelfs nog geen natte lebber over hun gezicht kunnen geven. Geduld is
niet een van mijn sterkste kanten, geloof ik. Dat kon nog wel eens flink lastig
worden tijdens mijn training.

Overigens wordt het morgen een spannende dag, want dan vertrekken we met mama
van de werpkist naar een grote honden puppyren. Een mijlpaal in ons leven. Dan
zien we onze tantes en oom regelmatig en hebben we veel ruimte en dan zijn er
meer dingen om ons heen waar we aan moeten wennen. Grote hondensnuiten,
televisie, telefoon, stofzuiger, noem het maar op.
Over een week komt er veel bezoek om naar ons te kijken. Al onze bazen en
vrouwtjes zijn uitgenodigd op onze eerste puppyparty. Dat kan een dolle boel
worden. We zijn tegen die tijd een stuk groter en onze aaibaarheidsfactor zal
meegegroeid zijn, dus onze moeder zal al die mensenkinderen goed in de gaten
moeten houden.
Bovendien krijgen we binnenkort pap. Dat is wit spul waar je met je hele snoet
in kan duiken, zodat je oogharen onder de pap zitten. Het is leuk om het uit de
oren van een zusje te likken of van de pels van een broertje. Ik weet niet of
het echt lekker is, maar we kunnen er in ieder geval fijn mee spelen.
En dan later krijgen we net als mama vlees. Niet zoveel als zij, zij krijgt
enorme bakken vol maar dat moet ook wel want zij moet ons allemaal weer eten
geven en daar heb je veel vlees voor nodig. Wij krijgen steeds een beetje. Toch
is het een moment om reikhalzend naar uit te kijken, want als vleeseter doe je
pas mee als je groot genoeg bent dat je het werkelijk voor je neus krijgt.
In de groep waar ik terecht kom, eten ze alle dagen vlees. Dat was vroeger wel
anders, toen Noddy en zijn vader nog met zijn tweetjes in het roedel waren. Maar
doordat Noddy zo ziek was dat hij niets meer kon verdragen, werden de brokken
een steeds groter probleem voor hem en voor de vrouw. Stad en land gingen ze af
om hele speciale soorten te kopen. Toch werkten ook die brokken niet en toen
besloot de vrouw het over een heel andere boeg te gooien. Ze gooide de knuppel
in het hoenderhok bij de dierenarts, ik weet niet precies hoe ze dat deed, maar
ze schijnt het wel gedaan te hebben en daarbij zei ze dat ze zelf ging proberen
een goed dieet voor Noddy te zoeken. Noddy was toen al meer dan vier maanden
hondsberoerd, om het plastisch uit te drukken.
(Dat klinkt trouwens ook niet lekker, deze zin. Ik moet zoveel leren en die taal
die jullie gebruiken is zo ingewikkeld. Niets ìwoefî of ìwafî nee, al deze
woorden die kunnen ineens een andere betekenis hebben. Ik dacht dat mijn Geest
knap bezig was met zijn geintjes, maar ik geloof dat ik er zelf, als deze maand
voorbij is, ook wat van kan.)
De vrouw was zoals gewoonlijk in de eerste tijd, weer op het internet gaan
speuren en zoeken en kwam toen virtueel terecht bij mensen die labradors hadden.
Die labradors kregen geen enkele brok meer in hun bak. Uitsluitend rauw vlees
van allerlei dieren en met allerlei organen er nog in, was hun dieet. Ze waren
ziek geweest maar nu wonderbaarlijk genezen en de theorie achter deze manier van
voeren sprak de vrouw heel erg aan. Ze maakte er een complete studie van terwijl
Noddy en Duffy hun zakken met brokken nog door moesten worstelen. Maar het
moment brak aan dat ze iets heel anders in hun bak vonden. Rauwe pens en
kippennekken waren hun eerste uitstapjes naar een ander manier van eten. Noddyís
buikproblemen werden iets minder. Was hij op de brokken elke dag ziek, nu was
het slechts enkele dagen per week. Het heeft alles bij elkaar bijna acht maanden
geduurd eer Noddy helemaal genezen was en allerlei soorten vers vlees kon
verteren. En het duurde meer dan een jaar eer hij eens een stukje brood of wat
rijst binnen kon houden.
Ze hebben het wel gered. Noddy schijnt tegenwoordig zelfs brood en rijst te
kunnen eten zonder enig probleem en misschien zou hij ook weer tegen brokken
kunnen. Maar er is geen enkele hond in mijn aanstaande huishouden die brokken
krijgt. Ook niet de nieuwe, oude honden die hun hele leven Bon hoe of Bon zo of
Pettikree Paal hebben gehad. Vanaf de eerste dag dat ze bij ìonsî binnen komen
gaan ze via een paar dagen pens op het verse vlees over en de vrouw is pertinent
overtuigd over deze manier van voeren. Als er een brokkenhond bij haar logeert
krijgt die natuurlijk wel zijn eigen eten. Dat wel. Maar af en toe stiekem een
kippennekje tussendoor zal vast gebeuren. Ben je in het roedel opgenomen, dan
wordt je bakje niet met brokjes gevuld of het moeten brokjes vlees zijn.
Je hoort mij niet klagen. Duffy schijnt er zijn weerstand ook zodanig mee te
hebben opgebouwd dat die hele akelige ziekte waaraan hij leed tot stilstand is
gekomen. Hij kreeg veel vlees met hoofdletters ìWís î en ìVísî erin. Wild, wit
vlees als kip of kalf of kalkoen en verschillende vissen. Wilde zalm, witvis of
walvis. Deze soorten vlees bevatten allerlei stoffen die zijn ziekte niet lekker
vond en daarom verdween de ziekte bijna. Dat wat er nog zat, had door al die Wís
en Vís geen kans meer om zich verder te ontwikkelen. Dus Duffy was niet meer
terminaal en is in datzelfde jaar nog Nederlands Veteranen Kampioen geworden met
op zijn keurverslag dat hij een reu van 9 jaar oud in een grandioze conditie
was. Jawel!
Misschien is dit succesverhaal ook wel weer een van de hersenspinsels van mijn
Stem, maar het gegeven blijft dat Duffy nog steeds in een goede conditie is
nadat hij zo kritiek ziek was en dat Noddy niet meer zo akelig is geweest.
Dus ergens zal het wel goed zijn.
Om een lang verhaal even in een paar korte woorden te resumeren: ik verheug me
op mijn eerste bak vlees en het was gezellig met mijn aanstaande mensen.
En mijn Geest is gek.

Milo’s leven in ons leven.
De eerste nacht in de puppyren heeft me veel vertelstof opgeleverd. Ik weet nu
alles over Milo, die ik helaas niet kan ontmoeten omdat hij lang geleden de
Regenboogbrug is overgegaan. Zijn aanwezigheid in het roedel van mijn mensen was
echter heel tekenend omdat het zoín unieke hond was. Ik wil jullie graag postuum
laten kennis maken met hem en misschien sluiten jullie hem, net als de baas en
de vrouw, in je hart. Hij verdiende dat. Ik had hem graag willen leren kennen
omdat ik veel van hem zou kunnen leren over het hondzijn in het algemeen en over
roedelvorming in het bijzonder.

Noddy en Duffy waren twee jaar samen, toen er een verandering in de
thuissituatie kwam. De vrouw werkte in een theater waar Noddy en Duffy hond aan
huis waren, maar plotseling ging ze werken in een ander theatertje dat midden in
prachtige, oude bossen lag. Het opende voor de twee vrienden een heel nieuwe
wereld. De wandelingen in de duinen en bij de bosvijver werden nu vaak
afgewisseld met urenlange snuffeltochten door de wouden rondom dat idyllisch
gelegen werkplekje. Het was een heerlijke tijd.
Toch speelde er iets waar ze niet de poot op konden leggen. Ze hoorden dingen
over een oude reu en een asiel, maar helemaal begrijpen deden ze het niet. Het
duurde nog zeker vijf maanden eer het raadsel in alle hevigheid opgelost werd.
Er zat blijkbaar een negen jaar oude reu in een asiel vlakbij de werkplek van de
vrouw en die zou bij hen komen wonen. Hij mankeerde van alles; hij had
chronische rugklachten en een grote knobbel op zijn voorpoot, hij was stram
omdat zijn kniebanden gescheurd waren geweest en, wat voor de vriendjes het
meest belangrijk was, hij had nooit zijn leven met andere honden gedeeld.
Toch durfden de vrouw en de baas het aan, want, zo redeneerden ze, Noddy en
Duffy waren zoín stabiel, hecht team dat ze gemakkelijk een andere hond zouden
accepteren. Opmerkelijk in deze redenering was dat hen niets gevraagd werd. Dat
is niet bepaald een democratische beslissing geweest. Ik weet dat ik daar als
nauwelijks drie weken oude pup niet over mag oordelen, maar toch zou ik
persoonlijk wel bezwaar aantekenen als mij zoiets zou overkomen.
Maar goed, Noddy en Duffy lieten zoals gewoonlijk braaf alles over zich
heenkomen en Milo maakte zijn entree op een zonnige 1e junidag.
Met zijn drieÎn gingen ze voor een eerste snuffelronde door een nieuw stuk bos
en dat ging zo goed dat ze een uur later ook alle drie achterin de auto konden
zitten zonder enige grom of grauw.
Milo bleek een hond met een gebruiksaanwijzing. Hij had een fel, open karakter
dat in niets leek op de gemoedelijke aard van de andere twee.
Hij stond altijd op scherp, met grote, alerte ogen. Als hij ergens achteraan
ging of iets in zijn kop haalde dan konden de baas of de vrouw zelf op hun kop
gaan staan maar het gebeurde toch zoals Milo het bedacht had. Hij was duidelijk
zijn leven lang enigst hond geweest bij een oudere dame die hem de hemel in had
verwend. Nee was een woord dat Milo niet kende. Het lange jaar waarin hij in het
asiel had gezeten had hem zeker niet goed gedaan en zo was hij, naast verwend,
ook onzeker en halsstarrig geworden. Een maandenlange celstraf zoals hem was
overkomen is voor geen enkele hond, hoe stabiel ook, een gewenste situatie. Milo
had in het jaar van zijn eenzame opsluiting allerlei gewoontes aangewend. Van
hyperdruk springen als hij de riem hoorde tot het obsessief zoeken naar
speelgoed om mee te nemen voor een wandeling. Geen enkele bal, kluif of knuffel
was veilig voor hem. Hij droeg alles in zijn bek en brak het hele huis af als er
ergens onder een kast een bal was gerold. Of als hij niets kon vinden om mee te
sjouwen. Samen eten zat er niet in. Milo grauwde naar iedereen aan die in de
buurt van zijn voer kwam, ook een restverschijnsel van zijn asielleven.

Hij was in een slechte conditie. Zijn dikke, gouden vacht met de markante
Milo-leeuwenmanen zat vol klitten en was vies. Hij had een hotspot op zijn
dijbeen die maar niet dicht wilde gaan en aan een van zijn voorpoten hing een
knobbel, zo groot als een ei. Het was een goedaardig gezwel, zo had de
dierenarts van het asiel geconstateerd, maar Milo had er wel ongemak van. Hij
liet dat niet merken. Ongemak of pijn liet hij nooit merken en dat zou in het
daaropvolgende jaar steeds opnieuw blijken.
Milo was hartstochtelijk, fel gespitst op de dingen die hij fijn vond. Zo hield
hij van autorijden en was vermoedelijk met de oude dame altijd meegereden. De
eerste dag zat hij al bij de baas op de bijrijderstoel met een uitdrukking op
zijn snuit die geen tegenspraak duldde. Blij en zelfverzekerd: ìDit is mijn
plaats..î Als er ergens een auto open stond, of dat nou een auto van de baas, de
buurman of een klusjesman was, dan sprong Milo er in en een knappe
gedragsdeskundige die hem er dan weer uit kreeg. Hij heeft wel eens een uur in
een bibliotheekbus gezeten alvorens de vrouw hem met een riem en een zak vol
koekjes eruit wist te lokken.
Als hij iets wilde, een knuffel, aandacht of iets lekkers, kon hij met zijn
prachtige, grote ogen de mensen aankijken en die zouden gek zijn als ze niet op
zijn wensen ingingen. Hij kon flemen als een verliefde jongeling. In combinatie
met zijn ongekende felheid maakte hem dat charmant. Milo was kwikzilver, niet te
grijpen en soms niet te begrijpen.
De eerste twee weken van zijn aanwezigheid bij mijn mensen waren best
ingewikkeld. Hij eiste steeds alle aandacht op, al zijn asielfrustraties
speelden op en Noddy en Duffy hadden als hond niets meer te vertellen.
Na verloop van tijd kreeg Milo de smaak van het huiselijke bestaan te pakken en
hij kon zielsgelukkig op de bank springen en heel dicht tegen de baas of de
vrouw aan gaan zitten. Dan legde hij zijn kop op hun schoot, zuchtte eens diep,
keek met zijn gouden blik naar hen op. Ze konden niets anders doen dan hem aaien
en laten merken dat ze van hem hielden.
Nog weer een paar weken later begreep Milo de zin van het roedelleven. Hij sliep
niet meer alleen, maar nestelde zich steevast tegen Noddy of Duffy aan en het
leek alsof hij het contactliggen sinds zijn puppentijd opnieuw had uitgevonden.

Het hoeft niet uitgelegd te worden. Milo had charisma. Hij was een geboren
leider en zonder daar enige grom aan vuil te maken hadden Noddy en Duffy dat ook
geconstateerd. Milo werd binnen de kortste keren de roedelhoogste. Als ik later,
als ik groot ben, half zoveel aantrekkingskracht heb, dan mag ik mij een
gelukkige pup noemen.
Hij ontpopte zich als een ontzettende levensgenieter. Wat kon hij door de modder
rollen met zijn stijve pootjes in de lucht, wat kon hij zwemmen, wat kon hij
rommelen en rennen en wat kon hij veel met weinig. Alles werd met een
overrompelende hartstocht beleefd. Hij haalde zorgvuldig een boodschappentas
leeg en droeg heel voorzichtig een doos eieren, de komkommer, een zak tomaten
naar de keuken. Gaf het ongeschonden af en stond dan met wapperende oortjes te
springen van plezier als hij daar een beloning voor kreeg. Ik had wat dat
betreft nog een lesje van hem kunnen leren! Misschien ga ik dat kunstje ook
proberen uit te voeren; boodschappen opruimen in de geest van Milo.
Bij hem ging niets gematigd. Een stuk boom slopen was een stuk boom tot
gruzelementen slopen. Zoals een houtversnipperaar werkt.
Hij beleefde alles tot op het bot. Noddy en Duffy accepteerden zijn sterke
persoonlijkheid en wonderlijk genoeg vormden ze na verloop van tijd een echte
drie-eenheid.
Milo veranderde van een hoopje gefrustreerde ellende tot een geestige, vrolijke
gelukkige hond.
Ze gingen met zijn drieÎn in de zomer mee naar Frankrijk, waar ze allemaal hun
eigen vakantie vierden. Milo door fanatiek mollehollen en muizehuizen uit te
graven, Duffy door te dutten in de zon en Noddy ging samen met de vrouw en een
instructeur de Noord Franse velden in om te speuren.
Het was een mooi roedel, heb ik me laten vertellen.
Later in dat jaar veranderde de situatie opnieuw. Er kwam een pup bij de baas en
de vrouw wonen en zo werd het roedel versterkt tot vier. Daar zal ik in een
later deel van mijn verhaal veel dieper op ingaan, want die pup was mijn oudoom.
Voor Milo was dit een heel nieuwe dimensie in zijn leven. Hij leerde met het
kleintje spelen en hij leerde het kleintje met hem spelen. Al zijn
roedeloudste-kwaliteiten werden volledig naar de oppervlakte gehaald.
Zoals ik tegen hem op zou kijken en van hem van alles zou willen leren, zo deed
mijn oudoom dat toen.
Toen ze met zijn allen verhuisden naar een ander huis, waar veel
hondenspeelruimte was, kwam Milo helemaal in zijn element.
Hij had daar eigen mollenholletjes, een persoonlijke mesthoop, tijdens de
wandelingen een rivier waar hij naar hartelust kon zwemmen.
Want dat was ook een van Miloís passies. Water. Als hij ging zwemmen dan bleef
hij zo lang mogelijk in het water. En was er geen water dan dook hij wel in een
modderplas. Hij genoot intens van zijn nieuwe leven op de boerderij, als chef
van een drietal prachtige mannen.
Tijdens een stoeispelletje met de pup, maakte hij een verkeerde beweging en
scheurde zijn knieband. Dezelfde die hij in zijn jonge jaren ook al eens
doorgescheurd had en die op een verkeerde manier gerepareerd was geweest. Arme
Milo speelde verder op drie poten. Want er moest en zou gespeeld worden en pijn
laat je als roedelhoogste niet zien.
Wat had hij een kracht en een doorzettingsvermogen! Mijn Geest heeft nauwelijks
grappen kunnen maken, zo aangrijpend waren de overleveringsverhalen over deze
Oerhond.
Ik heb er lang van wakker gelegen om het op me in te laten werken. Alleen een
slokje melk bij mama heeft me in slaap kunnen sussen, mijn kop was te vol van de
verhalen over Milo.
Om op hem terug te komen, hij onderging na een aantal weken een zware operatie.
Zijn kniebanden moesten aan elkaar gezet worden en helemaal precies weet ik niet
hoe dat gegaan is. Het lijkt mij heel eng. Sowieso om geopereerd te worden en
dan ook nog aan je poot. Ga er maar aan staan. (Oh, nee, dat kan dan natuurlijk
niet.. foutje van mijn zinsopbouw. Ben nog steeds niet thuis in jullie
mensenwoordenschat,) Wel weet ik dat het voor Milo echt een heftige behandeling
was. En dat iedereen stomverbaasd was dat hij de dag na de ingreep alweer zijn
poot durfde en kon belasten.
Hij moest eigenlijk voorzichtig aan doen. Rustig zijn krachten opbouwen. Maar
rustig was een woord dat hij helemaal niet kende. ìRustig aanî kwam niet in zijn
kop op. Bij hem moest alles ìnu en nu en snel want ik hou er zo van..î
Waar de meeste honden een week over doen om bij te komen na zoín operatie was
Milo al na een paar dagen aan het rennen. Tegen de wil in van de baas en de
vrouw, want die waren bang dat hij de boel weer kapot zou spelen.
Een paar maanden later was er nauwelijks meer iets te merken van Miloís
blessure.

Er hadden zich, in de tijd dat ze op de boerderij woonden, al een paar
roedelverschuivingen voorgedaan. Milo bleef, ondanks zijn handicap van rug en
knie, onbetwist de baas van alle honden. Of er nou een bij kwam of een weg viel,
hij was de innemende, hartverwarmende, onverbiddelijke spil van de groep.
Die zielenpoot die als een getergde tijger dag in, dag uit in zijn kooi van het
asiel had heen en weer gelopen, die nooit met andere honden in een ruimte had
hoeven zijn, kon nu niet meer zonder een van zijn vrienden. Als de pup een
uurtje weg moest voor zijn broodnodige socialisatie, zat Milo bij de deur
waarachter de pup was verdwenen. Waaks en wijs. En wat waste hij zijn
roedeljongste de oren nat als die weer thuis was! Dan werd er even in elkaar
gehapt, er werd gestoeid en gebekt ten teken dat het goed was.

Dan ben ik nu beland aan het deel dat me diep ontroerd heeft. Even dacht mijn
moeder dat ik last van mijn ogen had en ze heeft met haar warme tong de
nattigheid opgelikt. Eigenlijk waren het tranen van ontroering, maar die schijn
je als pup officieel niet te hebben. We houden het dus op weglikbare druppels
vocht uit mijn ogen. De lezer van het komende deel weet wel beter.

Op een avond kwamen de baas, de vrouw en het kind na een paar uur thuis met een
stokoude reu. De hondenvrienden waren een paar uur alleen geweest en waren
uitzinnig van vreugde dat het gezin er weer was. Ze mochten heerlijk hun
speelwei op en onder aanvoering van Milo, een paar maanden na zijn operatie,
werd er gerend, gestoeid en met takken gesjouwd.
De oude, nieuwe aanwinst werd apart uitgelaten, kreeg een heerlijke bak vlees en
werd toen in de slaapkamer gelegd waar hij in een diepe slaap weg zakte, na alle
indrukken van de reis die hij had gemaakt. Het was een hoogbejaarde man,
waarover jullie later nog wel wat zullen horen.
In dit verhaal van Milo doet hij er eigenlijk weinig toe, behalve dan dat hij
die bewuste dinsdagavond thuis was gekomen.
De baas en de kinderen gingen weg. Naar iets met Mc Donald. Een mooie
kennelnaam, maar dat was het vast niet.
De vrouw bleef met het roedel achter om hen eten te geven en om de oude heer in
de gaten te houden.
Wat er toen gebeurde, schijnt een nachtmerrie voor haar te zijn. Ze heeft er af
en toe nog akelige dromen door en ik denk niet dat mijn Geest hierover grappen
wil maken. Als hij dat wel zou doen, dan zou ik hem mijn pasgegroeide tanden
laten voelen. En er nog vervaarlijk bij grommen ook. Want dit is een heel
verdrietig en prachtig verhaal en daar mag niet mee gesold worden!

De vrouw was bezig met de etensbakken van de hondengroep. Omdat het mooi
zomerweer was, deed ze dat buiten. Op een andere plaats dan doorgaans. Terwijl
ze de bakken vulde met vers vlees, gleed er een bak van de tafel af. Omdat de
vrouw wist hoe fel Milo op zijn voer was en alle honden al geprikkeld waren door
de nieuwe hond en het tijdstip van eten, wilde ze een grauw,- en snauwsituatie
voorkomen. Ze riep dus naar alle honden dat ze ìafî moesten en vooral naar Milo
riep ze het commando ìterug.î Tot haar verbazing was het een enkel ogenblik
doodstil. Geen hond die zuchtte, blafte of hijgde. Ze draaide zich om en zag
Milo op de grond liggen. Zijn ogen, die prachtige, gouden ogen waren
weggedraaid. Er bloedde iets uit zijn bek en zijn snuit leek intens wit. Ze wist
bij het zien van haar lieveling dat er iets ernstig mis was. In paniek riep ze
alle honden naar binnen en knielde daarna bij Milo neer. Hij reageerde niet op
haar roepen, haar praten, haar aaien, haar kussen op zijn kop. Hij reageerde
niet meer maar zijn ademhaling ging heftig stotend tekeer. Hij was nat omdat hij
zijn urine had laten lopen. Dat was het teken voor de vrouw dat het helemaal
fout zat. Want Milo zou zichzelf nooit zo laten gaan als hij bij zinnen was.
Toen sloeg de paniek toe. De baas was niet te bereiken. Milo moest onmiddellijk
naar een arts. Binnen zaten vier honden die wilden eten en een vijfde hond die
nog geen uur in hun huishouden was opgenomen.
De vrouw probeerde van alles en belde tenslotte haar buurvrouw. Die onmiddellijk
de auto voorreed en hielp om Milo er in te leggen. Die was slap en bewoog niet,
behalve het raspen van zijn ademen en het bonken van zijn hart.
Met een doodzieke, gouden reus reden ze naar een arts. De baas was inmiddels,
tijdens de dollemansrit in de auto met een stervende Milo, gewaarschuwd.
Bij de dierenarts werd Milo onderzocht. De arts kon niet vinden wat er precies
was. Milo reageerde nauwelijks op zijn omgeving en leek ver van de wereld. Hij
kreeg een injectie die hem kracht zou moeten geven.
ìAls hij niet binnen achtenveertig uur opknapt en gaat reageren op de normale
prikkels, dan komt hij niet meer hier overheen.î was het oordeel. Milo was
slachtoffer geworden van een acute bloeding, hetzij in de hersenen, hetzij op
een andere plaats waar de zenuwbaan liep.
Thuis werd de oude reu uit de slaapkamer gehaald en kreeg een andere, rustige
kamer. Milo werd voorzichtig op een deken gelegd en de vrouw week die nacht geen
moment van zijn zij. De roedelreus leek geveld. Hij kwam niet bij. Zijn snoet
bleef in en in bleek. Zijn eens zo vlammend gouden ogen stonden dof. Zijn
enthousiaste sprongen als er iemand in zijn buurt kwam, waren verstomd.
Milo was Milo niet meer. Steeds opnieuw probeerden de baas en de vrouw hem
ìwakkerî te krijgen. Ze riepen voortdurend, uur in uur uit zijn
lievelingswoorden: ìMee uit? Riem? Auto? ì Er kwam totaal geen reactie. Ze
stuurden Noddy, Miloís grote vriend, naar binnen. Ze stuurden de pup naar
binnen. Milo reageerde niet op hen en zij wilden zo snel mogelijk de kamer uit.
Het hele merkwaardige was, dat de hondenmannen niet eens in de buurt van Milo
wilden komen. Wisten ze dat hij stervend was? Had de roedeloudste zijn macht
verloren? Wie zal het zeggen. Ik, als klein meisje, kan daar helemaal niets over
zeggen. Milo leek niet uit zijn ellende te komen en toen de vastgestelde 48 uur
bijna verstreken waren, had er nog geen opleving plaatsgevonden.
De baas en de vrouw besloten dat Milo zou mogen rusten en dat hij de volgende
dag over de Regenboogbrug zou gaan. Een dappere, maar intrieste beslissing.
Iedereen was onder de indruk en ziek van verdriet. Ook de honden waren van
streek. De pup, die al gevoelig van aard was, deed nu uiterst timide en
onderdanig. De Grote Roedelbaas was ziek. En geen van de honden wilden iets van
hem weten. Instinctief zullen ze begrepen hebben dat de hoogste in rang nu zijn
imperium aan het verliezen was. Iedereen was uit zijn doen.
De baas zat huilend bij zijn niet reagerende, oude vriend. De deuren naar de
tuin stonden open. Hij riep nog eens naar de pup. En naar Noddy. De beide honden
luisterden braaf en liepen dit keer wel de slaapkamer in waar de bewegingloze
Milo lag. De pup ging er dit maal kwispelstaartend op af. Schudde vol
enthousiasme met zijn hele achterlijf. Begon Milo-fanatiek de oren van zijn
zieke opperhoofd te wassen. Noddy stond erbij, keek ernaar, maakte een
uitnodigende spelboog en duwde met zijn neus tegen de stille hond aan.
Wat er toen gebeurde kan ik hier nauwelijks benoemen.
De pup huppelde naar buiten, nadat hij Miloís oor goed schoon had gelikt.
Milo stond op, liep achter het kleine hondje aan de tuin in, tilde zijn poot op
en deed een flinke plas tegen de heg. Er was iets heel wonderlijks gebeurd.
Opnieuw moest de baas huilen en de vrouw ook, Maar nu van geluk, want Milo liep
weer. Hij keek weer flink uit zijn ogen. Binnen enkele uren wilde hij weer eten,
bedelde hij om een knuffel en om een hapje van de mensenmaaltijd.
Onvoorstelbaar, zo snel als zijn terugkomst in de levende wereld zich
ontwikkelde. Precies 49 uur na zijn verschrikkelijke aanval was Milo vrijwel
helemaal de oude. Weliswaar doodmoe en nog niet helemaal vast ter been.
Maar per uur leek hij te verbeteren en sterker te worden en het is dat de vrouw
hem tegenhield anders had hij dezelfde avond nog met de pup willen stoeien.
Wat een rentree van deze absolute RoedelChef!! Hoe vaak komt het voor dat een
euthanasie afgebeld moet worden omdat de zieke is opgestaan?
In de dagen daarna kreeg Milo zijn streken terug, werd hij steeds meer zichzelf
en wisten de baas en de vrouw niet hoe gelukkig ze moesten zijn om hem weer bij
zich te hebben, in onverwacht goede doen. Milo sliep dicht tegen de pup aan, hij
zeurde om lekkers, hij sprong in de auto om er niet meer uit te willen en zijn
staart droeg hij fier omhoog. Die staart was zijn sieraad. Goudkleurig met een
roomwitte binnenkant. Een prachtige pluim, die hij alleen tijdens zijn operatie
en zijn onverwachte ziekte had laten hangen. Milo droeg zijn staart als een vlag
in de lucht en dat betekende dat hij blij en zeker van zichzelf was.
De vrouw zag niets liever dan die bos haar in de hoogte en dat kreeg ze.

Drie dagen later was de vrouw jarig. Het was op een zondag, er logeerden mensen
die het verjaarsfeest mee vierden. Zij waren op de bovenverdieping een beetje
aan het uitslapen. In de huiskamer liepen kinderen rond. De radio stond aan. De
vrouw was nog in haar ochtendjas. Ze zong een liedje van plezier `Milootje,
Milootje, jij lief, gek kadootjeÖ` Het rook naar koffie en vers gebakken brood.
De deuren naar de tuin stonden open. Buiten speelden de honden, Milo en de pup
deden krijgertje. De baas stond bij de tafel terwijl het vrouwtje op de computer
naar de post voor haar verjaardag keek. De `Air` van Bach klonk door de kamer.
Milo en de pup buitelden al stoeiend van buiten naar binnen. Milo ging achter de
jarige vrouw liggen. De baas zei `Hij heeft het weer. Zijn ogen draaien wegÖ.`
De vrouw draaide zich om. Milo was languit gaan liggen met zijn rug tegen een
van de andere honden aan. De pup sprong over hen heen, spelend, hij wilde nog
meer krijgertje doen. Bach speelde door. De pup likte een oor van Milo. De baas
knielde neer bij zijn gouden vriend.
De vrouw keer naar Milo. Die blies onverwacht zacht zijn laatste adem uit.

Hij stierf te midden van zijn roedel, de plek waar hij zo was opgebloeid. Milo,
die als een volslagen vreemde, wilde asielzoeker kwam en zo schitterend zijn
eigen plaats binnen de groep had verworven. Milo, die niet door een spuitje de
Regenboogrug wilde overgaan, maar onder de poten van zijn puppenvriendje
weggleed op de muziek van Bach, terwijl het huis zinderde van gezelligheid en
warmte. Wat een verschrikkelijk mooie dood.

Ik teken ervoor, als ik zover ben.
Ik ben blij dat ik over Milo heb gehoord en over hem heb mogen vertellen. Hij
was een mijlpaal in het leven van mijn mensen en mijn aanstaande hondengroep.
Milo. Mooi. Complex. Gloedvol Goud.

Gipsy, deel 1
Vandaag had ik willen vertellen over het vierde blaadje aan het klaverbladroedel
van mijn gezin. De pup. Lewis wordt na twee jaar nog steeds de pup genoemd en ik
denk dat het pas stopt als ik mijn entree heb gemaakt. Er is veel over Lewis te
vertellen. Hij is mijn oudoom, hoewel we maar twee jaar schelen, en hij is
gefokt in de kennel waar mijn puppyren staat. Genoeg stof dus, om over hem uit
te weiden. Maar via Datgene wat mij alles toefluistert, heb ik een heel andere
draai van deze volgorde moeten maken. Want mij is een heel triest bericht ter
ore gekomen over een van de vriendjes.
Terwijl ik lekker knus in de ren lig, nog wat bij mama drink en het gevecht
aanga met een grote pluche knuffelbeer is in mijn aanstaande huis een heel
moeilijk proces gaande. Gipsy, een van de herplaatsers is erg ziek en zoals het
er nu naar uitziet zal ik te laat zijn om hem te leren kennen. Net als met Milo
vind ik dat erg spijtig. Helemaal omdat Gipsy na Miloís overlijden het
estafettestokje van roedeloudste overnam. Ook van hem had ik enorm veel kunnen
leren.
Via mijn sensoren (wat zijn dat eigenlijk, sens oren? Is dat wat ik heb?) kan ik
hem, door dit op te schrijven, misschien toch een beetje leren kennen.

Gipsy kwam bij de baas en vrouw, toen het roedel al uit vier mannen bestond.
Uiteraard Noddy en Duffy, Milo als ranghoogste en de, toen nog half jaar oude
Lewis. Ze hadden inmiddels de boerderij betrokken, er woonden ezels, konijnen en
kippen en er was ruimte voor wat de baas en vrouw zo graag wilden: een opvang
voor oudere honden zoals Milo, die eigenlijk kansarm zijn door leeftijd of
gebrek. Via een berichtje op een forum over Golden Retrievers (vraag me niet
waar ik het nu over heb. Ik weet niet wat een forum is, maar het schijnt met
honden zoals wij te maken te hebbenÖ Ik zal daar vast op een later tijdstip
uitleg over krijgen.) kregen mijn mensen te horen dat er in BelgiÎ een 9 jaar
oude reu in een asiel zat. Hij was goed gezond, mankeerde niets behalve zijn
leeftijd. In dat land worden honden vermoord als ze ouder dan 9 jaar zijn en in
het asiel zitten. Ze hebben er dan geen tijd en geld meer voor over. Gruwelijk,
dat zoiets ons soort nog kan overkomen anno 2009! De directrice van het asiel
had Gipsy tijdelijk in haar huis opgenomen om hem via haarzelf uit te plaatsen.
Hij was te lief om zomaar te laten gaan. Net als met Duffy, net als met Milo,
hoefden mijn mensen niet lang na te denken en was de afspraak om hem te gaan
halen snel gemaakt. Veel over hem wisten ze niet. Hij zou van jongs af aan in
een gezin hebben gewoond met acht kinderen. De jongste bleek ineens allergisch
en daarom werd Gipsy naar het asiel gebracht.
Het was een behoorlijk verre reis in de auto en de pup mocht mee. Hij was altijd
in voor zulke uitstapjes (weer zoiets geks, qua taal. In voor uitÖstapjes. Pff,
geef mijn portie maar aan Fikkie. En wat mag dat dan wel betekenen? Ik zeg wel
dingen omdat iets in mij zegt dat ik ze zeggen moet, maar ik weet niet altijd
wat ik zeg. Nou zeg! Wie is Fikkie? En over welke portie hebben we het?)
Toen ze bij het Belgische asiel aankwamen werden er papieren ingevuld en werd
Gipsy opgehaald. Hij kwam het pad op lopen en de baas en de vrouw wisten meteen
dat hij het was (zoals ze dat zo langzamerhand van mij ook zouden moeten zien..)
en ze wisten ook meteen dat het goed zou gaan. Gipsy was een forse, hoge, mooie
reu met te lange poten, te lange oren en een te lange hals. Hij had een
fijnbesneden, bijzonder lief hoofd. Een innemende oogopslag. Alhoewel van
hetzelfde ras was hij totaal verschillend van de anderen. Als enige van de groep
had hij geen stamboom. En als enige van de groep was hij gecastreerd.
Vermoedelijk al op jonge leeftijd want de manier waarop hij uitgegroeid was,
wees zoiets aan.
Met Gipsy en Lewis erbij kregen de baas en de vrouw een rondleiding door het
asiel en de twee honden liepen vanaf dat moment meteen zij aan zij.
Tijdens de terugreis waren ze al vriendjes. Lewis legde zijn slaperige
puppenkopje op het grote lijf van Gipsy en dat was dat. Er was weer een
vriendschap gesmeed.
Gipsy werd thuis onmiddellijk door alle honden geaccepteerd. Zelfs de felle Milo
viel als een blok voor deze zachtaardige, nimmer op de voorgrond tredende Belg.
Gipsy had geen uitgesproken karakter en dat maakte hem zo uitgesproken. Hij was
naar iedereen toe even gelijkmatig. Lief, aanhankelijk, soms wat op een afstand,
maar altijd de rust zelf. In die zin leek hij nog het meest op Duffy, die senior
laat zich ook door niets of niemand uit het veld slaan. Gipsy kon duidelijk
genieten van alles wat hem overkwam en binnen een paar dagen leek het alsof hij
er altijd was geweest. Lewis was duidelijk zijn favoriet en dat was wederzijds.
Samen ravotten ze volop maar ze konden ook innig warm tegen elkaar aan liggen.
Gipsy was door zijn rustige, stabiele aard een constante factor in het roedel.
Hij mocht dan gecastreerd zijn en wellicht daardoor wat te lief voor een reu,
maar die zachtheid zorgde er wel voor dat mensen die niet zo heel erg veel met
honden ophadden, voor Gipsy een gevoelsmatige uitzondering maakten. Hij had zijn
eigen trekjes. Hij begroette je luid zingend met iets in zijn bek, en zijn
staart had een slingerende kwispel die heel specifiek was. Gipsy kleurde de
achtergrond van de groep.
Tijdens de minuten waarin Milo stierf, lag hij tegen Gipsy aan. Roedelgevoel in
de meest pure vorm. Lewis, de pup, was na die gebeurtenis echt een aantal dagen
flink van streek. Maar op de meest natuurlijke manier nam Gipsy de plaats van
Milo in. Zonder enige twijfel. De groep nam het voor lief en de verhoudingen
waren meteen duidelijk. Er werd niet gegromd of gesnauwd, het was een voldongen
feit. Gipsy was nu de leider en Lewis, als jonge hond volgde hem blindelings.
Misschien was hij blij dat er meteen weer een hogere was, dat maakt het voor een
onderste in rang natuurlijk allemaal wel duidelijk afgekaderd. Ik wil ook dat er
iemand de baas is. Al was het alleen maar om daar lekker tegen aan te kunnen
schoppen als je de grenzen wilt verkennen.
Gipsyís kalme zelfverzekerdheid werd legendarisch. Als er een lekker ruikend
teefje kwam logeren, (o jee, ik zal me ook moeten bergen als ik in die periode
zit) en de mannen deden allemaal druk en pocherig, dan liep Gipsy zonder enig
vertoon tussen de teef en de opdringerige reuen door en maakte daarmee duidelijk
dat hij de baas was. En de teef dus van hem was. Het haantjesgedrag stopte op
zoín moment meteen. De Gips had Gesproken en iedereen hield zich stil. Zijn
leiderschap was nauwelijks waarneembaar. Waar Milo nog wel eens met een grom
Noddy of de pup moest terechtwijzen, deed Gipsy dat op een subtielere manier.
Hij zorgde dat hij als eerste bij de deur was om eruit te gaan. Hij wachtte
rustig af bij het uitdelen van de snoepjes, maar zat dan zo braaf achteraan dat
je hem wel als eerste moest geven. In geen enkel geval maakte Gipsy zich druk om
iets. Stress was een woord dat niet zijn boekje voorkwam. Wat dat betreft had
hij wel een aantal dingen met Duffy gemeen. Hij zou nooit uit zichzelf de
aandacht opeisen maar door te zijn zoals hij was, moest je hem wel aaien, zijn
kop op je schoot laten liggen, zijn warme, zachte blik op je gericht voelen.
Ondanks dat hij graag stoeide met Lewis, was hij over het algemeen een rustige
hond die het heerlijk vond om op zijn kop op de mesthoop te staan, om aan de
waterkant te rommelen. Echt zwemmen deed hij niet maar hij kon wel genietend op
zijn rug aan de oever in de modder liggen rollen.
Hij maakte heel wat mee in de tijd dat hij bij de baas en de vrouw woonde. Maar
alles werd op de bekende, kalme Gipsymanier bekeken en zo regen de maanden zich
langzaam aan tot een Gouden anderhalf jaar.
Ik had al misschien verteld dat Gipsy zoín vreemde manier van lopen had. Alsof
hij vanuit zijn heupen een swingende beweging maakte. Zijn staart hing het
meeste van de tijd naar beneden en alhoewel Gipsy heel goed zijn blijheid kon
tonen, had hij niet de sterk zwiepende staart van de anderen.
Zijn rare loopje werd echter steeds raarder. Tot een paar weken geleden liep hij
op zijn eigen manier uren door, maar ineens had hij duidelijk geen zin meer in
een lange wandeling. Hij ging sjokken en leek steeds onzekerder te worden
naarmate hij verder van huis liep. Hij begon af en toe te struikelen. Hij zakte
soms door zijn achterpoten en kon dan niet meer goed opkrabbelen. Hij leek niet
echt pijn te hebben, maar zijn ongemak groeide allengs meer. Tenslotte zijn de
baas en de vrouw twee weken geleden met De Gips naar de dokter geweest. Daar
kregen ze verpletterend nieuws. Gipsy leed aan een ziekte die zich in verlamming
uit en een fatale afloop heeft.
Terwijl ik dit schrijf is hij er nog. Nog wel. Misschien morgen niet meer, als
de laatste spierkracht hem in de steek laat. Terwijl ik bij mama mijn buikje
rond drink, is zijn buikje pijnlijk rond omdat de spieren van zijn blaas en
darmen niet meer werken. Die van mij moeten nu getraind gaan worden, die van hem
laten het afweten. Zo bitter rond is die cirkel van het leven. Gipsy en ik
schelen 11 jaar en 17 dagen en ik zal nooit in het echt aan zijn oren kunnen
happen. Nooit zijn natuurlijke leiderschap volgen.
Ik moet het met verhalen doen. Die ik nu heb gehoord en opgetekend en die ik
hopelijk van de andere honden zal horen. Ik ga slapen met het besef dat Gipsy er
morgen om deze tijd, als ik weer ga slapen, niet meer zal zijn. Ook al ben ik
een klein pupje met kleine hersentjes, toch vind ik dit heel erg triest en heb
ik er op mijn manier ook een beetje verdriet van.
Gipsy zou een soort opa voor me zijn geweest. In leeftijd had hij net als Duffy
mijn betovergrootvader kunnen zijn. Hij laat geen nakomelingen achter. Zijn
eerste familie heeft, nadat hij bij de baas en de vrouw was gekomen, nooit meer
iets van zich laten horen alhoewel dat wel had gekund en zeer wenselijk was
geweest. Zijn bestaan had kleurloos en nietszeggend kunnen zijn doordat hij zo
gelijkmatig van humeur en zo eenvoudig van aard was. Maar bij de baas en de
vrouw heeft hij een nieuwe, glanzende identiteit gekregen. Hij was hun geliefde
Gips. Natuurlijk Roedelleider. Gipsy 2 en extra melk.
Over het bijzondere roedelgevoel is al heel veel gezegd, maar we raken er niet
over uitgepraat. Er zijn hele boeken over geschreven en wetenschappelijke
onderzoeken naar gedaan en ondanks alle schrijvers en geleerden weten de mensen
er nog steeds niet alles van en blijft het een bijzonder fenomeen.
Dat ondervind ik hier in de puppyren aan den lijve. Daarover straks. In mijn
aanstaande groep, ergens in Friesland, viert het roedelgevoel vanwege Gipsyís
ziekte, hoogtij.
Ik had jullie al verteld van die prachtige dingen die er gebeurd zijn met Milo.
Mijn Stem heeft me het volgende voorgelezen uit een paar berichtjes die de vrouw
schreef op een forum. (Dat ding over honden, waarvan ik nog steeds niets
begrijp.) Deze tekst, alhoewel jullie de strekking van dit gebeuren in grote
lijnen al gelezen hebben in een vorig hoofdstuk, wil ik toch hier nog een keer
oplezen. Omdat de vrouw toen zo exact beschreef wat er gebeurde. En om te laten
zien dat ik als klein puppeltje best al kan lezen! De ik figuur is dus het
vrouwtje, niet ik. IngewIKkeld weer!
ìMilo komt er niet overheen. Hij is nog steeds apathisch, de lichtjes in zijn
ogen zijn gedoofd.. Hij ligt, eet een paar happen uit een vaag instinct, drinkt
ook even lusteloos, ik moet hem de tuin in tillen en dan wil hij plassen om
vervolgens wankelend weer terug te gaan naar de slaapkamer.
Milo is op. Hij kijkt zo in en in vermoeid, het lijkt wel alsof zijn hele
gezicht bleek is geworden. De 48 uur, waarin er een opleving zou moeten zijn,
zijn voorbij.
Dit is geen hondenleven.
We hebben besloten dat we Milo morgen over de Regenboogbrug laten gaan…î
En dan dit:
ìDe andere honden durfden de afgelopen dagen niet de kamer in waar Milo was. Dat
vond ik opmerkelijk. Akelig ook. We probeerden het wel, om te kijken of Milo nog
prikkels had maar er bleef een ijzige stilte en een blanco blik. Vanavond nog
eens Noddy naar binnen geroepen waar Milo lag. Samen met puppy Lewis. Die
stapten nu kwispelstaartend naar Milo toe zonder enige schroom. En ineens leek
het alsof er een muntje viel bij Milo. Zijn kop plots alert opgericht, kijkend
naar Noddy die hem besnuffelde, Lewis die schuddestaartend Milo’s bek likte en
toen de tuin weer in liep….MET MILO ACHTER ZICH AAN…
Milo snuffelde uitgebreid aan nieuwe luchtjes in de tuin, tilde zijn poot stevig
op en ging toen door de andere openslaande deuren de huiskamer in om daar te
gaan liggen. Tussen de anderen, bil aan bil met Gipsy. Daarna heeft hij als
vanouds tijdens het eten zitten bedelen en alhoewel hij verschrikkelijk moe is,
staat hij steeds weer op en doet hij met de anderen mee.
De afspraak morgen gaat niet door. Milo heeft laten zien dat hij zich niet
zomaar er onderdoor laat gaan, onze ouwe vechter. En dat is de hond die een jaar
geleden bij ons kwam, totaal vervreemd van alles wat ook hond was. Hij heeft
geleerd in een roedel te leven, te spelen en is nu over een streep tussen leven
en dood getrokken door het roedelgevoel.

Een soortgelijk gedrag speelt zich ook nu weer af, heb ik van verre vernomen.
Gipsy is de laatste twee dagen niet meer zichzelf en kan het leiderschap ook
niet meer handhaven. Twee van de andere honden zijn ineens op een fanatiekere
manier met elkaar aan het stoeien; alsof ze stiekem onderling al aan het bepalen
zijn wie van hen de boel straks overneemt. Er wordt zelfs op Lewis gerepeld om
hem duidelijk te maken dat hij echt niet hoger in rang komt als Gipsy er niet
meer is.
Ondertussen weet Lewis, Gipsyís maatje van het eerste uur, zich geen raad. Hij
is neurotisch druk, bijt zichzelf een hotspot in de staart, rent onbeholpen
rondjes om alle honden heen en is af en toe volkomen in paniek.
Als hij even met Noddy of de andere honden speelt, gooit hij zichzelf
onderwerpend op de grond.
Gipsy neemt geen deel meer aan het dagelijkse leven in de groep. Het doet hem
niets dat ze eten, drinken of spelen. Voor hem hoeft het niet meer. De honden
negeren hem ook enigszins. Hij wordt al een paar dagen niet in hun spel
betrokken, ze lopen langs hem heen alsof hij lucht is en het lijkt alsof ze hem
links willen laten liggen. Zelfs Lewis, die zo onder de indruk is van de sfeer
in huis dat hij zichzelf kapot bijt, is niet meer zo dichtbij Gipsy als een week
geleden. De twee honden die hun spel verscherpt hebben en er ogenschijnlijk een
andere tint aan geven, doen overdreven hun best om Gipsy de mondhoeken te
likken. Een teken van onderdanigheid in de meest eenvoudige vorm. Terwijl het er
naar uitziet dat juist zij twee straks de strijd om het leiderschap met elkaar
aangaan. Gelaten en minzaam laat de Gipsy die behandeling over zich heen gaan.
Iemand zei ooit over hem: ìGipsy is de meest ruimhartige reu die ik ken..î En
dat is hij eigenlijk in dit stadium nog.
Echt alleen liggen wil hij niet. De vrouw slaapt deze nachten in de huiskamer om
Gipsy te ondersteunen als hij naar buiten wil en om hem schoon te maken als hij
in zijn slaap zijn urine heeft laten lopen. Het drietal mannen dat doorgaans de
nacht in de slaapkamer doorbrengt, blijft onuitgenodigd in de huiskamer bij
Gipsy en deze gaat zo liggen dat hij eigenlijk in het midden van een kring ligt.
Alsof hij zich aan alle kanten geflankeerd wil voelen.
Het zijn hele subtiele, kleine dingen maar het geheel maakt dat de groep lijkt
te beseffen dat er iets gaande is. De enige twee die zich distantiÎren van alle
drukte rondom de doodzieke ranghoogste zijn vader en zoon, Duffy en Noddy.
Noddy speelt als het zo uitkomt met wie maar spelen wil. Of dat nou Lewis is of
de andere twee mannen, Noddy heeft het naar zijn zin en laat in niets merken dat
er iets anders dan anders is. Ja, Gipsy ligt soms een beetje in de weg.
Duffy is helemaal verstoken van enige emotie waar het Gipsyís ziekte betreft.
Voor Duffy is het leven in de groep zoals het is. Er komt een reu bij. Er gaat
een reu weg. Hij kan zich er niet druk om maken. Het is geen kwestie van
onverschilligheid, het is een kwestie van zijn onverstoorbare aard. Hij geeft
echter wel een liefkozende lebber over Gipsyís oor als hij langs hem loopt. Dat
heeft de vrouw in een onbewaakt ogenblik gezien. Duffy vestigt daar geen
aandacht op. Hij doet het en zo is dat.
Het roedelleven is complex voor de mensen, met alle regeltjes en fijne nuances
in het hondengedrag naar elkaar. Daar kom je als mens ook niet tussen en daar
moet je als mens ook niet tussen willen komen. Het is heel lief bedoeld van de
vrouw, dat ze niet wil dat de jongens spelen in de buurt van Gipsy. Ze denkt dat
het beter is omdat hij zo ziek is dat hij rust nodig heeft. Maar dat moet ze
eigenlijk niet denken. Gipsy draait zijn kop wel weg als hij het niet wil.
Het is niet voor niets dat hij toch, ondanks dat hij zijn krachten steeds
sneller voelt verminderen, in de buurt van de andere honden wil blijven.
Ze waren zijn familie van de afgelopen anderhalf jaar. Hij kwam anoniem, alleen,
zonder eigen mensen en hij zal morgen eindigen in het roedel waar hij thuis is
gaan horen. Waar hij zijn eigen plaats heeft gevonden. Waar hij de hoogste was.
Morgen. Als ik dan weer ga schrijven is hij er niet meer. Hij zal nog kort met
de baas mee gaan, het erf op. Naar zijn geliefde mesthoop. Hij zal misschien
naast de vrouw zitten, als ze de rozen voor het volgende jaar plant. Zijn vacht
zal nat worden van de regen. Hij zal door het kind geknuffeld worden,
besprenkeld door haar zoute tranen. Morgen is zijn laatste dag. Misschien snoept
hij een stukje wortel van de ezels. Morgen gaat hij zijn reis maken.
De vrouw, de baas en vooral het kind zijn verdrietig omdat ze hem moeten missen.
Ze zullen zich morgenavond moe en beurs voelen. Want dan is De Gips niet meer.
Alleen de herinneringen aan hem, die blijven levend.
Misschien zal het hun helpen dat ik kom. Dat ik er al een beetje ben.

Ik wil ze graag laten delen in een troostende anekdote, die ook te maken heeft
met dat mooie roedelgevoel. Iets dat ik nu aan den lijve ondervind.
Sinds een paar dagen zijn mijn broers, zusjes, mama en ik beneden. De andere
honden van mamaís groep zijn vol belangstelling voor ons. Dat snap ik wel, we
zijn natuurlijk ook erg leuk en een bijzonder nest. Dat heb ik mamaís vrouw zelf
horen zeggen. Maar nu niet afdwalen, Skye, even vertellen wat je te vertellen
hebt.
Wij zijn dus beneden in de puppyren en de andere honden vinden dat reuze
spannend. Zo ook Oma. Zij heeft natuurlijk al veel kinderen gekregen, maar
blijkbaar kan ze geen genoeg krijgen van kleine puppyís. Geef haar eens
ongelijk. We zijn toch ook ontzettend lief en schattig. Oma heeft al een paar
dagen bij ons in de ren gelegen, heel gezellig en knus. Ze helpt mama met het
schoonhouden van onze vachten. Dat we bij haar wilden drinken, gewoon omdat we
bij alles willen drinken dat maar warm is, was voor Oma een teken om ons
tegemoet te komen. En zoals dat in een wolvenroedel gaat, gebeurde hier ook zo.
We drinken lekker melk bij mama en bij Oma. Ze heeft net genoeg melk om ons dat
kleine beetje extra te geven. Puur natuur. Omaís instinct werkt op volle toeren
en wij plukken daar de vruchten van. Om het maar eens beeldend uit te drukken.

Lieve Gipsy, ik zal je niet meemaken maar ik zal mijn leven lang met je te maken
hebben. Omdat je door blijft bestaan in de harten van onze mensen. Omdat jij jij
was. Omdat je een onuitwisbare indruk achterlaat. Omdat je regeerde met zachte
maar aanwezige poot. Bescheiden, melancholiek, innemend en eenvoudig. Die
eigenschappen tekenden je. Dank je wel voor je inzicht in de roedelleer. Jij kan
niet vergeten worden. Lewis, het vierde klaverblaadje.
Doordat Gipsyís overlijden zich vrij onverwacht aandiende, heb ik niet bepaald
de chronologie van de roedelvorming in mijn nieuwe huis kunnen volgen.
Want eigenlijk kwam, na Milo, Lewis als pup bij onze mensen. Ze wilden heel
graag weer een pupje, een reu die misschien op latere leeftijd gezond en mooi
genoeg was om de genen van Opa Duffy door te geven. Sinds Duffy ziek is geweest,
was dat een grote wens van de baas en de vrouw geworden. Om hun doel te bereiken
hebben ze Noddy op zijn gezondheid laten controleren en hij heeft die
onderzoeken met glans doorstaan. Daarna is Noddy regelmatig de showring in
geweest, met veelal mooi resultaat. Noddy was zeker geen kampioenshond, maar was
uiterlijk goed genoeg gebleken om een keer als dekreu gevraagd te worden. En zo
gingen de baas en de vrouw helemaal naar Brabant, een dag voor Kerstmis, om
Noddy te laten kennis maken met zijn voorbestemde verloofde. Een lief teefje met
een mooie stamboom. Er was echter van beide kanten geen echte liefde op het
eerste gezicht. Ook de keer daarna niet, ditmaal op eerste Kerstdag. Onder het
genot van een grote Kersttaart werd door de mensen besloten dat Noddy de rest
van de Kerstdagen zou gaan doorbrengen bij zijn verloofde in BelgiÎ. Daar, in
alle rust, heeft hij zijn taak uiteindelijk goed volbracht. Negen weken later
werden hun vijf dochters geboren. Helaas waren er drie, die het niet gered
hebben. Geboren worden is ook een kunst, daar kan ik over meepraten! Wij hebben
het tenslotte pas vier weken geleden zelf gedaan. En wij zijn allemaal gezond en
wel, maar er kan genoeg mis gaan tijdens een geboorte en daarom is het best
bijzonder dat we er zijn.
Noddy was dus vader van twee dochters, de enige twee nakomelingen die Noddy
heeft. Omdat er geen reu bij zat, besloten de baas en de vrouw dat ze op zoek
zouden gaan naar dochters van Duffy, die mogelijk voor een kleinzoon konden
zorgen. Net als de fokkerspeurtocht in de tijd dat ze Noddy wilden uitzoeken,
was ook deze reis door Kennelland een avontuur. Uiteindelijk vonden ze een
aantal fokkers die mooie halfzusjes van Noddy herbergden. Een van die kennels
had een teefje, waar de vrouw onmiddellijk voor viel toen ze de fotoís zag. Ze
zou gedekt gaan worden door een fraaie reu. De vrouw hoefde niet lang na te
denken, (wanneer doen ze dat eigenlijk wel, als het om een roedelvergroting
gaat?) en ze schreef de fokkers aan. Die wilden graag eerst kennismaken, net
zoals de fokker van Noddy dat destijds ook belangrijk vond.
Het klikte prima. Het begin van een nieuwe vriendschap was gesmeed. Daardoor
kwamen mijn mensen op de wachtlijst bij de kennel ìSilence Dreamî om hun stille
droom werkelijkheid te laten worden.
Ze werden door de fokkers intensief op de hoogte gehouden van elke ontwikkeling
rondom Duffyís dochter. Haar loopsheid, de dekking, de eerste weken van haar
dracht. Het was een verwachtingsvolle, spannende tijd voor de mensen. De drie
honden, Noddy, Duffy en Milo waren inmiddels een hecht drietal geworden en
bleken uitgebalanceerd genoeg om met zijn drietjes een gezinsuitbreiding aan te
kunnen.
Op dierendag 2007 werd de stille droom omgetoverd tot een schel gepiep. Tussen
vier zusjes werd hij als enig reutje geboren, Silence Dream Inspector Lewis. Het
vierde blaadje aan het geluksklavertje van de baas en de vrouw. Een aanwinst bij
de andere drie gouden mannen. Een prachtig fluwelen mini Golden Retrievertje.
Eigenlijk zoals ik. En mijn broertjes en zusjes. Wij zijn ook zulke schattige,
lieve puppies, dat heb ik zelf horen zeggen en ditmaal niet van mijn Stem.
Volgens mij was het mijn peetvader, de baas van mama, die dat zei. Het doet er
niet toe, Lewis was net zo schattig als wij nu zijn.
Hij groeide op tot een mooi hondje met een zacht, gevoelig karakter. Toen hij
naar huis mee mocht, naar zijn nieuwe roedel, pinkten zijn peteouders een
traantje weg en moest de vrouw beloven dat ze heel goed voor hem zouden zorgen.
Dat zullen ze bij mijn vertrek ook moeten beloven, daar ben ik van overtuigd. We
zijn niet zomaar hondjes, we zijn Silence Dream puppies en dat schept
verplichtingen voor onze nieuwe baasjes en vrouwtjes.
Zo onstuimig en stuiterend als Noddy was in zijn puppentijd, zo gemakkelijk en
leergierig was Lewis. Hij gedroeg zich in alle omstandigheden voorbeeldig en
leerde allerlei verschillende situaties kennen. Hij ging af en toe samen met
Milo mee in de auto naar het nieuwe huis, terwijl Noddy en Duffy het oude huis
bewaakten. Zo leerde hij al snel in de auto te rijden.
Lewis werd door alledrie de oudere honden op poten gedragen. Noddy speelde heel
voorzichtig met het kleintje, Duffy liet hem dicht tegen zich aan slapen en had
een merkwaardige houding aangenomen als ze naar buiten gingen. Hij liep dan
naast zijn kleinzoon met zijn kop en zijn staart naar hem gericht, alsof hij hem
wilde beschermen. Milo was, als ranghoogste, de hond die de pup met zachte dwang
respect bijbracht en hem leerde wat van hem was en wat niet van hem was.
De eerste weken thuis heeft Lewis al veel van de wereld gezien. Hij heeft in een
fietsmandje gezeten, op weg naar een tuincentrum, hij heeft op de arm aan koeien
geroken, hij is in de trein geweest, in de dierentuin, in een theater tijdens
een circusvoorstelling, waar het naar wilde dieren rook. Hij heeft een applaus
van zestien honderd handen gehoord zonder daar van wakker te liggen.
Lewis sloopte geen dingen, maar was wel grappig inventief om dingen uit te
zoeken of op te lossen. Zo ging hij regelmatig via het kattenluikje naar buiten,
totdat zijn koppie te groot was en hij op een keer bleef steken. Omdat die
manier niet meer lukte, leerde hij zichzelf aan om vriendelijk doch dringend met
een poot tegen de deur te kloppen. Dat doet hij nog steeds als hij naar buiten
wil.
Net als Noddy heeft Lewis maar een korte tijd in de bench geslapen. Dat had niet
te maken met het feit dat Lewis niet wilde, maar dat kwam voornamelijk doordat
ze, een maand na zijn entree binnen de groep, al naar het nieuwe huis
vertrokken. De eerste nachten daar sliep Lewis op een kussen in de kamer bij
zijn grote vrienden. En omdat hij dat zo goed deed, hoefde hij niet meer in de
bench te slapen. Die is naderhand alleen nog maar gebruikt om een zieke kat in
te vervoeren. Lewis leerde al snel dat er in hun nieuwe omgeving ook andere
dieren waren dan alleen honden. Er waren grote kippen, groter dan het kleine
hondje was. De katten waren mee. Er kwamen vreemde, grote dieren met lange oren,
die een belangrijk onderdeel van het leven op de boerderij werden. Lewis werd
door hun zachte, trillende neuzen besnuffeld en wende zodoende aan hun
aanwezigheid. Zijn opvoeding ging bijna vanzelfsprekend. Hij ging als klein
pupje al mee naar grotehondenlessen met Milo en heeft samen met Noddy
speurlessen gevolgd. Alles deed hij met een haast volwassen gemak. Ook als puber
was Lewis een heerlijke vent, volgens de vrouw. Niet door hormonen geplaagd, was
hij in staat op een weekend lang samen met Noddy in een huisje met twee teefjes
te logeren. Waarvan er een bijna loops was. Dat was sowieso een bijzonder
weekend, heb ik gehoord. Want daar waren wel veertig Golden retrievers, allemaal
bij elkaar. Het was een weekend van het forum. Daar heb je weer dat rare woord,
dat ding waar ik nu zo langzamerhand het fijne wel eens van zou willen weten.
Met dat forum waren al die honden bij elkaar en Lewis gedroeg zich ook daar als
een prima opgevoede, brave jonge hond.
Hij is nu, terwijl ik dit schrijf, een volwassen reu. Hij lijkt op zijn mooie
vader en moeder. Hij is lenig, gespierd, diep goud van kleur. Aanhankelijk,
uiterst gehoorzaam, leergierig en rustig maar erg gevoelig voor sfeer en
veranderingen. Vrolijk van aard en een allemansvriendje zowel voor honden als
voor mensen.
Lewis is een roedelkind dat af en toe extra aandacht alleen nodig heeft om niet
al te afhankelijk van zijn groep te worden.
Toen Gipsy bij hen kwam, had Lewis hem al tijdens de autorit naar huis als
vriend opgenomen. Nadat Milo zo plotseling overleed, was Lewis een paar dagen
ernstig van streek omdat zijn leider er niet meer was. De vrouw werd twee weken
in het ziekenhuis opgenomen, en Lewis was haar kwijt en zichzelf. Hij bleef haar
maar zoeken en was onrustig. Hij week geen moment van haar zijde, toen ze
eenmaal weer thuis was. Lewis is op zijn best als iedereen er is, als hij zijn
eigen dingen met de vrouw kan doen en dan weer fijn naar zijn hondenvrienden
mag.
Over een paar weken ga ik hem zelf leren kennen. Ik heb begrepen dat hij heel
erg lief is met puppyís en ik verheug me erop om met hem te spelen en bij hem te
zijn. Hij is eigenlijk mijn oudoom: de zoon van mijn overoma. Familie, dus.
Kennelgenoot. Hij heeft zijn eerste weken, net als ik, in de liefderijke
omgeving van onze peetouders doorgebracht en het kan zomaar zijn dat juist die
eerste weken hem tot zoín geweldig hondje hebben gevormd. Of het is simpelweg
onze stamboom, die voor deze mooie karaktertrekken zorgt? Wie zal het zeggen? Nu
ben ik nog te klein om al een duidelijk omlijnd karakter te hebben en dat is
heel handig in deze vertelperiode. Want zo bijdehand als ik klink, mijn Geest
citerend, zo ben ik niet echt. Dat is voor nu nodig maar als deze kroniek klaar
is zal mijn ware aard pas tevoorschijn komen. Mama, oma en onze peetouders
kunnen nu nog niets zeggen over hoe we zullen worden. We zijn net een weekje in
de puppyren en zullen over twee dagen pas kennis maken met veel mensen, onze
aanstaande baasjes. Die geen van allen weten wie van ons bij hun gaat wonen.
En dan nog even iets over dat gekke woord. Forum. Ik heb, na een lekkere slobber
vlees en warme melk van Oma als toetje, toch eens even bij mijn Geest
geÔnformeerd wat dat eigenlijk is en wat ik daar mee te maken ga krijgen. Het
schijnt niet eng te zijn. Het is een groep mensen die dol zijn op ons ras. Ze
hebben allemaal tenminste een Golden Retriever. Sommigen, zoals mijn peetouders
of mijn aanstaande gezin, hebben een groep. Ze delen hun belangstelling en hun
liefde voor ons, via verhalen op de computer. Sommige van die baasjes zijn,
doordat ze heel veel over hun honden vertellen, een vriendschap met elkaar
aangegaan. Zoals ik al in een van mijn eerste episodes aangaf, schijnt
vriendschap voor mensen een heel belangrijk onderdeel van hun roedelleven te
zijn. Je moet goed gesocialiseerd zijn om een vriendschap te kunnen opbouwen.
Zoiets schijnt het te zijn.
Al die mensen, die dus allemaal even graag over hun Golden vertellen, vormen een
enorm groot roedel. Op de computer. Vraag me niet hoe dat kan. Ik heb het maar
van horen blaffen. Dat computerroedel wordt dus het forum genoemd. Soms gaan ze
in het echt met een deel van de groep en de honden naar een leuke plek om te
wandelen. Soms gaan ze zelfs een paar dagen weg, zoals dat weekend waar Lewis en
Noddy bij waren. Er gaan ook vaak groepen naar een show, waar ze elkaar en hun
honden in het echt zien.
Maar voornamelijk spelen hun sociale contacten zich dus op de computer af. Dat
vind ik, voor zover ik dat als pup kan zeggen, wel een grappig fenomeen.
Dat forum schijnt erg handig te zijn als er vragen zijn over onze opvoeding, ons
eten, onze gezondheid en zo. De een kan vragen en dan is er vaak minimaal een
ander die kan antwoorden. Er zijn ranghoogsten, die zorgen dat het forum schoon
blijft en dat er niet gegrauwd of gesnauwd wordt naar elkaar. Er zijn senioren
en puppyís, mensen die net komen kijken of er al jaren schrijven.
Misschien dat ik, als deze kroniek af is, ook wel op het forum mag als Eerste
Schrijvende Teef met een Missie. Maar misschien is het uitsluitend voor mensen.
Dat heb ik niet helemaal begrepen van mijn Stem.
Wat ik wel weet is dat ik verschrikkelijk moe ben. Het verhaal van Lewis was
lang, terwijl hij de jongste van allemaal is. Ik ga me fijn tegen een broer of
zusje aankrullen en morgen zien we wel verder. Over twee dagen zie ik mijn
mensen weer. Ik ben benieuwd of er een spoortje van herkenning bij hen zal zijn!
Over bezoek en logees.
Het was druk rondom de puppyren, vandaag. Er waren veel mensen, die ons allemaal
even leuk vonden. Ik hoorde iemand zeggen dat ze mij het mooiste vonden en dat
is natuurlijk bijzonder vleiend. Ik heb me wijselijk stil gehouden. Het is fijn
om te weten dat er mensen zijn die me nu al zouden uitkiezen maar mijn
aanstaande gezin weet nog niet dat ik bij hen ga wonen. Dus ik heb ook helemaal
niets aan iemand laten merken. Ook mijn Blauwe Broertje is erg in trek, want er
waren wel zeker vier mensen die hem de leukste vonden. Iemand zei dat ze de
donkerste van allemaal wilden. Dat vond ik grappig. Nu zijn we nog licht van
vachtkleur, maar wacht maar als we twee jaar verder zijn. Dan kun je echt wel
over Golden Retrievers spreken. We zijn niet voor iets door onze peetouders op
de wereld gezet! Die weten heus wel hoe een Golden Retriever eruit moet zien.
Een van mijn broertjes ging, terwijl hij een publiek van zeker zes koppen had,
uitgebreid op zijn rug liggen met zijn pootjes in de lucht. Toen hoorde ik door
al het geraas van de mensen het zware ìhohohoîgeluid van mijn baas. ìKijk, dat
is het Duffy gedrag. Het zit er toch echt in..î zei hij vertederd om die malle
broer van me. Ik had even de neiging om zelf ook op mijn rug te gaan liggen
rollen. Dan zouden ze me misschien herkennen: ìKijk, dat teefje doet haar
overopa na..Dat is vast SkyeÖî zou er gezegd worden. Maar ik liet het moment
voorbij gaan omdat we vlees kregen onder de priemende blikken van onze
aanstaande gezinnen. Iemand vergeleek ons met de dierentuin. Daar stroomt ook de
omgeving van de hokken vol met publiek als het voerdertijd is. Later werd mama
erbij geroepen zodat de mensen ook konden zien (en horen) hoe we knorrend de
warme melk als toetje na ons vlees nuttigen. Het was een spannende, drukke dag
voor ons maar ik kan met trots zeggen dat we het allemaal goed doorstaan hebben,
deze eerste kennismaking met al onze mensen.

Jullie hebben als lezers op jullie beurt inmiddels kennis gemaakt met Noddy,
Duffy, Milo, Gipsy en Lewis. Resteren er nog twee uit de vaste groep. Daarnaast
waren er in de loop van de tijd ook anderen. Logeetjes en herplaatsers die maar
heel kort bij de baas en de vrouw waren. Ze komen ongetwijfeld allemaal aan bod
want ik krijg nog steeds van alles door mijn Hogere Macht ingegeven.

Ik ben niet de eerste teef die in het roedel is geweest. Er zijn vaker
Goldenvriendinnetjes van de mannen geweest. Een lieve, bejaarde
Veteranenkampioen die samen met mijn overopa kon kuieren, terwijl haar
pleegdochter met Lewis de tent wilden afbreken.
Maar ook een klein zwart wit teefje dat tussen de grote jongens heenzwiept. Zij
gaat vrij regelmatig logeren bij mijn gezin en ik zal haar dus later ook zeker
tegenkomen. Ze is niet van ons soort. Ze is zo klein dat ze onder de poten van
de jongens kan doorlopen en ze heeft een lange staart. Dat lijkt mij wel erg
grappig. Misschien kan ik eens met die staart spelen, net zoals ik dat met die
van mijn zusjes doe. Alleen schijnen sommige honden dat niet zo leuk te vinden.
Dat zien we dan wel weer!
Mijn tante Liesl heeft als vier maanden oud hondje ook een keer bij mijn mensen
gelogeerd. De vrouw heeft daar het volgende over geschreven:

ìNa al het oude-reuen-geweld van de afgelopen tijd met alle verdriet en zorg dat
daarmee gepaard ging, is ons hondenhuis nu tijdelijk verblijd met een jong
teefje. Een logeerpupje, wel te verstaan. Het nichtje van onze jongste hond. Een
heel fragiel puppepoppetje, maar vergis je niet in haar zo ogenschijnlijk
verlegen voorkomen. Dit dametje weet heel goed wat ze wil en hoe ze onze grote
sullen van mannen om haar kleine pootje kan winden. Nauwelijks vier maanden oud
en nu al een dame.

Ze heeft vanaf de eerste avond besloten dat ze het alleenrecht heeft op de plek
naast onze oudste hond. Opa, of zoals we dat op zijn Fries tegenwoordig moeten
zeggen: ìPakeî heeft dan wel ruim 200 nakomelingen, maar hij is nooit erg
gecharmeerd geweest van puppen. Hij tolereert ze, maar dat is een onderdeel van
zijn relaxte aard. Hij tolereert alles ook al heeft hij er niets mee. Deze oude
reus heeft ñ zolang als wij hem kennen- nog nooit een lip opgetrokken naar een
andere hond, nog nooit een grom gegeven. Zelfs niet ter correctie van het
jongere spul. Hij heeft dat niet nodig. Als iets hem irriteert, en dat kan nog
wel eens een speelse pup zijn die aan zijn oren of staart wil hangen, dan staat
hij stil. Negeert met een grote hoofdletter. Draait zich hooguit afwezig om,
laat vooral niets merken van zijn irritatie. Gewoon helemaal niets. Soms zou ik
maar een flauw stukje van zijn onverstoorbaarheid willen hebbenÖ wat zou ik me
minder vaak opwinden over dingen die het niet waard zijn om je over op te
winden!
Maar goed, deze rots in woeste tijden is dus niet zo weg van dat drukke
puppenspul. En uitgerekend bij hem gaat het kleintje liggen. Onbevangen. Dicht
tegen zijn warme, grote lijf aan. Elke avond weer. Een feest om stilletjes in je
op te nemen. Zij heeft haar plekje gevonden. En hij slaapt onbewogen verder.
Tijdens het spelen met haar neefje laat puppekind zich goed gelden. Willen wij
het nog wel eens afbreken omdat het er te ruig aan toe gaat en zij tenslotte nog
maar een heel klein hondje is dat zo onder de voet gelopen wordt door onze lompe
puberÖnee, mevrouw keft net zolang haar hoge meidenblafje totdat neefje een
beetje ongelukkig onze kant op kijkt: ìIk wil wel stoppen, maar ja, ze blijft me
maar roepenÖî
De jongedame is ook niet bepaald bang voor de ezels, terwijl die toch torenhoog
boven haar uit steken. Steeds als ze langs hen loopt, dan staat ze stil, met
alerte oortjes naar voren, kijkend, zwiepstaartend. Als er dan eindelijk een
ezel zijn snuit door het gaas steekt, snuffelt ze aan die grote neus en wil er
het liefst met een poot tegen tikken. Het hooi in de ezelstal, samen met een
hapje mest, is ook wel bijzonder aantrekkelijk. Om het nog maar eens niet over
de kippen te hebben. Eigenlijk fascineren die haar het meest. Ze zijn groter dan
zijzelf is maar tegelijkertijd lijken ze hapklaar. Een leuk stuk vreten. Onze
vorige logeerhond had precies datzelfde idee. Misschien is dat des teefs. Wij
zijn daar natuurlijk niet zo mee bekend, maar constateerden wel dat geen enkele
van onze heren hond ooit meer dan gelaten interesse toonde voor het pluimvee.
OkÈ, de puber is er wel eens achteraan gegaan maar dat kwam omdat wij het hek
open hadden laten staan en die grote waggelbeesten zo grappig voor hem uit
renden met klapperende vleugels. Dat kun je als jonge hond toch niet aan je neus
voorbij laten gaan. Maar dat was wat onze reuen betreft de enige
kippen-encounter.
Om de kleine dame wat stadse geneugten bij te brengen, is ze mee geweest met de
trein naar Zwolle. Al haar bravoure op het erf en bij haar eigen soort viel in
het niets bij de beleving van De Grote Wereld. Waar mensen vertederd door de
knieÎn gaan om dat aandoenlijk zachte kopje te aaien. Waar autoís rijden en
fietsers langs zoeven. Waar je bij elke oversteek eerst moet wachten en zitten.
En dan die trein. Eigenlijk erg interessant, de zwarte kraaloogjes waren
voortdurend waakzaam en oplettend. Al dat geschud en gebrom, dat gefluit (ja, we
hadden een stoptreinÖ) en weer langslopende mensen. Omdat ze nog zo klein is kon
ze in mijn tas liggen op de stoel naast me en heel af en toe dutte ze wat. Maar
als er dan een conducteur kwam of een andere trein passeerde was ze klaarwakker
en keek nieuwsgierig rond. De rest van de middag was ze bekaf van al die
indrukken.
Over een week is ze alweer weg. Dat we een paar dagen later een eigenwijze
teckel te logeren krijgen, zal niets afdoen aan de leegte die dit pupje zal
achterlaten. Als ons eerste teefje zullen we haar missen. Maar we weten waar ze
woont en we zullen haar in de toekomst ongetwijfeld blijven zien.
Bovendien woont haar broertje in het dorp hier 5 kilometer verderopÖ en wie weet
willen zijn baasjes ook wel eens op vakantie!î

Dat was Tante Liesl, toen ze nog klein was. Omdat mijn aanstaande gezin en
roedel zo dol op haar waren, kun je bijna wel aannemen dat ze mij als teefje
binnen de groep ook graag zien. We hebben wat dat betreft een streepje voor.
Trouwens, ook Oom Midas, Lieslís broer, is een tijdje bij mijn mensen geweest
maar dat was iets langer dan een logeerpartijtje. Hij heeft er wel drie maanden
gewoond! De reden was niet zo leuk, maar hij heeft het er wel naar zijn zin
gehad.
Het is gewoon een erg leuke familieÖ mijn tante en oom. Ook dat zit in onze
genen, ja, ik krijg van alle kanten leuk en mooi in me.
Over oom Midas is ook een stukje geschreven en dat zal ik hier, op aanraden van
mijn Stem, integraal overnemen. Want iedereen moet een zo compleet mogelijk
beeld krijgen van de plaats waar ik naar toe ga. Ikzelf niet in de laatste
plaats. (Overigens ook weer zoín ingewikkeld stuk mensentaalgebruik.) Goed, het
verhaal over Oom Midas, dus.

ìSinds januari is ons zeskoppige roedel Goldens tijdelijk versterkt met een jong
ventje. Een pubertje met de daarbij horende streken; stoutigheidjes, dwarse
buien en heel, heel veel energie.
Ondanks dat Lewis, onze jongste hond, nauwelijks een half jaar ouder is lijkt
hij toch al wijzer en rustiger. Samen hebben de hondjes het geweldig. Er wordt
elke dag wel een stuk of tien keer een robbertje geknokt, weliswaar op de
bekende vriendelijke Goldenmanier, maar toch met vervaarlijk blikkerende tandjes
en heftig gegrom.

Ook het achter elkaar aan jakkeren met een stok of een bal of wat er dan voor
tanden is, is een dagelijks terugkerend ritueel. Midas, het logeetje, doet in
kracht niet onder voor Lewis. Maar als Lewis er genoeg van heeft, is het spel
klaar. Lewis draait zich om en Midas begrijpt de boodschap.
Die probeert dan nog even langs alle andere honden te gaan om te kijken of er
niet nog eentje een spelletje met hem wil doen. Maar zeker de oudere honden
wijzen hem af. Zuchtend gaat Midas dan op zoek naar ander speelgenot. Een
kartonnen doosje, een takje uit de tuin. Als dat niet voorradig is gaat hij
licht mokkend op een kleedje voor zich uit staren.

Hij is intelligent. Als er snoepjes worden uitgedeeld zit iedereen netjes op een
rij, Midas vooraan. EÈn voor ÈÈn krijgen ze een lekkertje en snel kauwt hij de
zijne op om vervolgens achteraan in de rij te gaan zitten: wie weet valt er nog
een extraatje! Hij heeft ook onmiddellijk door wanneer Bert zijn lunch
klaarmaakt en af en toe met zijn hoofd niet bij de boterhammen is. Midas is er
dan wel met zijn kop bij, maar ook met zijn snoetje. Staat geleund op twee
pootjes op het aanrecht en vangt Bertís lunch alsof het een prooi is.

Dit hondje kent geen enkele vrees en heeft geen natuurlijk aangeboren angst voor
bedreigende situaties. Hij kan door de voordeur ontsnappen, het erf op en luid
blaffend, met opgeheven staart, de ezelwei in rennen om te willen spelen met de
langoren. Die zien hem niet als speelkameraadje maar
als-iets-dat-er-niet-hoort-te-zijn, dus vinden ze dat het verdreven moet worden.
Het gebeurde al een paar maal dat Igor, de jonge ruin, achter het hondje
aanrende om hem eens stevig een knauw te geven. Maar Midas is wendbaarder en is
zijn ezelstraf steeds ontlopen.

Ook presteerde hij het om naar de enorme New Foundlander reu van de buren te
gaan blaffen en hem met een onbezonnen jongensstem toe te voegen dat hij Heus
Niet Bang is voor hem. Wij waren dat echter wel, want als de zwarte beer ergens
een hekel aan heeft, dan zijn het onbezonnen jongens die hem wel wat willen
vertellen. Met zijn ruim zeventig kilo kan hij zo door de omheining breken om
die kleine, blonde blaag eens een lesje te leren. We willen dat niet meemaken,
dus lokken we Midas met veel koekjes, hoge paaistemmetjes en veel geroep over
ìBraafî en ìGoed zoî bij de gevaarlijke schutting weg.
Behalve geen vrees kent hij ook geen rem. Midas rent achter een koppel vliegende
eendjes aan, zo hard hij kan. Dat hij dan in het water valt, ach, dat is een
bijkomstigheid. Even schudden en je vacht is weer droog.

Af en toe komt hij op een holletje de kamer in en springt op de bank. Of op een
hond die op de bank ligt. Of op twee honden en een mensenschoot op de bank. Dan
nestelt hij zich en legt zijn lieve, aandoenlijke koppie daar waar het warm is.
Alle honden laten toe dat Midas tegen ze aankruipt of bovenop hen gaat liggen.
Alsof ze denken: ìDan gaat hij tenminste slapen.î Hij kan innig tevreden tegen
ons aanzitten, met een gezichtje waarop te lezen staat dat hij blij is met het
leven. Door de ogen van Midas is de wereld een lentefestijn vol plezier.
Als hij over een paar weken naar huis gaat, zullen de honden opnieuw hun plaats
in het roedel moeten bepalen, want met zoín jonge, energieke knul zijn de
verhoudingen een beetje verschoven. Voornamelijk omdat Midas zich niets aantrekt
van de rangorde zoals die was toen hij kwam. Gipsy, de absolute leider van het
stel tolereert de kleine en corrigeert hem zo nu en dan, maar Midas wordt daar
niet koud of warm van. Zou hij bij ons blijven, dan is het niet ondenkbaar dat
hij op een bepaald ogenblik de leiding over zou gaan nemen als jonge, sterke
opvolger van de ouder wordende chef. Daarbij zou hij Lewis ongetwijfeld voorbij
streven.
Maar hij blijft niet. Het zal stil zijn zonder dit vrolijke ventje. Ik zal hem
missen. Gelukkig woont hij een paar dorpen verderop en zullen we hem nog
geregeld kunnen knuffelen. Want dat is misschien wel het leukste aan Midas zijn
onstuimige karakterÖ dat hij zoín heerlijke knuffel is.î
Naar ik heb begrepen van mijn Geest, komt Oom Midas nog herhaaldelijk spelen en
logeren. Daar kan ik me op verheugen. Hij is vast een echte speeloom en daarvan
kun je als jonge hond niet genoeg van hebben!Chico de tweede.
Vandaag pak ik de chronologische draad van de Oudehornse Roedelvorming weer op.
We naderen langzaam de basis van de groep, waarmee de kennel over een paar weken
van start gaat. Pas als ik er ben, natuurlijk, maar dat snapt iedereen. Geen
Skye is geen kennel, zo simpel is dat! Ik ben goed uitgerust van het bezoek van
gisteren, de Geest heeft me vannacht weer toegesproken, dus ik kan er volop
tegenaan. Heb vandaag helemaal geen schrijfsels van de vrouw nodig om mijn
verhaal te doen, ik kan het lekker zelf.
Het gaat vandaag over Chico. Chico de tweede.

Na het overlijden van Milo en de logeerpartij van Tante Liesl was de zomer van
2008 flink gevorderd. Er waren tussentijds twee andere senioren geweest,
waarover ik nog zal vertellen. Jaco, een hond van ruim twaalf jaar met een
verschrikkelijk verleden en Oskar, een dertienjarige senior, die het leven in
een groep zoals bij mijn mensen, niet aankon. Toch zullen de lezers kort met hem
kennis maken in een ander hoofdstuk. Tenslotte heeft ook hij geroken aan het
leven op de boerderij.
Het roedel bestond na zijn vertrek uit Noddy, Duffy, Lewis en Gipsy. Er was
onderling een prima verstandhouding, Gipsy had de edele taak van het
Roedelbeheer overgenomen en de zeer natte zomer kleurde tot een zonniger en
vooral drogere herfst.
Tot dan toe waren de herplaatsers steeds uit dierenasiels of van een aankoop,-
en verkoopwebsite bij mijn mensen gekomen. Tijdens de logeerweek van Tante Liesl
zag de vrouw dat er een achtjarige hond aangeboden werd via de vereniging waar
Golden Retriever eigenaren lid van zijn. Net als met Gipsy zag de vrouw de foto
en was meteen overtuigd dat deze hond bij hen zou moeten komen. Liefde op het
eerste gezicht, wordt zoiets door de mensen soms genoemd. Het had met zijn grote
kop te maken. Helemaal snappen doe ik dat niet maar ik kan niet alles even goed
begrijpen natuurlijk, anders valt er later niets meer te leren.
Chico, ja zo heette hij nou eenmaal, woonde op dat moment sinds een paar weken
bij een oude mevrouw in Amsterdam. Hij was herplaatst omdat zijn eigen baasje
ernstig ziek was geworden en zijn vroegere bazinnetje niet meer voor hem kon
zorgen. Dat baasje en vrouwtje hadden hun roedel opgebroken, dat schijnt bij
mensen nogal eens te gebeuren. Daarom was Chico naar Amsterdam verhuisd. De oude
mevrouw was zich heel snel aan de hond gaan hechten maar hij was zo sterk dat
hij haar door heel Amsterdam sleurde en dat was niet bevorderlijk voor haar
broze botten. Haar kinderen vonden dat ze beter een klein teefje in huis kon
nemen in plaats van deze sterke beer.
Na een paar dagen heen en weer telefoneren, mochten de baas en de vrouw Chico
gaan ophalen. In een ruime benedenwoning in de grote stad, woonde een kleine,
breekbare maar heel erg kordate dame van ver in de tachtig. Om haar heen
banjerde een enorme, goudkleurige reu. Zijn kop was inderdaad groot en zeer
markant. Hij had merkwaardig lichtgouden, sprekende ogen met dikke, zwarte
randen eromheen. Zijn oren leken iets te klein voor zijn zware hoofd, maar
daardoor hadden ze iets weg van de oortjes van een beer. Hij paradeerde door de
huiskamer rond met een knuffel in zijn bek en ging dicht tegen de oude vrouw
aanzitten, toen de koffie op tafel stond. Ze vertelde hoe dol ze was geworden op
deze reus. Dat zijn baas had gehuild toen ze hem had opgehaald. Dat het een
bijzondere hond was maar dat ze hem niet op een goede manier kon uitlaten. Twee
weken lang had ze het geprobeerd, maar het lukte niet. Chico was te sterk voor
haar. De vrouw en de baas beloofden har dat ze altijd naar hem mocht komen
kijken en dat ze haar op de hoogte zouden houden van zijn leventje bij hen.
Tussen de andere honden. Iets wat Chico niet gewend was.
Hij had diverse cursussen met zijn oude eigenaar gedaan en was binnen zijn
sociale contacten prima gezelschap, maar aandacht, speelgoed en lekkers delen
met andere honden, dat kende hij niet. Niet zo vreemd natuurlijk. Veel honden
wonen alleen bij hun mensen en krijgen dan uiteraard de onverdeelde aandacht.
Dat was met Milo het geval geweest, met Gipsy en nu met Chico.
Tot nu toe was dat, behalve met de stokoude Oskar, bij geen enkele hond een
probleem geweest. Milo en Gipsy waren echte roedelhonden geworden en iedereen
verwachtte dat ook Chico zich daarin snel zou aanpassen.
Chico was, behalve dat hij groot en sterk was en een uitgesproken gezicht had,
een prachtig gebouwde hond. Aan alles zag je dat hij uitermate goed gefokt was,
in tegenstelling tot Gipsy en Milo. Toen de vrouw zijn stamboom bestudeerde
ontdekte ze dat hij van een kennel kwam, die vaak met Duffy gewerkt had. In de
voorouders van Chico zaten hele mooie, klassieke lijnen.
Chico had zijn tijd nodig om te wennen in de groep. Vooral met Lewis had hij in
het begin een paar keer blaffende woorden en dat had rechtstreeks te maken met
speelgoed. Een tak, een bal, de heren wilden het alle twee tegelijk en Chico
tolereerde niet dat de jonge hond daar aan kwam. Het was heel duidelijk dat
Gipsy bovenaan bleef staan. Chico had diep respect voor de oudere man en durfde
niet in de buurt van hem te komen als Gipsy speelgoed had.
Dat was heel merkwaardig in zijn gedrag. Aan de ene kant leek hij, vooral naar
Lewis toe, behoorlijk dominant uit de hoek te komen maar als de baas of de vrouw
hun stem maar enigszins harder lieten klinken, dan kon hij letterlijk over de
grond kruipen. Zo mannelijk en sterk zijn uitstraling ook was, zo klein kon hij
zich opstellen naar iedereen die in rang hoger stond dan hij. Vooral de mensen
dwongen zijn respect af.
Na enkele weken had Chico zijn plaats gevonden. Hij leerde dat hij zijn eigen
speelgoed wel mag verdedigen maar als de vrouw het speelgoed afpakt, dat hij het
moet afgeven zonder te grommen. Want dat deed hij veel. Grommen. Waarschuwend,
mopperend, genotzuchtig, geprikkeld. Chico heeft veel grommen in zijn
vocabulaire en de mensen moesten die grommen allemaal leren onderscheiden.
Chicoís waarschuwende grommen naar de andere honden toe moesten op de juiste
manier geÔnterpreteerd worden om geen verwarring en geen ruzie te krijgen.
Hij is, tot op de dag van vandaag, heel sterk gericht op de vrouw die hij op de
een of andere manier als allerhoogste ziet. Wat dat betreft gaat hij gelijk op
met Lewis, die hangt ook zo aan de vrouw. Aan alles is te merken dat Chico
enigst hond was en hier en daar behoorlijk verwend is geweest. ìNeeî is voor hem
soms moeilijk te accepteren en dan wil hij best zijn eigen zin doordrijven. Maar
tegelijkertijd wil hij alles voor de mensen doen en dat compenseert zijn
verwende gedrag.
Hij moet altijd iets in zijn bek dragen. Niet zo fanatiek als Milo, maar wel erg
graag en zo is Chico uit te tekenen met een boomstam in zijn bek, een riem, een
paraplu of een bal. Hij weet de speelgoedmand altijd leeg te halen en vanuit dat
oogpunt is het niet zo verwonderlijk dat hij zijn speelgoed ten opzichte van de
andere honden wil verdedigen. Het is voor hem eenvoudig een levensbehoefte om
iets in zijn bek te houden.
Omdat het zoín prachtige hond is, die een uitstekende opvoeding heeft genoten en
heel graag wil werken, is Chico een paar keer mee geweest naar een show. Niet
alleen als veteraan met de vrouw maar ook met het kind dat er plezier in kreeg
om met Chico te oefenen. Ze vormen samen een mooi koppel en vielen de eerste
keer al in de prijzen. Misschien ga ik later samen met Chico wel een keer naar
een show, de ouwe en de jonge uit onze nieuwe kennel. Dat lijkt me erg leuk.
Want Chico wordt binnenkort negen jaar en is in een ijzersterke conditie en ik
ben dan geschikt om in de puppyklasse mee te doen.
Wie weet zorgen we er samen voor dat er een prijzenkastje in huis moet komen.
Ondanks dat Noddy en Duffy hun rozetten verdiend hebben en Chico inmiddels heeft
gezorgd voor minimaal twee erbij, hebben ze nog geen prijzenvitrine en hangt
alles in de WC. Nou vraag ik je, dat kan toch niet? Dat moet veranderen als ik
er ben en zelf bekers en rozetten in de wacht ga slepen. Stel je voor, mijn
prijzen in een ruimte zoals een kattenbak!
Nu Gipsy er zo onverwacht niet meer is, waren de vrouw en de baas ervan
overtuigd dat Chico het beheer zou overnemen. Noddy en Duffy zijn helemaal niet
bezig met dat soort zaken en de zesde hond, Bo, heeft ook niet bepaald
leidinggevende kwaliteiten in zich. Het hele vreemde is, dat het erop lijkt dat
niet Chico, maar Lewis de rol van Gipsy gaat overnemen. Ze zijn nu een paar
dagen om elkaar heen aan het draaien, er zijn allerlei signalen over en weer aan
het vliegen. Chico wil steeds Lewis zijn oren likken uit een soort van
overdreven onderdanige houding. Lewis is daar niet van gediend en rimpelt zijn
neus. Als Chico dat niet wil zien, geeft hij zelfs een bescheiden grom weg.
Volgens de vrouw moet er nog een keer tussen Chico en Lewis iets uitgevochten
gaan worden en dan is het klaar. Ik hoop maar dat ze dat geregeld hebben tegen
de tijd dat ik kom. Want ik heb geen zin in gedoe tijdens mijn eerste periode
van wennen en socialiseren. Kom zeg, ik heb dan wel wat anders aan mijn kop dan
twee reuen die vechten om een plaats. Bovendien, en dat weten zij niet, tegen de
tijd dat ik volwassen ben liggen de kaarten weer anders. Als enige teef in de
groep kan het zomaar gebeuren dat ik de absolute leidster wordt. Dat lijkt me
wel wat. Niet dat ik dat nu al ambieer. Ik geef alleen aan dat de kans er in
zit.
Voorlopig ziet het er niet naar uit dat Chico, met al zijn bravoure, nu die
felbegeerde plek in gaat nemen maar dat hij voorbij gestreefd wordt door een
pukkelpuber die nog nat is achter de oren. (Dat heeft mijn Geest de baas horen
zeggen, dat komt niet van mij, hoor.)
De vrouw schijnt het allemaal heel normaal te vinden. Nou is ze ook wel erg dol
op haar ìkleineî Lewis, die zo gemakkelijk, lief, gehoorzaam en zachtaardig is.
Dat kan wel wezen maar ik heb heel duidelijk gehoord dat Lewis naar Chico
vanavond nog niet zo zachtaardig was en hem een bestraffende snauw gaf.
En dit is trouwens ook niet steekhoudend wat ik zeg, want de vrouw is ook erg
dol op haar grote, viriele Chico die zich zo innig liefhebbend tegen haar aan
kan vleien. Misschien maakt het haar gewoon niet uit wie de baas wordt. Ze weet
eigenlijk dat er, zolang er gegeten en gedronken moet worden, maar een iemand
werkelijk het opperhoofd is van de groep. En dat is zijzelf.
Chicoís vroegere vrouwtje heeft nog steeds contact en hoort graag over de
avonturen van haar lieveling. En ook de oude dame is een keer vanuit Amsterdam
helemaal naar de boerderij gekomen om te zien of Chico op zijn plaats was. Chico
was een geliefde hond in zijn eerdere leven. Hij is een geliefde hond in zijn
nieuwe leven. Hij heeft zich goed aangepast aan het groepsverband en de baas en
de vrouw zijn trots op die ontwikkeling.
Over een paar weken zie ik die knappe man in het echt. Het zal mij benieuwen of
ik ook val voor zijn lichtgouden ogen met de donkere randen. Hoe gaat hij op mij
reageren? Zal hij mijn puppenstreken tolereren of zal hij naar mij toe kort
aangebonden zijn? Mag ik in zijn staart bijten, tegen hem aan liggen of wil hij
juist niets van me weten? Misschien gaat hij met mij wel spelen. Doordat hij
vroeger zo mopperde en gromde, wil eigenlijk geen enkele hond echt met hem
spelen en ergens is dat wel een beetje sneu. Want hij probeert het wel. Maar ik
had begrepen dat het bij Milo ook lang duurde en dat het spelen pas kwam toen
Lewis als pup er was. Misschien werkt dat bij Chico gelijk zo.
Nog even geduld, Skye! Nog eerst wat afharden, genieten van al het goede dat
mama, oma en mijn broertjes en zusjes geven. En dan zal het allemaal gebeuren.Bo
en het Nieuwe ras.
Bo is een Marktplaatshond. Toen mijn Stem dat zei wist ik echt niet waar hij het
over had. Wat is nou een Marktplaatshond? Maar de uitleg die daarop volgde was,
zelfs voor een pup van vier weken, duidelijk genoeg. Bo stond bij de kleine
advertenties, zou je kunnen zeggen. Hij was na jarenlange trouwe vriendschap
door verandering in de leefomstandigheden van zijn baas en vrouw teveel geworden
in hun huishouden en daarom was hij verplaatst naar de garage. Die deelde hij
misschien wel met de auto. Er was een klein kindje onverwacht bij gekomen en de
mensen vonden dat Bo maar beter niet in de omgeving van het kleine kindje moest
zijn. Hij verloor wat teveel haar en ze vonden dat hij niet zo lekker meer rook
omdat hij zich niet zo lekker meer voelde. Genoeg redenen dus om op Marktplaats
terecht te komen Een oude reu van acht tussen de nesten vol met puppies zoals
wij. Die vergelijking gaat niet echt op, want puppies zoals wij komen niet op
Marktplaats. Onze peetouders doen zoiets gelukkig niet. Wij zijn puppies uit een
goed nest, in alle opzichten.
Maar Bo werd wel geadverteerd en het is dat de vrouw alle computerplaatsen
regelmatig bekijkt om dit soort advertenties op te sporen. En als zij het niet
doet, doet het wel iemand voor haar.
Precies een jaar geleden zijn de baas en de vrouw gaan bellen met de mensen van
Bo en zijn ze gaan kennis maken. Dat was wel goed, ze waren niet van plan om Bo
zomaar aan elke willekeurige mens mee te geven.
Het was slecht weer en de baas en de vrouw raakten de weg kwijt en kwamen een
uur te laat na hun afspraak aan. Toch werden ze hartelijk ontvangen en na een
uitgebreide voorstelronde (zo zei mijn Stem het, het klinkt een beetje alsof ze
over Bo moesten vergaderen..) werd hij uit de garage gehaald. Hij leek enorm in
die redelijk kleine kamer. Hij liep wat heen en weer, werd door het kleine kind
met een kopje op zijn kop getimmerd, ze duwde koekjes in zijn neus en de ouders
lachten een beetje vergoelijkend: ze was immers nog zo kleinÖ
Maar Bo was groots en onderging het. De baas was dit keer degene die
onmiddellijk besloot dat Bo zo snel mogelijk moest komen. Maar uiteindelijk
wilden de mensen toch nog nadenken of ze hem wel zouden herplaatsen, want ja,
hij was wel erg lief.
In de auto, terug naar huis, zei de baas tegen de vrouw dat hij hoopte dat Bo
mocht komen. Deze hond moest snel een grijns op zijn koppie gaan krijgen, hij
kwijnde, zo had de baas geconstateerd.
Het duurde ruim drie onzekere weken alvorens Bo gebracht werd. Eerst was het nog
het idee dat de mensen wilden zien waar hij terecht zou komen, maar de vrouw
drong er op aan om hem dan meteen bij hen te laten. Voor Bo zou het alleen maar
verwarrend zijn.
En zo kwam hij op een druilerige decemberochtend om niet meer weg te gaan.
Twee dagen later rende hij drie weilanden door achter een kudde schapen aan. Het
was misschien net even te vroeg geweest om hem meteen los te laten lopen met de
anderen, want luisteren deed hij niet zo gemakkelijk. Alhoewel Bo net als de
meeste anderen niet eerder met meerdere honden in een huis geleefd had, was hij
er toch sneller aan gewend dan bijvoorbeeld Milo en Chico. Eigenlijk was zijn
integratie net zo soepel als die van Gipsy. Hij ging in het begin nog wel erg
zijn eigen gang maar hoe langer hij bij de groep hoorde, hoe beter hij naar de
baas en de vrouw ging luisteren. De wens van de baas, dat Bo een grijns op zijn
koppie zou krijgen, werd binnen een week vervuld. Dat was toen Bo de mestvaalt
had ontdekt. Een Walhalla voor alle honden. Binnen de kortste keren stond hij
letterlijk op zijn kop in de mest, met zijn snuit wroetend naar alle lekkere
luchtjes. Boís motoriek is wat merkwaardig, maar ook hij heeft chronisch last
van zijn heupen. Alhoewel het niet ernstig is merk je toch aan zijn lopen en
bewegen dat het hem, misschien op latere leeftijd, wel last kan gaan bezorgen.
Voorlopig is Bo nog blij.
Want dat is ook een belangrijk onderdeel van zijn karakter. Bo lijkt licht
verstandelijk gehandicapt. Zo groot als hij is, en hij is bijzonder groot, zo
klein gedraagt hij zich. Altijd vrolijk, altijd puppyachtig. De grijns is niet
meer van zijn grote, ronde snoet geweest. Zijn oortjes staan meestal in de
lachstand, alsof hij ze heeft opengeklapt. Bo heeft een stamboom en er zitten
zelfs verre kampioenslijnen in zijn bloed maar hij voldoet nauwelijks aan de
rasstandaard van de Golden Retriever met zijn veel te grote lijf en zijn veel te
ronde kop. Zijn enorme onhandigheid is een van zijn charmes. Hij heeft het
spelen met andere honden echt moeten leren en heeft daar ruim negen maanden over
gedaan. Meestal stond hij met zijn bek open te lachen in de buurt van de
anderen, in de hoop dat er een hond toevallig in zijn bek terecht zou komen.
Spelboogjes kent hij niet, hij buigt alleen zijn bovenlijf een beetje naar
beneden. Als hij speelt lijkt het alsof hij niet weet wat hij met zijn grote
lijf aanmoet.
Bo heeft als pup de opleiding voor HulpHond gedaan. Moet je je voorstellen, dat
je zo jong bent als ik en dan al naar een opleiding moet. Hij is daar zelfs
speciaal voor gefokt en hij heeft al heel vroeg geleerd om tassen leeg te halen,
kasten open te maken, van alles van de grond te rapen, enz. Er is alleen in de
loop der jaren bij Bo iets mis gegaan. Behalve dat hij na een jaar
praktijkervaring afgekeurd werd op zijn heupproblemen, heeft hij ook de finesses
van het hulphondschap niet helemaal begrepen. En dat uit zich in het zogenaamde
ìwel willen maar niet kunnen syndroom.î Hij wil die tassen wel leeg halen, maar
hij kan de spullen niet afstaan. Hij wil de kasten wel openmaken, maar gaat dan
vervolgens in de kast op zoek naar iets lekkers. Hij wil alles wel van de grond
oprapen maar hij kan het niet aan de baas of de vrouw afgeven, het is te leuk.
Bo zou echt een belabberde hulphond zijn en misschien is het maar goed dat hij
is afgekeurd. Je moet je toch niet voorstellen dat hij zijn baasje zou helpen
met boodschappen doen en vervolgens er met de portemonnee vandoor gaat. Met zoín
vrolijke, simpele grijns op zijn bekkie: ìLeuk speeltje, man!î
Hij is de lieveling van de baas geworden, juist door zijn onhandigheid en zijn
ogenschijnlijk verstandelijke beperkingen.
Toch weet hij wel wat hij wil. Als hij een muizenholletje ruikt, of zelfs het
huis van een mol, dan kan hij dat net zo fanatiek uitgraven als Milo deed. En
dan luistert hij naar niets meer. Graven in de weilanden is een grote hobby van
hem.
De baas en de vrouw hebben met de komst van Bo een nieuwe retrieversoort
ontdekt: ìde Field Spitting Retriever.î
De Field Spitting Retriever heeft een uitermate vriendelijk karakter met op de
juiste momenten een superieur fanatisme om te graven, dat aan een lichte mate
van gekte grenst. Volgens de rasstandaard heeft de FSR een zwarte of bruine kop,
meestal als masker, gepaneerd met aarde of zand. Helemaal juist is als de rug
ook bedekt is met aarde. Een schone rug wordt echter wel getolereerd. De FSR
heeft een duidelijk zichtbare achterhand en een nauwelijks waarneembare
voorborst. Die moet gelijk staan aan de oppervlakte van wat hij aan het
omspitten is. Een FSR moet van achter naar voor van hoog naar laag uitlopen.
Zijn voorkant dient altijd het onderspit te delven ten opzichte van zijn
achterkant. De voorpoten horen tot aan de ellebogen toe in de grond te zitten.
De staart van een FS Retriever is altijd in beweging, zwiepend en zwaaiend. Een
bewegingsloze staart wordt als fout gerekend. De buik dient ten alle tijden
modderig te zijn. De spitbeweging van de FSR moet stuwend en krachtig zijn.
Tijdens de tentoonstellingen zal een keurmeester scherp letten op die
spitbeweging, door een dummy onder een dikke laag modder te plaatsen. Per 2010
zullen er tijdens de tentoonstellingen ook Field Spitting Trials verplicht
gesteld gaan worden om de correcte spitdrift van de FSR te keuren. Dit is een
test die bestaat uit drie onderdelen: het omspitten van aarde in een veld, het
graven aan de waterkant en het creÎren van gaten in een met stenen verhard pad.
Vooral dat laatste onderdeel kan een struikelblok voor velen zijn, niet in de
laatste plaats voor de begeleider van de betreffende FSR. Desalniettemin is het
een essentieel punt en er mag niet aan voorbij gegaan worden. Spitdrift is voor
een FSR vele malen belangrijker dan exterieur.
Bo is de absolute, enige stamvader van deze Retrieversoort. Hij voldoet
ruimschoots aan deze rasstandaard en hij is zelfs in staat om zijn spitdrift
over te brengen op gedistingeerde Golden retrievers, zoals Chico of, destijds,
Gipsy.
Helaas zal Bo niet voor nakomelingen kunnen zorgen vanwege zijn verstandelijke
beperking, maar hij zal ongetwijfeld zijn fantastische spitdrift ook op mij over
brengen. Met een beetje goede wil en hulp van Bo zou ik dan wel een trial
purpose teefje kunnen worden. Met zowel showkwaliteiten, jachtaanleg, als
spitdrift.
Zoals jullie kunnen lezen heb ik dus een kleurrijke schare van ooms, die op me
wachten. Als ik het allemaal goed begrepen heb, dan kan ik van iedereen wat
opsteken. Met Noddy zal ik leren spelen en hopelijk speuren, bij Duffy zal ik
lekker zoals Tante Liesl, veilig slapen. Van hem leer ik vast hoe het is om
Stammoeder van een kennel te zijn. Daar heeft hij een ruime ervaring in.
Van Lewis leer ik hoe het is om op jonge leeftijd Ranghoogste te zijn. En spelen
met hem zal ook een feesje zijn. Met Chico ga ik zeker de showring bezoeken,
leren hoe ik mooi moet lopen en van Bo krijg ik een gezonde dosis spitdrift.
Ze gaan me allemaal iets geven. Maar voordat ik naar ze toe ga, krijg ik eerst
iets van mama, papa, oma en mijn broertjes en zusjes mee. Warme melk, de juiste
genen en nestliefde.
En van mijn peetouders krijg ik een beertje mee. Dat is tenminste tastbaar!
Oude jongens.
Nu jullie het hele roedel hebben leren kennen en ik zoín beetje weet wat ik kan
verwachten van mijn vrienden als ik daar heen ga, zullen er nog een paar honden
genoemd moeten worden. Daar heb je allereerst Jaco, een golden reu van 12 jaar
die de laatste jaren van zijn leven de meest afschuwelijke tijd heeft
doorgemaakt.
Jaco woonde bij zijn baas, die niet goed voor hem kon zorgen. Dat klinkt vrij
simpel maar het was heel akelig. Het roedel van die baas was verbroken en
daardoor was die man helemaal verdrietig. Hij zorgde slecht voor zichzelf en
voor Jaco. Hij had nauwelijks eten voor zijn hondenvriend, geen tijd en energie
om met Jaco te wandelen en er was in het huis geen water. Jaco zat hele dagen op
een balkonnetje en kwijnde weg. Dit duurde niet een paar weken of maanden maar
volgens de buurtbewoners in de flat waar Jaco woonde, duurde het jaren.
Uiteindelijk heeft een bezorgde buurvrouw het asiel gebeld. De baas van Jaco
wilde hem niet afstaan. Ook al kon hij niets voor zijn vriend doen, toch wilde
hij hem niet kwijt. Jaco was alles wat hem nog aan zijn gelukkige verleden
herinnerde. Maar de arme hond werd steeds magerder, kon niet meer op zijn poten
staan van ondervoeding en uitputting. Iemand van het asiel begon op de baas in
te praten dat Jaco geholpen moest worden. Er was geen geld voor Jacoís
verzorging. Toch moest er iets gebeuren, Jaco moest geholpen worden.
En uiteindelijk is het de vrouw van het asiel gelukt om hem mee te mogen nemen.
In het asiel kreeg hij een warm kenneltje, eten, drinken vooral en een dik kleed
om op te liggen. Hij was zo mager dat zijn ellebogen geschuurd waren van het
beton waarop zijn slaapplaats was geweest.
Er zat ondanks alle ontberingen nog genoeg kracht in de verwaarloosde, oude
baas. Hij speelde met een balletje of een knuffel, hij liep zo snel als zijn
magere pootjes hem dragen konden mee op de wandelingen buiten het asiel. Er was
iets van een glimmer in zijn ogen dat de mensen van het asiel deed besluiten om
hem nog niet in te laten slapen. Ze wilden eerst zeker weten of hij, door wat
vetjes te kweken en door genoeg aandacht en drinken te krijgen, even zou kunnen
opknappen. En ze zochten een tehuis voor de senior. Een tehuis waar hij de
laatste fase van zijn leven nog zorgeloos zou kunnen doorbrengen, zonder te
hoeven afwachten wanneer hij weer te eten zou krijgen.
De baas en de vrouw zagen de advertentie en ondernamen meteen actie.
Jaco mocht helaas niet direct weg omdat er een aantal onderzoeken bij hem waren
gedaan en de dierenarts die hem onder behandeling had, moest op de uitslagen
daarvan wachten. Dit heeft eigenlijk Jaco niet zo goed gedaan. Als hij meteen
naar ìonsî huis was gegaan, dan had hij nog wat fijne dagen gehad. Maar tegen de
tijd dat de dierenarts genoeg wist, was Jaco al ziek geworden. Na alle ellende
die hij had doorstaan, was nu zijn lijfje helemaal op en de lekkere hapjes in
het asiel kon hij niet goed meer verdragen.
Toch is hij nog naar ons roedel gegaan. Hij heeft een nacht en een dag lang alle
aandacht gekregen, heerlijk met de vrouw gewandeld en samen met Duffy in de
warme slaapkamer gelegen. Hij heeft lekker kleine beetjes vers vlees gegeten en
besjes van de struik gesnoept. Hij heeft kunnen laten zien dat hij een schat van
een hond geweest moet zijn in zijn eerdere leven en dat hij tot op het laatst
heel aanhankelijk en trouw was. Hij had een ontzettend lief kopje met grote,
donkere ogen en hij zat graag half tegen de vrouw aangeleund. Maar hij moet een
verschrikkelijke pijn hebben gehad. En ook al vond hij het heerlijk om
geknuffeld te worden en om een beetje op het erf te spelen, toch redde hij het
niet om langer van dat alles te kunnen genieten.
Als kleine pup vind ik het onvoorstelbaar dat het zo gegaan is. Hij had een
beter leven verdiend.
Jaco is heel snel voor altijd gaan slapen, net zoals Gipsy vorige week. Zijn
buikje was helemaal ziek van binnen omdat hij zo lang geen eten had gehad. Hij
heeft erg kort van de aandacht van zijn nieuwe gezin kunnen genieten. Dat was
dieptriest. Arme Jaco.

Na Jaco kwam Oskar. Een gezonde bejaarde van 13 jaar, die vanwege de verhuizing
van zijn oude baas in het asiel terecht was gekomen. Oskar was dovig en half
blind. Dat laatste was niet door ouderdom. Daar had hij al erg lang last van. Op
zich was hij er zelf goed aan gewend.
De avond dat Oskar arriveerde, was die verschrikkelijke avond dat Milo zo ziek
werd. Die avond die in de herinnering van mijn vrouw gegrift staat als een vurig
litteken. Oskar heeft door alle toestanden van toen de eerste nacht niet bij de
baas en de vrouw in de slaapkamer gelegen, maar kreeg een eigen plekje in de
werkkamer. Men had tegen de baas en de vrouw gezegd dat Oskar langzaam aan de
andere honden moest wennen. Omdat hij niet goed zag en minder hoorde, moest het
integreren met beleid gebeuren. De vrouw was de daaropvolgende tijd voortdurend
bezig met Oskarís gewenning en de zieke Milo.
Na een paar dagen beet Oskar onverwacht de vrouw in haar been. Ze dacht dat het
kwam doordat ze onverwacht naast hem stond. Alle mensen in het huis kregen de
opdracht om duidelijk te maken aan Oskar dat ze er aan kwamen.
Het was een leuke hond, die snel aan de andere honden leek te wennen. Maar nog
sneller aan de mensen. Dat werkte helaas verkeerd want hoe meer hij hechtte aan
de mensen, vooral aan de vrouw, hoe minder hij een andere hond in haar buurt
tolereerde. Hij kon zomaar, zonder enige waarschuwing van brom of lip, uitvallen
en in het wilde weg bijten. De vrouw belde daarover met de mensen van het asiel.
Die hadden echter dit gedrag van Oskar niet eerder opgemerkt.
Wij, als kleine hondjes, leren dat je eerst een paar keer moet waarschuwen
voordat je laat merken dat je er echt niet van gediend bent. Oskar was,
misschien wel door zijn ouderdom, die eerste regels helemaal vergeten. Steeds
als Duffy naast de vrouw stond of als Lewis geaaid wilde worden, dan beet hij
dat wat het dichtst bij hem in de buurt was. De vrouw was daardoor vaak de dupe.
Maar later ook Duffy zelf.
Nadat Milo overleden was, wilden de baas en de vrouw Oskar nog wat tijd gunnen.
Tenslotte was het huishouden rommelig geweest door Miloís ziekte en plotselinge
sterven. Na een aantal weken werden Oskarís onaangekondigde uitvallen niet
minder. De baas en de vrouw probeerden van alles. Als Oskar niet bij een van hen
in de buurt was, kon hij hard en ongelukkig tegen een muur staan blaffen. Hij
aardde niet in de groep. Hoe de baas en de vrouw hun best ook deden, het lukte
hen niet om Oskar goed te laten gedijen. En toen moest dat gebeuren wat ze niet
wilden. Ze hebben Oskar met heel veel verdriet terug moeten brengen nar het
asiel. De veiligheid en rust van de andere honden was te belangrijk. Volgens
mijn Stem heeft de vrouw net zo moeten huilen als wanneer ze een hond verloor.
Het moet misschien gevoeld hebben alsof ze Oskar verloor. Maar het was het enige
wat ze nog voor hem konden doen. Oskar kon de aandacht van zijn baas en vrouw
niet delen met de andere honden en was onrustig en niet op zijn plek.
Hij is nu ruim 14 jaar. Hij woont nog steeds in een bepaalde afdeling van het
asiel. Speciaal voor oude honden. Hij kan goed opschieten met de honden waarmee
hij een kamer deelt. Hij hecht zich niet zo sterk aan zijn vaste verzorgers als
aan de vrouw. Hij hoeft dus ook de aandacht niet zo te delen als bij ons thuis.
Hoe akelig het ook voor mijn mensen voelt, Oskar is thuis in het tehuis.
Misschien moet een oude boom niet verplaatst worden. Zoiets.
Nou denkt de lezer misschien dat het wel genoeg is zo, met al die oude mannen,
maar dat is het niet.
Want ineens was daar Muffin. 13 jaar, en om de een of andere onduidelijke reden
moest hij weg bij zijn eigen mensen. Eerst leek het erop dat zijn vrouw of baas
naar een tehuis moest, een soort asiel voor oude mensen is dat, geloof ik, maar
naarmate de vrouw meer contact had met Muffinís eigenaar, leek het er sterk op
dat hij weg moest omdat er een pup bij was gekomen en Muffin steeds meer
verzorging nodig had vanwege zijn leeftijd. Hoe dan ook, deze senior kwam ook
naar ìonsî huis. In het begin was het best moeilijk voor Muffin. Alhoewel hij
erg lief was en heel gemakkelijk in de omgang met de baas, de vrouw, het kind en
de hondengroep moest hij toch wennen aan alle nieuwe dingen in zijn leven. De
ontmoeting met de vrienden ging voorspoedig.
Muffin was wel erg gecharmeerd van Chico, die dat minder was van hem, maar dat
was eigenlijk in het roedelgedrag de enige dissonant. Muffin bewoog zich
beroerd. Hij viel regelmatig languit voorover, bleef dan enkele tellen liggen en
krabbelde weer overeind. De vrouw vond het verschrikkelijk om te zien maar de
baas wees haar erop dat Muffin deze glijpartijen al langer moet hebben gehad.
Zijn opkrabbelen was geroutineerd en zonder paniek. Door zijn ouderdom was
Muffin op sommige ogenblikken de kluts kwijt. (Ik weet niet wat dat is, maar je
kunt het blijkbaar kwijt zijn. En iets kwijt zijn is niet leuk, zoveel weet ik
inmiddels wel.)
Als Muffin die kluts dan kwijt was, stond hij te blaffen met een hoog, schel
geluid. Zo maar in het niets. Tegen een deur, tegen de muur of in een hoek.
Zijn wanhopige gegil ging de mensen door merg en been. (Ook weer zoín vreemde
uitdrukkingÖ merg en been. Heeft dat iets met het merg te maken waar Gipsy ziek
aan was? En over welk been hebben we het dan?)
Hij was broodmager, zoals Jaco was. Hij kon zijn brokken niet eten omdat sommige
van zijn tanden gebroken waren en de rest schots en scheef stond. Daarom kreeg
hij zacht, vers vlees. Voor elke nieuwkomer een feest en voor Muffin een
reddingsboei. Door het lekkere, goed te kauwen eten sterkte hij langzaam maar
zeker een beetje aan.
Zijn vacht was zo lang dat hij over zijn staart viel en zijn voeten eruit zagen
alsof hij sloffen aanhad. De vrouw heeft als eerste daad de schaar in Muffins
vacht gezet..
Achter zijn oren zaten vieze klitten en ook op zijn borst was alles aangekoekt
en smerig. Toen de vrouw na een paar uur klaar was met Muffin en hij geknipt en
gewassen was, kwam er een heel ander hondje uit. Een jong uitziende hond met een
hoofd als van een collie. Kleine, gespitste oortjes, een zachte uitdrukking op
zijn smalle snuit en felle, donkere ogen.
Muffin mocht elke avond bij de baas en de vrouw slapen omdat hij niet bij de
andere leek te willen liggen. De wandelingen met de groep kon hij niet aan, die
waren te lang en te ver. Maar samen met Gipsy op het erf spelen, dat kon Muffin
wel en hij pakte op zijn hoge leeftijd ook af en toe een balletje mee.
Hij maakte na verloop van de weken een wonderlijk herstel door. Zijn hoge geblaf
tegen de muren werd minder en verdween, het vallen en opstaan was op een gegeven
ogenblik helemaal over en hij wilde zelfs in de nacht niet meer op de slaapkamer
slapen bij de mensen, maar op een kleed tussen de andere honden.
Muffin heeft nog van alles meegemaakt in de weken dat hij onderdeel was van het
roedel. Een feest met veel bezoekers, zowel mens als hond, een logeerpartij van
het kleine, zwart witte teefje, een logeerpartij van mijn Oom Midas. Dat alles
heeft hij met een gemak meebeleefd alsof hij al veel langer in de groep hoorde.
De mensen waren erg op hem gesteld geraakt en het was wel duidelijk dat hij,
ondanks het feit dat hij op zoín vreemde manier herplaatst werd, toch een goed
gesocialiseerde hond was geweest. Hij luisterde goed op de momenten dat hij ook
werkelijk kon horen. Muffin had er eigenlijk nog wel kunnen zijn, ware het niet
dat hij na een paar maanden plotseling last kreeg van zijn huid. Voortdurend zat
hij te bijten aan zijn achterpoten. Hij kloof ze af tot op het bot en het heelde
niet. Daarbij kwam ook nog dat hij steeds moeilijker ging lopen. Hij schaatste
een beetje, zo leek het. Het bleek dat Muffin een tumor had dat explosief
groeide en op een akelige dag letterlijk explosief was. Het barstte open en
Muffin had er verschrikkelijk veel last van. Dat was het moment waarop de baas
en de vrouw wisten dat ook voor Muffin de tijd van afscheid nemen aangebroken
was.
De oude man sliep, 10 weken na zijn komst in het roedel, in. Hij heeft het toch
nog even naar zijn zin gehad en mijn mensen waren weer een ervaring met een
prachtige hond rijker. Alhoewel hun verdriet steeds opnieuw op de proef wordt
gesteld, kijken ze ook naar de goede kanten van dat verdriet. Want dat betekent
dat ze veel van de honden hebben gehouden.
Ik hoop dat het verdriet van afscheid moeten nemen hen nu even bespaard blijft.
Des te meer kunnen ze zich op mijn komst verheugen en zich goed met mij bezig
houden. Heel belangrijk voor een Teef met een Missie!
Toch nemen ze niet altijd elke senior op die in aanmerking lijkt te komen voor
een plaatsje in het roedel.
Zo was daar een keer een bejaarde man die dringend een thuis zocht, maar moeite
had met andere reuen. Ja, dan werkt het niet. De baas en de vrouw willen bij
elke plaatsing, ook een proeftijd aanhouden zodat het niet een drama wordt als
met Oskar. Die terugplaatsing was voor iedereen pijnlijk.

Ook heel bijzondere gevallen willen nog wel eens een andere wending krijgen.
Zo was daar Jari, een redelijk gezonde senior van maar liefst 16 jaar. Zijn baas
was overleden en de stokoude hond was in een seniorenopvang terecht gekomen. Men
zocht een goed tehuis voor hem voor het laatste stukje van zijn bestaan.
De baas en de vrouw wilden hem graag ophalen. Maar het scheen dat Jari na de
zomervakantie geplaatst zou gaan worden. Een vakantie is een tijd waarin mensen
zo min mogelijk willen doen. Om uit te rusten, zeggen ze. Ze doen dan heel
andere dingen dan normaal waardoor ze eigenlijk helemaal niet uitrusten. Maar
daarover mag ik niet oordelen. Ik heb nog nooit vakantie gehad en ook niet nodig
gehad.
Enfin, Jari zou na de vakantie van zijn aanstaande mensen opgehaald gaan worden.
Nadat ze tijdens hun vakantie hadden nagedacht. De baas en de vrouw hadden
aangegeven dat hij bij hun mocht komen als hij na die vakantieweken onverhoopt
toch niet gehaald zou worden. Als de mensen teveel hadden nagedacht en Jari niet
zouden willen.
Net als met Jaco was het eigenlijk te laat voor Jari.
Want na de vier weken vakantie kwamen de mensen inderdaad niet terug voor hem.
Inmiddels was Jari, tijdens het wachten op een nieuw thuis erg verouderd. Hij
was zelfs ziek geworden. Dat was gevaarlijk op zijn leeftijd. Zestien jaar is
echt heel erg bejaard. Ik weet niet of je als Golden wel zo oud wil worden.
Dit is wat de vrouw uiteindelijk, met tranen achter haar ogen en een zwaar hart,
schreef op het forum. Weten jullie nog, dat forum. Dat virtuele roedel.
ìNadat we de afgelopen dagen contact hebben gehad met de seniorenopvang waar
Jari zit en na veel en intensief nadenken hebben we de verdrietige knoop moeten
doorhakken om Jari niet op te nemen. Zijn conditie is op dit moment matig tot
slecht, zoals zijn verzorger zei. Jari is erg achteruit gegaan. Hij is
vreselijk mager geworden en wil niet veel meer. Af en toe dachten ze in het
asiel erover om hem al in te laten slapen, maar dan heeft hij weer een betere
dag en staat hij toch weer op.
Zoals het er nu uitziet lijkt het ons niet verstandig om Jari een lange reis en
een hele nieuwe situatie, nieuwe mensen, nieuwe honden, nieuwe prikkels aan te
bieden. Natuurlijk lijkt een thuissituatie het meest ideaal maar in dit geval
betwijfel ik het. Tenslotte heeft een hond in welke conditie dan ook altijd tijd
nodig om te wennen aan een nieuwe omgeving. De eigenaar van de opvang zei, dat
er natuurlijk ook een opleving kon zijn. dat is ook zo, maar onze ervaring van
de afgelopen malen heeft toch uitgewezen dat een opleving pas na een aantal
weken doorzet. Het is eerder zo dat ze even een stap terug doen. Herinneren
jullie nog dat ik schreef over het verwarde gegil van Muffin, die eerste dagen?
En Jaco, die zo snel achteruit ging dat hij geen drie dagen bij ons meer haalde?
Kort en goed: we willen Jari dat niet aandoen. Ook al zit er een kleine kans in
dat hij misschien wel iets zou opleven; het risico dat het averechts werkt is
groter.
Jari weet niet beter dat de plek waar hij nu zit, zijn plek is. Hij is stokoud,
ruim 16 en zal niet de menselijke gevoelens hebben die wij onze dierbare honden
toedichten: hij zal niet naar een nieuwe situatie verlangen. Hij is gewoon oud
en zijn lijfje raakt in sneltempo op.
Het voelt alsof we hem in de steek laten, maar dat zijn puur onze
“gevoelsgevoelens” en dat heeft niets met zijn realiteit te maken.
Ook dit is een keuze, een overweging, die we moeten maken als we overtuigd
oudere honden willen blijven opvangen. Niet alleen het besluit om het wel te
doen, het besluit om een hondje te laten gaan zoals vorige week met Muffin, maar
ook het bittere besluit om niet meer met een zieke hond te gaan slepen.
Ik hoop dat Jari op de juiste tijd zijn oude lijfje rust mag gunnen.î
Een maand nadat de vrouw deze beslissing met haar forumroedel had gedeeld, was
Jari niet meer herplaatsbaar. Hij was van ouderdom ingeslapen op zijn plaatsje
in het asiel. De baas en de vrouw hadden het zo graag anders gezien maar ook dat
is een onderdeel van hun liefde voor de oudere honden. Dat je ze soms verliest
nog voordat je ze gekend hebt.
Het is goed dat Noddy en Lewis er zijn, hun eigen zelfgekozen puppen. Het is
goed dat ik kom, hun eigen eerste teefje. Dat zal de zwaarte van de oude jongens
een beetje opheffen, hoop ik.
Want alles welbeschouwd, het is mooi dat ze hun leven openstellen voor de
bejaarde mede-hond maar er gaat toch niets boven vers bloed. Of druk ik me nu
weer te plastisch uit?
Dit was een zwaar hoofdstuk. Mijn kop zit vol met bejaarde reuen. Het is
dringend nodig dat ik in mijn broertjes ga bijten en mijn zusjes ga pesten.
Misschien nog een stereolebber bij mama en oma en dan maken de Geest en ik ons
op voor een nieuwe dag vol nieuwe verhalen!De geboorte van Hogmanay.
Na al de verhalen van de afgelopen weken, heb ik me goed kunnen voorbereiden op
de groep waar ik in terecht ga komen. Zo op papier weet ik hoe ze zijn en wie ze
zijn. En waar ik op moet letten. En hoe ik ze uit elkaar kan houden, dat vooral.
Die kleine witte met de pikzwarte ogen en dito neus is overoveropa Duffy. Hij
was vroeger goudkleurig maar daar is niets meer van over. Ze zeggen dat hij
grijs is geworden maar hij zou op een show voor lichte Goldens niet misstaan.
Zijn rust is legendarisch. Hij schijnt het werkwoord ìchillenî uitgevonden te
hebben. De hond die na Duffy de meeste krullen heeft, gouden oortjes en een
lieve kop, is Noddy. Hij is redelijk groot en met hem kun je als pup heel goed
spelen. Hij heeft meerdere pups gekend en heeft hen geleerd hoe ze moesten
stoeien. Zelfs een Teef met een Missie, die nu inmiddels moeder gaat worden,
heeft haar eerste schreden op bekvechtgebied bij Noddy opgedaan. Als klein pupje
heeft ze vaak met Noddy geoefend.
Dan is er Bo, de enorme, gouden jongen. Hij wordt negen jaar maar hij gedraagt
zich als een jonge hond dus hij zal dicht bij me staan. Je kunt niet om hem
heen. Chico is de stoere, bluffende, humeurige leeuw met het hartje-van-goud.
Misschien moet ik in het eerste begin een beetje afstand van hem houden, dan
raakt hij des te sneller aan me gewend. Zegt mijn Stem.
En natuurlijk mijn oudoom Lewis, jongste bediende, roedelchef, jonge hond,
gouden vent. Ik verheug me erop om in hem te happen en met hem te rennen. Ook al
zal dat misschien niet vaak mogen, vanwege mijn gestel, ik ga het toch lekker
doen. In leeftijd staat hij het dichtst bij mij. En ook in afkomst. Hij en ik
zijn allebei kinderen van Silence Dream en afgezien van mijn missie als Eerste
Teef in een nieuwe kennel, of Aanstaande Stammoeder, zijn we al speciaal doordat
we dezelfde werpkist hebben gedeeld. Zoiets is niet uit te vlakken.
Dat hele kennelgebeuren is nogal een gedoe, heb ik vernomen.
Behalve dat er een naam geregistreerd moet worden die nog niet bestaat,
internationaal gezien, moet de aanstaande kennel ook aan een aantal eisen
voldoen. De aanwezige honden moeten voldoende ruimte hebben om te leven en te
spelen. De leefomstandigheden moeten goed zijn en dat moet men kunnen aflezen
aan de conditie van de aanwezige honden tijdens de inspectie. En dan komt het
belangrijkste gedeelte voor mij: loopse teven moeten van de aanwezige reuen
gescheiden kunnen worden, de omgeving waar het nest zal verblijven moet schoon,
droog, en warm zijn. De moederhond moet genoeg ruimte hebben om zich in het nest
te kunnen bewegen, ze moet naar buiten kunnen en van de pups af kunnen liggen.
Bovendien moeten alle stambomen getoond worden van de aanwezige honden als de
inspecteur komt. Dat laatste was voor de vrouw een probleem. Ze hadden
uitgezocht of de kennelnaam niet al bestond, ze had de kamer die later voor mij
mijn kraamkamer gaat worden, opgeruimd, schoongemaakt en al vast een beetje
ingericht zodat de inspecteur er een beeld van had. Ze had vrijwel alle
paspoorten van de honden bij elkaar liggen en ook alle aanwezige stambomen. Ze
had echt haar best wel gedaan. Maar De Gips was nu eenmaal een stamboomloze
hond.
Toen de inspecteur, die een inspectrice bleek, kwam kijken regende het juist
heel hard. De vrouw had alles netjes gedweild maar zes maal vier modderige
hondenpoten maakte haar glimmende vloer wat minder glimmend. Dat vond ze erg
jammer, het had er zo mooi en schoon uitgezien voor de regen begon en voordat de
honden naar buiten waren geweest! Gelukkig zal een inspectrice voor een
hondenkennel begrijpen dat modderpoten voor Golden retrievers een van de eerste
levensbehoeften zijn. Ze willen niets liever dan in baggersloten hun mooie
vachten vervuilen. Wacht maar tot mijn eerste duik in een modderpoel een feit
is!
De vrouw moest uitgebreid vertellen waarom ze een kennelnaam wilden aanvragen en
daarbij werd ik natuurlijk veelvuldig genoemd. Ook al was ik nog niet geboren.
Zo belangrijk is dat nou, als je een uitverkoren teef bent. Ze moest vertellen
over de cursussen en de shows, over waar haar honden vandaan kwamen (ze vertelde
niet rechtstreeks en rauw dat het voornamelijk asielzoekers en
marktplaatsstakkers waren, maar kleedde dat met een mooi woord in:
OpvanghondenÖ)
En toen kwam de hamvraag. En wat is een hamvraag? Dat is de meest belangrijke
vraag. Als die vroeger goed beantwoord werd, dan won men een echte ham. Voor ons
als hond dus een heel interessant soort prijs. De hamvraag in het geval van de
vrouw en de inspectrice was: Waarom wil je een kennel beginnen, waarom wil je
gaan fokken? (Ja, dat waren eigenlijk twee hamvragen. Zo ging dat. Ik ben er
niet bij geweest maar mijn Geest is overal en die heeft het werkelijk waar zo
opgevangen. Net als mijn gezin de oudere honden ook werkelijk zo opvangt als hij
doorbriefde.) De vrouw vertelde over hun liefde voor ons Goldens, over hun
liefde voor de senioren maar ook de behoefte om tussen al het oude-jongens
gebeuren nieuw leven door te geven met daarin de lijnen van onder andere Duffy.
Dat ze zich in die plannen gesteund voelden door andere, bevriende fokkers zoals
de voormalig eigenaar van Duffy en mijn peetouders. Het antwoord op de hamvragen
was voldoende duidelijk voor de inspectrice om verder te gaan met haar
vragenlijst. Die werd netjes afgewerkt en toen de paspoorten en stambomen op
tafel kwamen, lek het allemaal prima in orde. De vrouw gaf nonchalant aan dat
Gipsy geen stamboom had maar wel gechipt was en dat ze een registratiebewijs van
het Belgische asiel had.
Dat bleek voldoende bewijs dat Gipsy Gipsy was. Dat chippen is trouwens nogal
een ding. Wij worden ook gechipt, als we zeven weken zijn. Dat is die
rijstkorrel in je nek, waar ik het eerder al over heb gehad. Het grappige was,
dat de inspectrice alle chippen van alle honden wilde aflezen en er toen achter
kwam dat ze zowel Chico als Bo zelf de rijstkorrel had ingespoten. Daarmee was
meteen het ijs gebroken. Ze had de twee herplaatsers als pup in haar handen
gehad en dat schept onoverkomelijk een band.
De rest van het inspectiebezoek werd plotseling erg gezellig en zo werd die fase
van de kennelnaam aanvraag op een goede manier afgesloten.
De dag voordat wij geboren werden, zag de vrouw dat de aanvraag geregistreerd
was. Dat houdt in dat het te lezen is in een paar tijdschriften en dat andere
mensen bezwaar mogen maken. Omdat ze de naam al eerder ergens gezien hebben of
omdat ze de mensen niet goed genoeg vinden om honden te fokken.
Afgelopen zondag toen mijn aanstaande gezin bij ons was, is de naamsaanvraag
verder gegaan. Niemand heeft bezwaar gemaakt dus over niet al te lange tijd
zullen de baas en de vrouw een papier krijgen waarop hun kennelnaam staat. Dan
bestaan ze echt. Ik ben er dan al. Skye. Voorgenomen Stammoeder van de kennel
Hogmanay uit Friesland. Dat voelt erg stoer.
ìWat is Hogmanay?î vroeg ik de Geest. Die lachte een beetje scheef, meewarig,
alsof ik dat al had moeten weten. Hij lijkt soms te vergeten dat ik nog maar zo
klein ben en ook al vertrouwd hij me de meest intense zaken toe over mijn nieuwe
roedel en mensen, toch zou hij zich moeten realiseren dat ik nog geen vijf weken
oud ben en heus niet alles weet of kan onthouden.
Nee, ik wist niet wat ìHogmanayî is. En op het gevaar af dat hij een heel
langdradige lezing ging geven over wat het dan is, was ik te nieuwsgierig om
mijn vraag op zijn beloop te laten.
ìHogmanay..î begon hij en ik wist bij voorbaat dat het nog een flinke tijd zou
duren eer ik bij mama kon kruipen.
ìHogmanayî is het Schotse woord voor de Oud en Nieuw viering.î Hij zweeg. Dat
leek het te zijn. ìHoezo dan, wat voor Oud en Nieuw viering.?î drong ik aan. Hij
kon er niet zo maar mee weg komen, met die summiere informatie.
ìOveral in de wereld wordt het Oude jaar verruild voor het Nieuwe jaar. Mensen
vieren dat uitbundig, met vuurwerk, veel harde knallen, veel lawaai, veel
kleuren en rommel. Als Golden die jachtaanleg heeft en dus schotvast is, moet je
daar tegen kunnen maar er zijn heel erg veel honden die er bang voor zijn omdat
de knallen zo onverwacht klinken. Probeer maar te bedenken dat het snel over
gaat, dat vuurwerk. Maar dat terzijde.î (Mijn Geest houdt heel veel van die
uitdrukking, maar dat terzijde. Ik heb mezelf er ook op betrapt dat ik dat vaker
zei. Maar dat terzijde!) Ik wist nog steeds niet precies wat hij met ìHogmanayî
en de Schotse Oud en Nieuw viering bedoelde.
Net op het moment dat ik aan zijn staart van mist wilde gaan hangen, (mijn
Geest, of Stem, of Hogere Macht is grauwig doorschijnend van mist. Hij is ook
nat als je er met een poot tegen aan slaat of met je snoet tegen wilt duwen. Een
soort vochtige wolk, zeg maar.) ging hij verder met zijn uitleg.
ìIn Schotland, het land waar je betovergrootvader Duffy vandaan komt, vieren ze
het Oud en Nieuw feest heel uitbundig. Wel een paar dagen lang. Ze trekken dan
met fakkels van vuur door straten en dorpen om zodoende de boze geesten van het
Oude jaar weg te jagen om ruimte te maken voor de nieuwe, goede geesten. Die
dagen wordt er veel lekker eten met elkaar gedeeld, meestal ook op straat.
Iedereen kan bij iedereen binnen vallen en overal staan winterse lekkernijen op
de tafels. De mensen zijn opgetogen, ze drinken warme wijn en eten zoete dingen,
hun fakkels branden fel en ja, dat is ìHogmanay.î
Maar wat heeft dat dan met mijn baas en vrouw te maken en met een kennel voor
Golden retrievers? Vroeg ik me af. Tenslotte ben ik nu nog een behoorlijk blonde
hond. Ik begreep echt de samenhang niet.
ìJouw toekomstige baas en vrouw wilden graag een Schots thema in de naam van hun
kennel. Omdat daar de oorsprong van de Golden retriever schijnt te liggen en
omdat daar voornamelijk de oorsprong van hun liefde voor de Golden retriever,
Duffy, vandaan komt. De naam moest kort en krachtig zijn. Ze wilden een brug
slaan tussen de oude honden die ze zullen blijven opvangen en het nieuwe leven
wat jij hopelijk zult gaan doorgeven. Ze hebben hun mensenroedel op Oud en
Nieuwjaar gevormd en ze zijn een keer in Schotland geweest toen het
ìHogmanayfeestî in volle gang was. Voor hen genoeg redenen om deze naam te gaan
hanteren. GoldenDonkeys is nou eenmaal niet een serieuze naam waarmee je op een
internationale show jezelf kunt presenteren, zeg nou zelf. Je zult het er mee
moeten doen, Skye. ìHogmanayî is de kennel waar jij je leven zult gaan leven.î
Hij klonk heel ernstig, mijn Geest. En zijn gebruikelijke grappen en grollen had
hij achterwege gelaten tijdens deze uitleg. Het Teef-met-een-Missie gegeven
drukte me nu ineens zwaar op mijn schouders.
ìHet zijn me nogal wat zware onderwerpen, deze laatste dagen,î piepte ik
vermoeid door alle informatie. Door zijn mist heen zag ik even de grijze grijns
doorbreken. ìJe wordt al een dagje ouder. Je moet ook zware dingen aan kunnen.
Dat is nog niets vergeleken bij wat je allemaal zult moeten doorstaan, later. Je
hebt straks alle tijd om het te laten bezinken. Je kunt bij je moeder of bij je
oma gaan liggen, je kunt nog even afreageren op de rest van je roedeltje of op
je teddybeertje, je bent echt al elastisch genoeg om deze zware kost in je op te
nemen. Morgen zal ik een lichter onderwerp aansnijden. We zullen het dan gaan
hebben over de cursussen die je zult moeten gaan doen. Over de jacht en het
speuren. Over Grote Honden bezigheden dus, die ik met een heel klein teefje moet
gaan bespreken. Laat nu je ogen maar dichtvallen. Ga maar slapen. De tijd gaat
door en morgen ben je weer klaar voor de nieuwe indrukken.î
Verbeeldde ik het me of voelde ik echt een natte vlaag mist over mijn kop aaien?
Ik zat nog rechtop, maar ik merkte dat ik steeds slaperiger werd en dat mijn kop
begon te wiebelen. ìSlaap lekker..î siste de Stem uit het vocht en hij gleed
weg, als een vlaag de kamer door, de nacht in. Mijn broertjes en zusjes sliepen
al en kreunden wat. Bewogen hun pootjes in hun slaap, hun snorharen trilden.
Mama Fallon strekte zich nog eens uit. Mijn kop was van de slaap te zwaar
geworden om rechtop te kunnen blijven zitten. Ik liet me vallen, dicht tegen
haar grote, warme lichaam aan. Nog een keer opende ik een oog en zag een
grijzige sluier rond het raam hangen. Het leek te knipogen.
Morgen verder.
Lessen.
Even een extra nieuwsflits tussendoor. Ik heb uit betrouwbare bron vernomen dat
ìHogmanayî sinds gisteren een feit is. De kennel bestaat. Dit heugelijke nieuws
moest ik natuurlijk meteen met mama en oma delen. Ik kreeg een lebber over mijn
kop van allebei. Bij wijze van een gefeliciflapstaart. Of hoe je dat noemt.
Het eerste onderdeel van de stap naar het fokkersschap hebben mijn aanstaande
baas en vrouw dus achter de rug. Of was ik de eerste stap? Of ga ik gelijk op
met het ontstaan van de kennel en hun fokaspiraties? Wat was er het eerst, de
hond of de mand? De uitdrukking is iets over een kip of een ei, volgens mijn
Geest.
Als ze eindelijk weten wie ik ben, weten ze ook hoe ik qua karakter in elkaar
steek. Dat zullen ze horen als we de puppytest hebben gehad. Ook weer zoín
moment dat ons dichter bij onze nieuwe baasjes zal brengen. Tenminste, dat gaat
op voor mijn broertjes en zusjes. Ik ben sowieso ik en ze kunnen mij niet ruilen
als ik te druk of te rustig of wat dan ook ben. Ze moeten het met mij doen en ik
met hen. Dat heb je nou eenmaal als je voorbestemd bent.
Ik zal in die tijd ook vaker ìop de tafelî gezet moeten worden. Ook weer zoín
vreemd begrip. Ik vroeg aan mijn Geest of dat eng is, maar hij verzekerde dat
het leuk is omdat je iets lekkers voor je neus gepresenteerd krijgt. Vlees of
yoghurt, wat dat dan ook is. Terwijl je aan dat lekkere hapje knabbelt, kijken
de mensen of je mooi staat, of je staartje recht is en je pootjes niet krom, of
je hals niet te lang of te kort is, of je rug sterk is en zo. Een soort medische
keuring voor modellen. Want eigenlijk ben je, als je eenmaal op de tafel bent
beland, wel een modelhond. In de dop, zei iemand. Natuurlijk is dat niet echt
zo, ik zou niet weten in welke dop ik zou moeten zitten. We hebben maar ÈÈn dop
en dat is die zwarte, aan het uiteinde van onze snoet.
Op de tafel staan is een onderdeel van mijn leven dat regelmatig zal terugkeren.
En dan vooral als mijn jas gekortwiekt wordt. Dat hoort bij het leven van een
drukbezette teef. Heel regelmatig zal er een stuk van mijn vacht moeten worden
geknipt en de mensen doen dat bij voorkeur als je op een tafel staat. Ze willen
niet teveel bukken misschien. Maar ook als je naar de dokter moet, wordt je over
het algemeen op en tafel gezet. Het is dus maar goed om niet al te bang te zijn
van de tafel. Ik denk dat een vleesje of wat anders lekkers me heel goed zal
helpen te wennen aan de tafel. Zo veel mogelijk lekkers, zo gemakkelijk ik de
tafelparade ga vinden. En dan hou ik natuurlijk mijn staartje goed recht en mijn
pootjes niet krom, stel je voor!
Al deze dingen leer je ook op een hondenschool. Dat is iets waar Noddy en Duffy
met de vrouw zijn geweest. Lewis heeft in totaal maar vijf puppylessen gehad en
heeft geen diploma gehaald omdat hij toen midden in de verhuizing zat. Volgens
de vrouw is hij het meest gehoorzaam van allemaal dus waarschijnlijk hebben die
paar lessen hem wat dat betreft meer geleerd dat alle cursussen die Noddy en
Duffy samen hebben gedaan. Hij kent alle commandoís en voert ze netjes uit. Hij
trekt niet aan de riem, hij loopt keurig naast de fiets en hij heeft iedereen op
heel jonge leeftijd versteld doen staan door zijn braafheid. Want welke jonge
hond luistert naar de baas als hij op een meter afstand een ree voor zich uit
ziet springen? Lewis! Welke hond komt als je hem roept terwijl hij meters en
meters veraf is gerend achter en loops teefje aan? Lewis! Welke hond blijft
braaf zitten op het pad terwijl de baas of de vrouw met ezels, vuilnisbakken of
andere honden bezig is? Lewis! Hij blijft net zolang op zijn plaats totdat hij
een vrij heeft gekregen. Hij zou perfect zijn voor een zogenaamde G en G cursus,
wat zoiets betekent als gedrag en gehoorzaamheid in een hogere graad.
Noddy heeft van allemaal de meest verschillende lessen gehad. Hij begon met een
puppycursus, dezelfde van Lewis maar dan heeft hij het met twaalf lessen en een
examen afgemaakt. Daarna heeft hij twee vervolgcursussen gedaan. Die werden
basis een en twee genoemd. Daar heeft hij ook diplomaís voor gekregen maar hij
bleef druk en gek doen als hij het trainingsveld op kwam. Heel erg hebben die
basiscursussen dus niet geholpen. Omdat de vrouw niet geloofde dat Noddy
geschikt zou zijn voor de G en G cursus, heeft ze dat maar achterwege gelaten.
Ze hebben een paar van die lessen uitgeprobeerd maar wat de vrouw al dacht,
bevestigde Noddy. Hij gedroeg zich niet en was ronduit niet gehoorzaam.
In plaats daarvan mocht Noddy behendigheid gaan doen en dat was voor hen allebei
leuk. Jammer genoeg moest de vrouw ermee stoppen omdat ze tijdens een les in die
behendigheid zomaar haar bovenbeenspieren scheurde. Ze had verschrikkelijk veel
pijn en kon van het ene op het andere moment niets meer. Noddy begreep niet
waarom hij niet meer de les mocht afmaken. Maar de vrouw zat kermend aan de kant
en is toen later met een auto weggebracht.
Toen de vrouw weer kon lopen heeft ze een ringtraining gedaan met Noddy, maar
daar was hij weer ondeugend als vanouds. Hij beschouwde het als en cursus
ringspelen. Nu waren zijn collegaís in de lessen wel zes honden van het grootste
ras, de Ierse wolfshond. En een van de meest kleine rassen, de chihuahua. Dat
Noddy daartussen als enige Golden zijn kwaliteiten moest laten zien, werkte
niet.
Ook flyballtrainingen en apporteren was niet aan hem besteed. Uiteindelijk zijn
ze bij toeval erachter gekomen dat het speuren voor Noddy precies de goede sport
was. Voornamelijk omdat het individueel is en hij dan niet op een veld met
andere honden hoeft te werken. Hij kan zich in zoín omgeving niet handhaven,
wordt druk en nerveus, wil van alles wat niet mag, luistert niet en er is dan
niet met hem te werken.
Als hij zijn speurtuig om heeft is hij een heel andere hond. Betrouwbaar, rustig
en geconcentreerd. Ik heb gehoord dat Noddy als hij aan het speuren is, zelfs
doorgaat met zijn werk als er een rij fietsers langskomt of paarden of mensen
die hem willen aaien. Hij loopt dan recht door en kijkt niet op of om, laat zich
niet aanhalen maar blijft bij zijn werk. Op die ogenblikken komt de gave van
onverstoorbaarheid van zijn vader Duffy naar boven. Als Noddy op een spoor zit
is hij vasthoudend en dan moet er wel heel wat gebeuren wil hij zijn taak niet
volbrengen. Als hij een plas moet doen, en tijdens het speuren hoeft hij dat
niet vaak, dan gaat hij van het spoor af om zijn poot op te tillen. Even later
stapt hij dan zijn pad weer op, zet zijn neus aan de grond en gaat verder met
waar hij gebleven was. Het is in Frankrijk voorgekomen dat Noddy een geurlapje
niet terug vond. De vrouw was daar teleurgesteld over maar het regende een
beetje tijdens die trainingssessie. De instructeur legde uit dat door de regen
de geur van het lapje overspoeld werd door de geuren die vrij kwamen van de
grond. Er was vlak daarvoor gegierd op dat stuk land. Gier heeft een heel sterke
lucht en dat werd benadrukt door het vocht van de regen. Een paar dagen later
waren ze weer in diezelfde omgeving. Noddy werkte keurig netjes zijn sporen uit.
Na een paar grote ìtracksî zoals een lang spoor heet, mocht hij even los rennen
om te ontspannen. Speuren is geestelijk heel erg vermoeiend en daarom is het
goed om zo nu en dan de hond even te laten rond rommelen. Zo ook nu. Maar Noddy
wilde niet spelen, Noddy drukte onmiddellijk zijn neus weer tegen de grond en
ging er als een pijl vandoor. Enkele minuten later zat hij triomfantelijk te
kijken in de wei. (Tijdens het speuren mag een hond het voorwerp niet aanraken
en apporteren, zoals bij de jacht wel het geval is. Dit om te voorkomen dat een
hond tijdens het opsporen van vermiste personen of materialen de bewijsvoering
per ongeluk vernietigd of verminkt.) De instructeur ging naar hem toe en jawel,
Noddy had het kletsnatte en vies vermodderde geurlapje gevonden. Dat was
ontzettend knap van hem. Een andere keer vond hij na een dag zijn riem weer
terug aan een waterkant waar ze het waren verloren tijdens een eerdere
speursessie. Hij zou een professionele speurhond kunnen worden als de vrouw
genoeg tijd had gehad om een paar weken met hem naar een andere omgeving te gaan
waar ze speurhonden voor werk opleiden. De instructeur in Frankrijk, bij wie
Noddy trainde, was ervan overtuigd dat de vrouw en Noddy samen een goed
speurteam hadden kunnen zijn. Om de brandweer te helpen met het zoeken naar
vermiste personen of zo iets dergelijks. Helaas heeft de vrouw niet de tijd
gehad om samen met Noddy die interne opleiding te gaan doen. Dus het blijft bij
een fijne liefhebberij waar ook Lewis graag en goed aan meedoet.
Misschien gaan die twee nog wel een keer terug naar Frankrijk om hun
liefhebberij op een hoger plan te tillen. Maar dat zijn allemaal dromen.
Duffy heeft in zijn jonge jaren bij zijn vorige eigenaar wel ringspelen gevolgd.
Denkt mijn Geest. Toen hij net bij de baas en de vrouw was ingetrokken, heeft
de vrouw ook met hem een cursus gedaan. Als zevenjarige was hij wat te laat voor
een puppycursus maar omdat hij eigenlijk hun eerste herplaatser was, wilde de
vrouw wel met hem trainen om hem dezelfde commandoís op dezelfde manier aan te
leren die Noddy kende en had geleerd. Dus Duffy ging naar de basis een lessen.
Dat viel niet mee. Behalve dat hij moest wennen was hij in sommige gevallen niet
vooruit te branden en daarbij had hij ook nog eens en flinke dosis
eigenwijsheid. Duffy weigerde bijvoorbeeld om door een tunnel te gaan. ìFlauwe
kul!î Moet hij gedacht hebben. ìAls gerenommeerd dekreu heb ik zoín tunnel toch
niet nodigÖî Er waren nog een paar onderdelen van die cursus waar Duffy echt
niets mee had. En waarom ook eigenlijk wel? Duffy heeft zijn diploma heus wel
gehaald. Maar hij blonk niet bepaald uit en de vrouw heeft het bij die ene
cursus ook gelaten. Tenslotte luisterde hij prima en heeft hij de meeste
commandoís die Noddy kende aardig van zijn zoon overgenomen voor zover hij ze
niet zelf al kende van zijn vorige baas.
Bo heeft natuurlijk een heel bijzondere opleiding gehad. Inbegrepen was een
puppycursus, toen al helemaal gericht op het latere werk als hulphond.
Je zou het trouwens niet zeggen. Commandoís kent hij vast wel maar hij voert ze
niet bepaald accuraat uit. Luisteren als hij geroepen wordt doet hij. Soms. En
soms ook niet.
Chico was een goede leerling op de cursussen die hij met zijn vorige baas heeft
gedaan. Hij heeft zowel een puppycursus als een basis met goed gevolg afgelegd.
Hij luistert prima, kent veel commandoís maar hij kent tot groot plezier van het
kind ook veel kunstjes. Van opzitten en pootjes geven tot omrollen. En ìde waveî
een basis element van het zogenaamde ìDoggydansen.î
Chico zal dus verschillende cursussen en trainingen hebben gedaan. Het is een
hond die graag wil werken voor de baas, hij draagt op commando van allerlei
dingen tijdens een wandeling. Tijdens het oefenen voor de show waaraan hij
deelnam, liet hij zien dat hij echt een goedgetrainde hond is. Wat dat betreft
is hij van de herplaatsers de hond die niet alleen uit een zeer goed nest komt
maar waar ook erg veel aandacht aan de opvoeding besteed is.
Ik zal ook naar school moeten, dat heeft de Geest vernomen. Eerst een
puppycursus, speciaal voor allerlei honden van mijn leeftijd. Om aan zoveel
mogelijk verschillende rassen en individuen te wennen.
En daarna nog die training die klinkt als ringspelen. Dat hebben Noddy en Duffy
dus ook gedaan. Dat is heel noodzakelijk voor mij want daar zal ik leren
showlopen. Niet iedereen is een natuurtalent zoals Chico. In mijn positie is het
onderdeel show essentieel. Daarna wil de vrouw ook nog met mij en Lewis aan
jachttraining gaan doen. We zijn, welbeschouwd, toch jachthonden en het is niet
alleen erg leuk en mooi maar ook erg belangrijk om jachtaanleg te hebben.
Volgens de vrouw heeft Lewis dat wel in zich. Maar het is bij hem niet
ontwikkeld. Ze wil ontdekken of het er alsnog uit kan komen. Iemand die Lewis
eens meenam naar een jachttraining, zei dat hij het niet had. Dat gelooft de
vrouw niet. Bij mij wil ze het tijdig ontwikkelen.
Je kunt niet vroeg genoeg beginnen met alles leren, begrijp ik. Dus zodra mijn
eerste pupdiploma op zak is ga ik door naar de volgende ronde; het ringspelen.
Dan het jagen. Tjongejonge, wat moet ik veel. Dan ook nog groeien en showen en
ondertussen mezelf worden. Voorlopig ben ik precies vijf weken jong en ga ik
maar weer eens een tukje doen. Door veel te slapen groeien we ook.
Mijn Geest heeft zijn belofte gehouden en wat lichtere informatie doorgegeven en
ik hoop dat ik rustig kan slapen. Want nu heb ik geen oude reuen in mijn hoofd,
of ingewikkelde kennelnamen. Nu kan ik dromen van trainingsvelden, ringspelen en
waterdummyízzzzzzzzzzzz. Showbinkies.
Boven onze puppyren hangt een hele grote rozet met daar allemaal dingen
opgedrukt in gouden letters. Hij hangt zo hoog dat we er niet bij kunnen komen
om het met onze neus te inspecteren. Dat is wel jammer, ik zou er lekker aan
willen trekken om te zien of de letters er op blijven zitten. Volgens Oma is
dat de rozet van haar zoon, onze oom Dylan. Omdat hij de beste reu op een show
is geworden. Als je dat bent, beste reu of in mijn geval beste teef, dan krijg
je zoín rozet of sjerp en veel knuffels van je baas en vrouw omdat ze heel trots
zijn op je. Soms moet je dan nog een keer die showring in voor een ererondje en
dan gaan mensen zelfs klappen voor je. Dan moet je niet schrikken maar nog een
keer heel mooi lopen, dat vinden de mensen leuk.
Je wordt niet zomaar beste reu of teef, natuurlijk. En je moet niet alleen maar
mooi lopen alhoewel dat wel een heel groot gedeelte van de show is. Het begint
al dat je niet op een grote show kan lopen als je geen stamboom hebt. Wijlen
Gipsy, Milo en Muffin hebben waarschijnlijk nooit een showring gezien. Ze zijn
er geen haar minder om geweest, begrijp me niet verkeerd, maar zonder stamboom
kun je alleen aan heel speciale shows meedoen. En die zijn niet zo groots
opgezet of internationaal erkend. Ze zijn er wel, ìstamboomloze hondendagenî
maar dat is toch meer een kleinschalig uitstapje zoals een onderlinge wedstrijd
van een hondenschool of zo.
Maar laat me niet afdwalen, er moet over Grote Shows verteld worden.
Behalve een stamboom moet je ook helemaal voldoen aan de rasstandaard. Bo
bijvoorbeeld, heeft wel een stamboom maar hij is volgens de rasstandaard te
groot. Zijn lijnen kloppen niet met wat er ooit in Engeland besloten is over hoe
een Golden retriever hoort uit te zien. Die rasstandaard wordt door de meeste
mensen streng gehanteerd als ze hun hond willen voorbrengen. Want zo heet het
showen wat de baas of de vrouw doet. Die brengen hun hond voor.
Als je als hond voldoet aan de rasstandaard moet je ook goed gebouwd zijn. De
keurmeester, dat is degene die naar je kijkt en aan je voelt en je uiteindelijk
zal beoordelen, die keurmeester moet vanaf een afstand al kunnen zien of jij
goed in elkaar zit. Om goede kinderen te krijgen moet je goede botten en spieren
hebben. Het oorspronkelijke idee van het showen is dat de fokkers laten zien
wat ze in huis hebben. Of buiten in een kenneltje, maar dat, in navolging van
mijn Geest, terzijde. Goed, dan heb je de stamboom, je valt netjes binnen de
rasstandaard, je bent goed gebouwd, en dan? Dan moet je mooi kunnen lopen. Met
een hele groep andere honden in de ring. Je mag niet naar hen uitvallen of
omkijken of naar hen toe willen om te spelen. Je moet je eigen baantje lopen en
je vooral niet laten afleiden door alles om je heen. En dat lopen, dat luistert
ook nogal nauw. Letterlijk en figuurlijk want je mag je poten niet te nauw bij
elkaar neerzetten, tijdens het lopen. Maar ook niet in telgang, je staart niet
te hoog, niet te springerig, niet te bang, niet te snel, niet te traag. Met
opgeheven hoofd naar de baas, vrolijk maar niet trekkerig aan de riem die geen
riem is. De riem is eigenlijk een lintje, dat voel je nauwelijks en de baas die
naast je meeloopt zal daar ook niet mee kunnen en hoeven corrigeren. Dus dat
lopen is wel een training waard.
Na het lopen moet je staan. Eigenlijk zoals ik dat over een week op de tafel
moet doen. Mooi staan, je staart recht achter je gestrekt. Liefst met een lichte
kwispel, dat vinden ze leuk. Je poten moeten in de juiste positie staan zodat de
keurmeester van een paar meter van je af kan zien of je goede hoekingen hebt. Ik
kan het niet helpen, zo heet dat nou eenmaal. Je hoekingen zijn de contouren van
je knieÎn, en ellebogen te opzichte van je lijf, zeg maar. Misschien leg ik het
wat ingewikkeld uit, maar daar komt het eigenlijk op neer. De keurmeester wil
zien of je voldoende borstpartij hebt, of je ribben goed diep in je borstkas
liggen en meer van dat soort specifieke dingen. Ze gaan ook aan je voelen,
terwijl je netjes stil blijft staan in de positie waarin je door je baas of
vrouw geplaatst bent. Die weten het beste hoe je er op je mooist uitziet als je
staat. Soms moet een van je voeten wat meer naar voor of juist naar achter. Het
is heel belangrijk dat je blijft staan op de plaats waarin je neergezet bent,
ook als de keurmeester aan je gaat frummelen. Ze trekken je lippen op om naar je
tanden te kijken, ze meten je oren, kijken in je ogen, hengelen aan je staart
en, dat is nogal gÍnant, bij een reu voelen ze aan zijn edele delen.
Belachelijk! Ik vertelde het aan mijn broertjes en die rolden proestend om van
het lachen. Helemaal opgetogen waren ze, dat zij niet naar shows hoefden.
Niemand, maar dan ook niemand mag zomaar ongevraagd aan hun edele delen komen,
vonden ze. Toen ik vertelde dat er geld betaald wordt om te mogen showen en dat
ze dus eigenlijk betalen om iemand aan die edele delen te laten komen, toen
dachten mijn broertjes dat ik helemaal gek was geworden. ìJullie showhonden zijn
echt van Lotje getikt.î zei broertje groen. Ik wilde onmiddellijk aan hem gaan
bijten om niet te laten merken dat ik niet wist wie Lotje was en waarom die
getikt was. En daarnaast voelde ik me behoorlijk aangesproken omdat hij me
ìshowhondî noemde. Het liefst wilde ik een partijtje bekvechten maar mama stak
daar een stokje voor. Niet zomaar een stokje, nee, een stokje in de vorm van een
slokje. We hebben dus wat te drinken gekregen als afleiding.
Misschien heeft mijn broertje wel gelijk en is het ook vreemd dat de mensen geld
betalen om iemand aan je hond te laten zitten. We zijn toch aaibaar genoeg om
gratis bevoeld te worden? Zo werkt het niet op een show.
Je staat dus braaf stil, laat je in de bek kijken en bevoelen op diverse plekken
en dan gaat de keurmeester zitten en fluisteren met iemand anders. Dat lijkt me
het moeilijkste onderdeel, want je moet dan blijven staan in die positie. Soms
wordt er gevraagd of je nog een keer op en neer wil lopen, soms moet er nog eens
aan je geaaid worden. Als dat klaar is, dan mag je de ring uit. Dan volgt het
spannendste gedeelte voor de baas of de vrouw die je heeft voorgebracht. Want
hopelijk moet je nog een keer. Die beoordeling is soms erg scherp. Je kunt een
beoordeling krijgen die ze ìGoedî noemen. Het hele merkwaardige is, dat het
eigenlijk niet echt goed is. Echt goed is ìzeer Goedî en zelfs dat is nog niet
goed genoeg. Volgen jullie me nog? Nee, degene die jij hebt moeten volgen wil
minimaal dat er ìUitmuntendî staat op je keurrapport. Dan ben je pas echt goed
bezig geweest. Of de keurmeester is dan pas echt goed bezig geweest, dat kan ook
zo gezien worden.
Van alle honden uit die groep moeten de honden met een ìUitmuntendî weer terug
de ring in. Opnieuw gaat dan de hele riedel weer van start, lopen in de rij, een
voor een lopen, staan, bekijken, betasten, nog eens lopen. En uiteindelijk
worden er vier bordjes neer gezet en kiest de keurmeester uit die groep honden
de vier mooiste die op volgorde van schoonheid achter de bordjes moeten gaan
staan. Ik hoef niet uit te leggen dat nummer een dan echt de winnaar is van die
klasse. Want er zijn ook nog eens een heleboel klassen, van baby tot veteraan.
Daartussen heb je de jonge hondenklasse, en de kampioensklasse. Van al die
klassen moeten de beste honden, die dus allemaal achter het eerste bordje
stonden met een ìuitmuntendî op hun rapport, weer terug komen. De mooiste of de
beste hond die vanuit die groep achter bordje een komt te staan mag zich de
beste teef of beste reu noemen. Ja, het klinkt misschien afgezaagd maar ook die
twee moeten dan weer tegen elkaar de mooiste zijn. Dan ben je de beste van het
ras. Op grote shows, waar veel verschillende rassen zijn mag je nog een keer
terug komen en kun je de beste hond van de show worden. Maar dat gaat echt wel
heel ver. Ik zelf moet eerst maar eens zien dat ik als pup een ìveelbelovendî op
een rapport krijg, dan kunnen we verder praten.
Het is al met al en zenuwslopende bedoening, met de nadruk op zenuws lopend.
Mijn aanstaande vrouw is altijd heel erg zenuwachtig. En kan dan moeilijk lopen.
Het showen is een jurygebeuren met mensen die jouw hond beoordelen op zijn
uiterlijk en gedrag en beweging. Zelf kun je misschien vinden dat je een
prachtige hond hebt, maar als die prachtige hond dan een ìgoedî krijgt, dan kun
je best teleurgesteld zijn. Er schijnt ook nog iets met onze kleur aan de hand
te zijn. Ook al worden we ìGolden retrieversî genoemd, er zijn toch keurmeesters
die liever kijken naar lichtere honden die zelfs bijna wit lijken. Natuurlijk
zijn ze in het echt niet zuiver wit, dat kan helemaal niet, maar vanaf de
afstand waarop de keurmeester staat, lijkt het er soms heel sterk op. Als zoín
ìkleurmeesterî dan gaat kiezen, dan vallen de honden met kleur zoals Oma en mama
ook wel, snel af met een Zeer Goed. Helemaal logisch is dat niet en ik heb
gehoord dat mijn aanstaande vrouw zich daar vaak druk over kan maken. Want zij
hangt honden aan met kleur. En heeft daardoor vaker het idee gehad dat ze haar
honden in een witselbad had moeten stoppen voor de show.
Ook weer zoiets. Voor je naar de tentoonstelling gaat moet je goed geknipt zijn,
zodat je contouren goed te zien zijn, je moet gewassen zijn, zodat je vacht er
op zijn best uitziet en geborsteld totdat het glanst. De keurmeesters willen,
net als kleur, ook niet altijd de ietwat golvende, ruige vacht van Duffy en
Noddy zien. Liefst wat sluiker. Maar ook dat is meer een voorkeursverhaal.
Eigenlijk moet je overal niet teveel of te weinig van hebben, dan pas je het
beste bij de meeste andere honden.

Natuurlijk heeft Duffy vroeger veel shows gelopen. Hij heeft vaak ìUitmuntendsî
gekregen en hij is een aantal keren de BOB geweest. Dat is de Beste van het Ras
maar dan op zijn Engels. Dus op een grote, internationale show. Toen hij al bij
mijn aanstaande gezin woonde heeft hij een paar keer meegedaan. Omdat een
vriendin van de vrouw zelf haar honden altijd met heel goed resultaat showde en
ervoor geboren lijkt te zijn om met een hond in de ring te schitteren, heeft ze
ook een keer Duffy voorgebracht. Dat was meteen met een heel goed resultaat,
Duffy werd toen met een ìuitmuntendî de veteraan achter het bordje een. Ze zijn
toen nog een paar keer geweest. Er was een maal dat Duffy een ìzeer goedî kreeg
en op zijn keurrapport stond dat zijn vacht te grof en te krullerig was. De
kleurmeester in dit geval, kwam uit Finland en heette mevrouw Karkas. Ja, dan
kun je niet verwachten dat ze valt op een gedrongen, stevige, gekleurde reu uit
Schorland. Die mevrouw Karkas wilde heel slanke, hoge, toendrawitte Goldens
zien.
Dat heeft de vrouw en haar vriendin niet uit het veld, of in dit geval de ring,
geslagen. De keer daarna haalde Duffy zijn tweede punt om kampioen te worden,
terwijl hij er drie nodig had. En dat was op een grote show in Amsterdam, waar
heel veel mensen waren die hem van vroeger kenden.
Een jaar later behaalde Duffy op 10 jarige leeftijd de titel Nederlands
Veteranen Kampioen en dat is een prachtige titel voor een hond die een prachtige
carriËre als dekreu heeft gehad. Nu is Duffy erg wit geworden. Zijn gangwerk is
gezien zijn leeftijd erg mooi, ondanks dat hij een heel licht trekje heeft door
een beetje artrose, Zijn pigment, dat is de kleur van de lippen en van de neus,
is nog altijd in en in zwart. Hij heeft een prachtig hoofd, ietsje smaller dan
vroeger. De uitdrukking in zijn ogen is levendig, wijs en lief. Duffy zo zou
maar de showring weer in kunnen in de veteranenklasse en ongetwijfeld achter het
bordje met de 1 terechtkomen. Maar het is goed voor hem geweest. Er staat een
nieuwe generatie te trappelen en dat ben ik.
Noddy heeft het showen nooit als prettig ervaren. Door zijn nervositeit is hij
altijd erg druk en loopt hij veel te beweeglijk in telgang. Hij heeft zijn
staart steevast te hoog, hij vindt het gedoe eromheen te spannend en voor de
vele keren dat hij ìmaarî een Zeer Goed kreeg was het bijna al die moeite niet
waard. Toch heeft ook hij een paar keer achter een bordje gestaan. De eerste
keer was bij een heel strenge keurmeester die zijn rare gedrag in de ring niet
echt duldde. De vrouw was bloedzenuwachtig en was maar aan het trillen. Het was
van beien een slechte show mar de keurmeester zag wel dat Noddy een goedgebouwde
hond was, een uitmuntend rasvertegenwoordiger, zo zei hij naderhand. Dus ondanks
de zenuwen van het duo, stond Noddy uiteindelijk achter het bordje met de ÈÈn.
Andere fokkers waren een tikkeltje verontwaardigd. Die hond met die vrouw die
nooit eerder een showring hadden gezien, streken nu met de eer.
Het was niet anders. Noddy heeft genoeg Uitmuntends gekregen om op een later
moment in zijn leven vader te worden. En daar ging het toen de baas en d vrouw
om.
Lewis is een hele mooie hond die het op een show zeker niet slecht zou doen als
ze een keurmeester zouden treffen die van kleur houdt. Maar helaas zijn Lewis
zijn edele delen niet compleet. Ik zeg dit niet tegen mijn broertjes, niemand
mag dit aan mijn broertjes vertellen want die gaan hem, via mij ontzettend
uitlachen. En dat wil ik niet. Hij is tenslotte mijn oudoom waar ik mijn leven
mee ga delen. Hij heeft andere kwaliteiten, zegt de vrouw soms met een lichte
toets van spijt in haar stem. Je, de schoonheid is er wel maar hij mist een
essentieel onderdeel. Moeder natuur had voor Lewis iets anders in petto,
blijkbaar.
Nou heeft de vrouw Chico ook een paar keer ingeschreven. Omdat hij met het kind
om te oefenen mee ging naar de show, heeft de vrouw hem in de veteranenklasse
ingeschreven. Chico is een natuurtalent. Hij heeft nooit een ringtraining gehad
maar de manier waarop hij loopt is zo mooi en gemakkelijk. Hij kan door de ring
dansen en nog zijn staart recht houden, met de graag geziene lichte kwispel. Hij
staat uit zichzelf helemaal goed. Bij hem hoef je de pootjes niet te verzetten.
Hij is prachtig gebouwd, heeft een mooie, golvende vacht. Misschien iets te
donker voor de gemiddelde keurmeester maar hij is hoe dan ook een echte
showbink. Wie weet gaat hij het komende showjaar ook nog wel eens de ring in.
Gewoon om mij niet alleen te laten gaan. Samen met het kind gaat hij dan mee.
Maar dat deel van de show is niet zozeer om te keuren hoe goed de honden gefokt
zijn, maar om te zien hoeveel talent het kind heeft om een hond goed voor te
brengen. Dat is een andere tak van sport. Ze durft dat zomaar en is er heel
serieus mee bezig. Samen met de knappe verschijning van Chico heeft ze al de
allereerste keer achter een bordje gestaan. En ze heeft het nog maar twee keer
gedaan!
En dan heeft de vrouw tot slot zelf ook nog een verrassende rentree in de ring
gemaakt. Met mijn oom Midas. Midas is een mooie man. Wat klein misschien en nog
niet uitgegroeid tot een stoer mannenformaat, maar hij heeft ook een natuurlijke
aanleg om goed te staan, net als Chico en Duffy.
Dus de vrouw vroeg aan de baasjes van Midas of ze hem een keer mee mocht nemen.
Samen hebben ze wat geoefend want er was niet echt een ringtraining voor poten.
Uiteindelijk zijn ze, samen met Chico en het kind, naar een zomershow geweest
waar alleen Goldens waren. Midas had dus een enorme competitie en dat was wel
jammer. Hij kreeg dan ook maar een ìzeer Goed.î
Toch was de vrouw geweldig trots op hem. Hij had zo ontzettend braaf en goed
gelopen, had zich keurig laten neerzetten en bleef netjes staan. Hij deed het
meer dan uitmuntend en als hij een beetje meer stevigheid had gehad was hij
absoluut in de Uitmuntends gevallen. Want zijn ringgedrag, daar was niets op aan
te merken. Door hem heeft de vrouw gemerkt dat ze het weer leuk vond om een show
te lopen. Ze had niet zoveel zenuwen met Midas als dat ze destijds met Noddy
had.
Dat beloofd wat voor onze toekomst. Als Midas wat zwaarder is geworden, leent de
vrouw hem vast nog wel een keertje om lekker samen te gaan showen. En Chico mag
weer met het kind mee. Bo, Duffy en Noddy blijven ieder om hun eigen redenen
thuis.
Maar ik zal, als nieuwe aanwinst met alle ogen op me gericht als Missie-Teef,
vaak de ring in gaan. Om een Veelbelovend als pup te halen. Later gaan we
natuurlijk voor de uitmuntends en de plaats achter de bordjes in de andere
klassen. Daar zal ik mijn best voor doen. Eerst maar eens op de tafel en een
aantal keuringen ondergaan in huiselijke kring. Een ding weet ik zeker. Iedereen
die mij in de komende weken zal keuren, is in ieder geval wel dol op mijn kleur
en is nog niet bevooroordeeld doordat er hondjes van grote fokkers bij staan.
Mijn zusters en ik zijn de enige honden die gekeurd gaan worden. En ik wordt
uiteraard de Beste Teef uit het nest! Geschiedenisles.
Mijn verhaal vordert al aardig maar er zijn toch nog hiaten die ik graag
opgevuld wil hebben voordat de maand om is en ik naar mijn nieuwe thuis ga.
Zo is daar de kwestie van de stambomen. Natuurlijk had ik het er al eerder over
gehad, maar waarom is het voor een stammoeder zo belangrijk om een mooie
stamboom te hebben? En wat is dat nou precies?
Mijn Geest heeft op die vraag een paar antwoorden gegeven waar ik het mee moet
doen. Soms kan hij intens uitweiden over iets wat hem blijkbaar erg aan het hart
gaat en andere momenten moet ik de informatie bijna uit zijn mistige lijf
trekken. Zo ook met de stamboominformatie. Een stamboom is wat ze in mensentaal
een soort ìuittreksel van de burgerlijke standî noemen. Daaruit kunnen ze lezen
dat Pietje Puk de tweede de zoon is van Pietje Puk de eerste en dat die weer de
zoon is van meneer Jansen. En dat de Pietje Puk in kwestie dus echt bestaat. Bij
ons staat er nog wat meer informatie op, namelijk of er voorouders waren die
kampioen zijn geweest. Het is ook altijd goed om te weten of meneer Jansen of
Pietje Puk een kampioensaantekening het.
Er staat dus geregistreerd wie je ouders, grootouders en overgrootouders waren.
Betoveropa Duffy is bijvoorbeeld van mijn stamboom afgevallen omdat hij vier
generaties met mij verschilt maar hij staat wel degelijk nog op die van mama
Fallon. En helemaal op die van Opa en Overoma.
Je ziet soms op een stamboom, als je verder gaat dan de drie generaties
voorouders die er op staan vermeld, dezelfde namen genoemd. Dan komen die Opaís
en Omaís wat vaker terug in jouw bloed. Dat hebben de mensen bewust gedaan omdat
die honden hun genen doorgeven in hun nakomelingen en soms een beetje dubbel.
Het is eigenlijk een heel ingewikkelde materie en ik denk dat mijn Geest er
daarom ook zo terughoudend in was om erover te beginnen.
Want wat begrijpt een klein hondje als ik nou over erfelijkheidsleer en
genoverdracht? De vrouw heeft daar wat meer over geleerd toen ze een cursus deed
over ons. Niet alleen over de Golden Retrievers, maar eigenlijk over honden in
het algemeen. Dat was niet omdat ze ooit wilde gaan fokken maar omdat ze meer
wilde weten over hoe een hond in elkaar zit en omdat ze misschien later, als ze
groot is, wel puppycursussen zou willen gaan geven. Of iets in die Geest. (om
het even niet over de mijne te hebben.)
Maar dat weinige wat ik van zijn uitleg heb begrepen, zit het met mijn stamboom
wel goed.
Ik heb diverse opaís en omaís die met hun schoonheid hoog in de ring gepresteerd
hebben. Alhoewel een stamboom alleen geen garantie vormt voor de kwaliteit van
een van ons, is het toch belangrijk voor onze bazen om hem te hebben. Het geeft
in ieder geval aan dat we zorgvuldig gefokt zijn met voldoende kennis over onze
achtergrond.

Toch zinde het me niet dat ik zo weinig over mijn oorsprong te weten kwam. Ik
wilde heel simpel alleen maar weten waar wij vandaan komen, zo vreemd is dat
toch niet? Een Teef die ooit misschien Stammoeder zal gaan worden, moet toch
weten waar haar wortels liggen om dat aan haar kinderen te kunnen vertellen.
Ik heb het gevraagd aan Mama Fallon. Ook zij was niet echt spraakzaam.
Ze mompelde iets over ìWijsneusîen ìpotjes met grote orenî en er kwam niets uit
wat me genoeg kon vertellen. Oma was helemaal erg. Ze likte me lief over mijn
hoofd, vroeg of ik nog wat wilde drinken en prevelde dat ik mijn mooie hoofdje
niet over de geschiedenis hoefde te breken. Dat we zijn zoals we nu zijn en dat
we heel goed zijn zoals we zijn. Dat schoot helemaal niet op. Alsof er een taboe
rust op onze afkomst. Dus toch opnieuw vriendelijk doch dringend aan mijn
Vraagbaak van Nevel gevraagd wat er allemaal achter die geheimzinnigheid steekt.

Eerst wilde hij het afdoen met iets vaags over circushonden en Schotse ruines,
maar uiteindelijk kreeg ik dan toch een verhaal wat enigszins het mysterie
verduidelijkt en waar ik me in kon vinden.
Om te beginnen is de naam Retriever afgeleid van het engelse werkwoord ìto
retrieveî wat zoiets betekent als ophalen of terughalen. Een Retriever moest het
gevleugelde, aangeschoten wild opzoeken en ophalen. Apporteren met een mooi
woord. Ze moesten goed kunnen zwemmen en de daarvoor bestemde, waterbestendige
vacht met isolerende onderwol hebben. Dat hebben we natuurlijk al in een paar
hoofdstukken eerder behandeld.
In het jachtbeluste Engeland veroorloofde men zich de luxe om voor elke manier
van jagen een andere jachthond te fokken. De Retriever moest een scala aan
kwaliteiten bezitten. Een goede neus, een goede conditie, een uitstekend
herinneringsvermogen en een grote mate van intelligentie waren heel belangrijk.
Maar ook apporteerlust, volgzaam gedrag ten opzichte van de baas en
tegelijkertijd een deel eigen initiatief moesten ze kunnen tonen. Dat alles werd
ondergebracht in ÈÈn ras: de Retriever.
Er was er eens een meneer, Sir Dudley Majorbanks, die in Schotland een groot
landgoed, Guisachan in Invernesshire bezat. (let op de link naar mijn naam. Skye
is een van de eilanden in het graafschap Inverness. Mijn naam komt dus uit de
streek waar de Golden retriever zijn oorsprong vond. Leuk detail om later op
feestjes en bijeenkomsten van het forum mee te kunnen koketteren!)
Deze Majorbanks meneer zou later een andere naam krijgen, Lord Tweedmouth. Zo
ging dat in die dagen. Je kreeg gewoon een andere naam.
Het verhaal wil dat hij ooit in een Engelse kustplaats, Brighton, een paar
honden van een rondreizend Russisch circus heeft gekocht. Hij zag de
voorstelling en was erg onder de indruk van de door en door getrainde, mooi
uitziende reebruine honden. De eigenaar van die groep honden wilde niet een van
hen verkopen aan Sir Dudley, omdat dan zijn voorstelling niet goed meer kon
draaien. Dus bood Sir Dudley aan om dan maar de hele groep ineens te kopen. Hij
heeft ze meegenomen naar zijn landgoed om met hen te jagen en te fokken. Een van
die honden was een reu met een gele kleur, Nous, die we later weer terug vinden
in de oude papieren als stamvader van een nest geelkleurige puppies.
Echt helemaal zeker waren de kynologische experts in later jaren niet van dit
Russische verhaal. Er zijn mensen uit die tijd die zich niet konden voorstellen
dat een fokker en jager met zoín brede kennis op hondengebied als meneer Dudley
Majorbanks een stel circushonden zou gebruiken voor zijn manier van jagen. De
honden die hij daar voor nodig had, moesten behalve goedgetraind ook een
belangrijk deel eigen initiatief tonen en dat moesten de circushonden juist
helemaal niet hebben. Anders zou hun hele act in het water vallen, als ze eigen
initiatief zouden tonen!
Vast staat wel dat Sir Dudley, inmiddels Lord Tweedmouth, in Brighton de reu
Nous kocht. Of hij wel of niet een circushond was, daar zijn de gemoederen het
niet over eens en daar wil ik, als piepklein teefje van af zijn. Feit is,
volgens de overlevering van erkende stamboeken en logboeken, dat de gele hond
Nous in 1865 naar Guisachan kwam toen hij een jaar oud was. Twee jaar later
kreeg Lord Tweedmouth een vierjarige teef, Belle. Zij was een Tweed
WaterspaniÎl, geboren in Ladykirk aan het riviertje de Tweed.
Tweed WaterspaniÎls bestaan niet meer. Op oude fotoís en plaatjes kun je zien
dat ze lijken op een kleine retrieversoort, leverkleurig en met lang, krullend
haar. Alhoewel ze vrij zeldzaam waren is er toch nog wel wat over hen te vinden
in oude boeken.
Lord Tweedmouth zorgde ervoor dat de gele reu Nous en Belle een nestje
voortbrachten. Daaruit werden vier gele pups geboren die aan de werpkist staan
van ons, Golden Retrievers. Ada, Cowslip, Primrose en Crocus. Op de eerste
fotoís van dit nest kun je al een beetje een vergelijking met ons zien. Het
waren grote, goudkleurige honden met een golvende, lange vacht.
Cowslip bleef bij Lord Tweedmouth, die haar later inzette als stammoeder om zijn
ideaal te verwezenlijken van een gele, langharige retriever. Er zijn een paar
nesten van Cowslip geweest, steeds met een andere reu, die het dichtst bij ons
ras moesten komen. Lord Tweedmouth overleed in 1894 en er bleven in zijn kennels
een paar honden achter. De zoon van lord Tweedmouth hield geen
kennelregistraties bij dus de geschiedenis van de zogenaamde gele retriever
lijkt hier op te houden. Maar gelukkig was er nog een meneer, een burggraaf,
genaamd Harcourt, die van de jachtopzieners van Guisachan een paar pupjes uit de
overgebleven kennel van Lord Tweedmouth kocht.
Deze puppen werden voor het eerst op een show uitgebracht. Zijn kennel werd
bekend onder de naam Culham. Twee van zijn honden, Culham Brass en Culham Copper
werden de belangrijkste peilers van deze kennel. Uiteindelijk schijnen wij
allemaal een drupje Culhambloed via deze honden door onze aderen te hebben
lopen.
Pas in 1913 werd de Golden retriever als op zichzelf staand ras erkend door de
Engelse kennel club en we werden toen nog ìGolden or Yellow Retrieverî genoemd.
In 1920 vielen de woordjes ìor Yellowî van onze naam af.
Drie jaar later kwamen pas de eerste Golden retrievers over de zee naar
Nederland.
Er is een oude, zwart wit foto van mijn aanstaande baas die als jongetje van
zeven maanden oud net kon zitten. In een park met een hond naast zich. Die hond
was van een voorbijganger, maar het is onmiskenbaar een Golden Retriever. Wel
van een ouder type dan mijn vader en moeder. Of hij was niet goed getrimd, dat
kan ook. Maar aan alles zag je dat het een Golden was uit die tijd. Romantisch
is het om te weten dat exact in die periode van de foto, op tien maart 1956,
toen mijn baas net kon zitten met een Golden aan zijn zij, de vereniging voor
golden liefhebbers werd opgericht.
De Golden Retriever Club Nederland. Toen nog met maar zestien leden waarvan er
slechts zeven naar de eerste vergadering konden komen. Die vereniging bestaat
nog steeds en mijn peetouders en ook aanstaande mensen zijn er lid van.
Eigenlijk zou de doelstelling van hoe die in 1956 was, nog steeds gehandhaafd
moeten blijven. Dat is door de loop van de jaren iets veranderd. Oorspronkelijk
wilde de vereniging fokkers en jagers van de\Golden Retriever bij elkaar brengen
om de liefhebberij voor het fokken van, en het werken met gezonde honden te
bevorderen. Inmiddels is de vereniging heel groot geworden en zijn er wel wat
andere belangen bij gekomen, niet uitsluitend het bij elkaar brengen van
liefhebbers en fokkers. Maar als ik daarover begin begeef ik me op een hellend,
politiek vlak waarvoor mijn Mistige Alter Ego me waarschuwt.
ì Skye! Als jongste stammoeder van een net geregistreerde kennel dien je je
verre van politieke uitspraken te houden. Ga nou niet de slimme Retriever
uithangen, nog voordat je een eerste Veel Belovend hebt gehaald in de ring. Ga
vooral niet vertellen wat je denkt te begrijpen over het verenigingsleven. Dat
is onder meer waarom ik je niet veel wilde vertellen over dit soort gevoelige
zaken. Je moet ze niet reproduceren. Wees maar gewoon een lief, schattig
puppenkind, dat niets teveel weet. Gedraag je als een Blonde Hond, niet als de
spreekwoordelijke Bonte Hond!î nevelde mijn Geest me in het oor.
Al met al is dit verhaal wel erg interessant. We zijn dus misschien geen
Russische circushonden van oorsprong, onze eerste voorouders komen van de
Culhamkennel. Cowslip, Primrose en Crocus zijn Engelse bloemennamen, er was een
Sir die later een Lord werd, het landgoed Guisachan is nu een ruÔne en wordt als
bedevaartoord voor de Golden retrieverliefhebbers tentoon gesteld en mijn
aanstaande baas staat op een foto als jongetje van zeven maanden met een golden
die misschien wel als eerste lid was van de G.R.C.N.
Best mooie dingen, allemaal. Als ik aan mijn Geest vraag: ìhoeveel weten mijn
aanstaande roedelleden over deze dingen? ì Dan haalt hij zijn vochtige slierten
van schouders op. Hij schudt zijn grijze hoofd. ìZe weten dat niet. Duffy weet
misschien, heel misschien nog iets over Schotland. Maar jouw aanstaande vrienden
worden niet gehinderd door deze kennis. Besef, Skye, dat jij Buitengewoon bent
en een Taak gaat krijgen als je groot en gezond bent. Dat is niet niets en
daarom moet je van al deze dingen iets afweten. Je zult hopelijk een Stammoeder
worden. Dat is heel wat anders dan een herplaatser. Met de daarbij behorende
wetenschappen.ì Hij buigt zich even over me heen en ik voel zijn natte vingers
over mijn kruin strelen. Het is een lief, beschermend gebaar. Ik voel me
wonderlijk gesterkt oor die aanraking. Hij heeft me in de afgelopen weken zoveel
geleerd, zoveel verteld en zoveel meegegeven dat ik, als het hier zou ophouden,
al een erg rijk en knap hondje zou zijn.
Maar hij is nog een kleine week bij me. Ik zal nog zes dagen van alles leren. En
dan, vier dagen voordat ik de tafel op ga, ben ik alleen en moet ik het zonder
de mist om mijn hoofd doen.
De baas en de vrouw weten nog steeds niet wie ik ben. Mijn peetouders ook niet.
Ik ben een van de vijf teefjes uit het nest. Wat is mijn naam? Wat is mijn
kleur? Het doet er niet toe, mijn mensen zullen dat vanzelf weten over een
tweetal weken. Wat er wel toe doet is dat ik dan verstoken ben van de morele
steun van mijn Geest. Dan moet ik het, net zoals mijn broertjes en zusjes,
helemaal alleen doen. Mama zegt dat ik het kan. Mama zegt dat we, als we maar
enigszins de kwaliteiten in ons hebben die een oorspronkelijke Retriever dient
te hebben, we ook goed van humeur en gemoedelijk van aard moeten zijn en vooral
dat we een natuurlijke zelfverzekerdheid moeten bezitten.
Ik hoop dat ik dat straks, zonder Mist in mijn vacht, ook heb! Geboorte en de
Regenboogbrug.
We hebben al een paar dagen de buitenlucht opgesnoven. Een heel nieuwe dimensie
in ons puppenleven. Na de verhuizing naar de ren is dit de volgende grote
overstap geweest. Buiten is leuk. Iets waait door je pels, het voelt koel, er
zijn een heleboel spannende luchtjes en speeltjes en er is zoveel ruimte! De
grote honden weten dat natuurlijk al lang, maar wij vinden het een ongelofelijk
feest en hopelijk blijft het goed weer. Zodat we morgen weer kunnen. En dan
daarna weer. We krijgen er niet genoeg van.
Volgen onze moeder worden we al aardig stevig en zijn we goed gebekt. Ik weet
niet zeker of dat echt een compliment is maar ik ga daar wel van uit. Als hond
moet je goed gebekt zijn, toch?
Mijn Vochtige Vriend vertelde me vandaag over iets heel erg zwaars. De cyclus
van het leven. Geboren worden en de onherroepelijke reis naar de Regenboogbrug.
Niet bepaald een onderwerp dat je als jonge pup graag wilt horen. Maar het is
een onderdeel van mijn opvoeding. Omdat ik al wat emoties van dat fenomeen heb
meegekregen door het plotselinge overlijden van Gipsy in zijn roedel, zal ik de
theorie hierachter misschien wat gemakkelijker in me opnemen.
Geboren worden lijkt eenvoudig. Met de poot op ìlijkt.î Ik heb het bijna zes
weken geleden zelf beleefd en ben in dat opzicht dus wat de Grote Mensen een
ervaringsdeskundige noemen.
Er kan erg veel fout gaan. Om te beginnen kan er al vanaf het begin dat de papa
bij de mama is, om het even in puppytermen te benoemen, iets mis gaan waardoor
er geen puppyís komen. Ze zeggen dan dat de teef leeg is gebleven. Een rauwe
term voor iets wat zeker voor de fokker, maar ook voor de teef zelf niet bepaald
een pretje is. Als teef kun je daardoor ziek worden of juist al ziek zijn
waardoor je geen puppyís kan krijgen. Een betrokken fokker wil dat altijd wel
proberen uit te zoeken maar het is vaak een speling van onze natuur. Dan kan je
nog zoveel onderzoek doen maar helemaal weten zul je het niet. Het kan aan de
reu liggen. Het kan aan de teef liggen. Het kan aan de combinatie van de reu en
de teef liggen, er zijn zoveel verschillende oorzaken en situaties dat ik daar
met de beste wil van de wereld hier niet op in kan gaan. Het zou een maand extra
schrijven kosten. Het gegeven blijft dat het voor alle partijen verdrietig is.
Maar als de teef gezond blijkt en ze is nog jong genoeg, dan zou het daarna nog
een keer opnieuw geprobeerd kunnen worden. Bij een volgende loopsheid en liefst
met een andere reu. Vaak krijgt ze bij een nieuwe poging wel puppyís.
Goed, laten we zeggen dat onze voorbeeldteef in dit verhaal, (en ik voel me heus
niet aangesproken, hoor. Zover ben ik de komende jaren nog niet!) na de volgende
dekking wel drachtig is.
De mensen gaan na een paar weken na de dekking een onderzoek doen bij de
dierenarts met een kleverig spulletje op haar buik, om van buiten naar binnen te
kijken of ze werkelijk puppies verwacht. Heel soms kunnen ze uit wat vage zwart
witte vlekken op een computerscherm zien of er veel pupjes gaan komen. Over het
algemeen zien ze wat grijzige vlekken en daaruit kunnen ze dan opmaken dat de
teef wel puppen gaat krijgen. Maar hoeveel, dat zal een geheim blijven tot het
moment dat ze komen. In de weken na het onderzoek zal, als alles nog steeds goed
blijft gaan, de buikomvang van de teef groeien, zullen haar tepels sterker
worden om goed melk te kunnen gaan geven en vaak zal de teef een verandering van
haar gedrag doormaken. Sommige aanstaande moeders worden sloom en lui, anderen
heel aanhankelijk naar hun baas en vrouw toe. Weer anderen willen liever maar
zoveel mogelijk met rust gelaten worden. Net als bij mensen gaat het bij de
teven heel verschillend toe. Het is niet van te voren te zeggen of een hond
speciale moedergevoelens gaat krijgen. Voor de fokker is dat altijd opnieuw een
avontuur om door te maken.
Nou ja, en dan komt de dag dat de puppyís hun weg naar de grote wereld gaan
vinden. De moederhond heeft dan vaak al een werpkist, die ze heeft
geÔnspecteerd. De bazen hebben meestal die werpkist met veel liefde voor hun
teef in elkaar getimmerd. Soms staat de naam van de kennel er op geschilderd,
zodat die te lezen is als de eerste fotoís van het jonge geluk het wereld wijde
web op gaan. Hoe dan ook, we gaan ervan uit dat de teef een fijne plek heeft om
te kunnen bevallen. Warm, veilig, afgesloten van de andere honden maar dicht
genoeg bij de baas of vrouw. Droog en schoon en ruim. Een kraamkamer.
Er is altijd een baas of vrouw of liefst allebei bij de teef als ze onrustig
wordt en als de bevalling niet lang meer op zich laat wachten. Ze wil niet meer
lekker eten, haar temperatuur daalt een paar graden en sommige teven gaan vanuit
hun instinct graven, zoals een wolvenmoeder dat in een roedel zou doen.
De baas of vrouw moeten als het ware de rol van de reu op zich nemen. De teef
moet zich veilig en beschermd voelen om te kunnen werpen, dus de mensen moeten
niet bij elke wee in paniek raken! De weeÎn kunnen best wel ruim voor de eerste
pup beginnen. En als die eerste pup er dan is, gezond en wel en de nageboorte
komt vlak daarna, kan het ook zomaar gebeuren dat de moeder eerst tevreden een
dutje gaat doen voordat de volgende pup geboren wordt.
Ik kan hier nu niet precies het verloop van een bevalling gaan uitleggen. Ik
weet niet helemaal meer in welke volgorde mijn broertjes en zussen geboren
werden maar gelukkig ging het voor onze mama Fallon allemaal heel soepel en was
ze snel van ons af. Niemand van ons had een tekort aan lucht, wat wel eens kan
gebeuren en alleen mijn kleine zusje was wel erg klein. Dat was eigenlijk het
enige opvallende van onze geboorte.
Mama was al snel echt een mama dus dit was misschien wel een geboorte zoals de
mensen dat graag in een boek lezen. Van :îHoe Het Moet.î Bijzonder is wel dat
het voor mama de allereerste keer was dat ze puppies kreeg maar voor papa was
het de allereerste keer dat hij zoiets mocht doen. Dus wij zijn eigenlijk
debutantjes!
Natuurlijk kan er in dit mooie verloop van dekking tot geboorte veel fout gaan.
Behalve dat een teef leeg kan blijven, zoals ik al aangaf, kunnen er ook puppies
al in de buik van de moeder geen levenskracht hebben. Dan krijgt ze puppies
zonder adem. Of er verschijnen een paar puppies minder dan de mensen
verwachtten. Puppies kunnen net na de geboorte niet sterk genoeg zijn. Of al
meteen ziek zijn. Het is altijd weer een belangrijk wonder als alle kinderen
blijven leven en goed drinken bij de moeder. Die moet herstellen van haar zware
werk en heeft tegelijkertijd meteen een fikse taak te vervullen. Want al die
hongerige bekkies, op zoek naar warme melk, kosten haar genoeg energie. Ik weet
dat heel goed want ik ben eigenlijk, net als mijn broertjes en zusjes, ook
onverzadigbaar. Vandaar dat Oma even roedeltechnisch is ingesprongen en mama
bijstaat in het voederen van ons, de ìwildeî dieren.
Dat was zoín beetje het verhaal van een geboorte.
Dan heb je ook het verhaal van de Regenboogbrug. Dat is romantisch bedacht door
de mensen om zichzelf te troosten en om alles een plaats te geven in hun hoofd.
We worden natuurlijk het liefst allemaal heel gezond heel oud. Mijn aanstaande
vrouw heeft een hond gekend die ruim 13 jaar werd en tot vlak voor haar
Regenboogbrug reis nog volop leven en lust zat. Ze was vrolijk, kerngezond lek
ze en er was geen reden voor haar vrouwtje om verdrietig te zijn dat haar einde
zo snel naderde. Maar ineens ging de Grande Dame, want dat was ze tot in haar
voetzooltjes, heel snel achteruit. Ze liep niet goed meer, wilde niet veel meer
en werd binnen een paar etmalen ziek. Haar vrouwtje was de wanhoop nabij want ze
had het hele leven met haar lieveling doorleeft en ze kon haar nog niet missen.
Toch bleek dat de Grande Dame niet meer verder kon. Ze is, omringt door iedereen
die haar lief was, op haar eigen kussen ingeslapen en heeft kalm de reis naar de
regenboogbrug aanvaard.
Maar wat is dat, vraag ik me als kleine pup af? Ik heb die woorden ook al bij
Gipsy gehoord, en bij Milo en al de oude jongens van mijn aanstaande roedel. Wat
is dan die Regenboogbrug, wat is inslapen?
Volgens mijn Mistige Maat is inslapen niets meer of minder dan dat. Inslapen om
niet meer wakker te worden. ìDe mensen zijn verplicht om voor hun hond te zorgen
tot in de dood. Ze nemen het leven van de hond in hun handen als ze de hond in
hun leven opnemen. Zoals dat in een roedel in het wild gaat, zal een doodzieke
hond door zijn eigen roedelgenoten of doodgebeten worden of ze laten hem achter
om zijn laatste reis zelf te gaan maken. De mens wil voor de hond zorgen en zal
dus op het juiste moment moeten beslissen om de hond van pijn, onmacht en last
te verlossen.î Helemaal begreep ik dat nog niet. ìWanneer weet een mens dat zijn
hond pijn krijgt, onmacht voelt of last heeft?î
De Wijze Grijze trok nadenkend aan zijn nevelbaard. ìDe mens weet dat pas op het
moment dat het zover is. Net als dat hij pas weet op het moment dat de teef gaat
bevallen, dat ze bezig is. Soms zien ze aan hun trouwe vriend dat hij pijn heeft
door hoe hij beweegt, hoe hij kijkt, hoe moe hij is. Maar er zijn ook gevallen
van niet willen weten en ja, dan zijn ze vaak te laat.î ìWat kan er dan gebeuren
als de mens te laat is om de hond in te laten slapen?î Vroeg ik, ik vond dat
nogal een beangstigend idee. ìDan zal de hond zelf zin vermoeide hoofd
neerleggen mar daar gaat meestal een strijd aan vooraf die we niemand gunnen.î
Dat klonk onheilspellend. Ik voelde hoe mijn hart ergens hoog in mijn keel
klopte. Dit waren dingen die ik eigenlijk nog helemaal niet wilde weten. Ik
snakte naar een veilige slok warme mamamelk. Maar als Teef met een Missie moest
ik door de vieze worst heen bijten om het mensenspreekwoord maar even op een
hondse manier te interpreteren.
ìMaar waren mijn mensen dan met Milo te laat? Die lieten ze niet inslapen, maar
hij ging uit zichzelf dood.îpiepte ik, met een lichte golf van paniek. Dat wilde
ik niet. Ik wilde niet dat Milo meer ongemak had gehad dan nodig was. Ook al
kende ik hem niet.
ìNee, met Milo was dat heel anders. Milo leek er aan toe. En jouw baas en vrouw
hadden ook besloten dat het Miloís tijd was. Dus hij zou inslapen. Maar Milo
zelf was nog niet helemaal klaar. Hij was verschrikkelijk ziek maar miste zijn
roedel. En wilde niet weg alvorens hij op zijn eigen manier afscheid had genomen
van zijn groep, waarvan hij de baas was. Ik vertelde je dat hij binnen enkele
uren ineens weer zo opknapte dat hij tussen de andere honden zijn stoute streken
weer oppakte. Hij heeft die paar dagen echt nodig gehad en ten volle benut om
zich over te geven aan die reis. Iets riep hem. Iets trok aan zijn vacht maar
hij was pas klaar op het moment dat de vrouw en de baas andere dingen hadden
waar ze zich mee bezig moesten houden. Er waren mensen op bezoek die aandacht
nodig hadden. Milo was, in die laatste paar dagen die hij zichzelf toegeÎigend
had, zo krachtig geworden dat hij uit zichzelf kon sterven op zijn eigen
gewenste ogenblik. Vergeet niet dat hij de ranghoogste was. Hij had een ijzeren
wil, ook en vooral over zijn eigen lijf en geest. Hij ging liggen nadat hij met
Lewis gespeeld had. Tegen Gipsy aan. Toen de baas en de vrouw afgeleid waren
door hun gasten. Hij sliep uit zichzelf, op eigen kracht in. Daar was geen
sprake van Te laat of Te Vroeg. Dit was een tijdig afscheid. Skye, zoiets zal
jouw baas en vrouw niet vaak overkomen. Veel vaker zullen zij de beslissing
moeten nemen, hoe vroeg of laat dan ook, om een van jouw vrienden in te laten
slapen. Het is nooit een fijn moment, voor niemand. Voor jullie, als
roedelgenootjes ook niet. Maar weet dat jouw mensen het leven van een dierbare
hondenvriend nooit onnodig zullen rekken.î Ik was opnieuw onder de indruk van de
wijze lessen van mijn Geest.
ìEn hoe voelt dat dan, als je inslaapt? ìvroeg ik terwijl ik het eigenlijk niet
echt wilde weten. Er ging een zucht van vocht langs me heen.
ìDat weet niemand. Geen mens, geen dier. Je slaapt. Je wordt niet wakker. Je
lijf ontbindt. Droom je? Beleef je? Skye, dat weten we echt niet. Maar als
troost voor de mensen is er de Regenboogbrug. Het verhaal wil dat alle overleden
hondjes daar heen gaan, over die brug. Daar achter zijn groene weiden, heel veel
lekker eten. Daar is geen pijn en ongemak. Honden die van ouderdom zijn
gestorven worden weer jong. Honden die met pijn zijn gestorven, voelen geen pijn
meer. Ze spelen, eten, zijn vrolijk en blij. En af en toe staat er een hondje
stil tijdens het spel. Hij kijkt, ruikt in de lucht en ziet in de verte zijn
baasje de Brug over komen. Hij maakt zich los van de anderen waarmee hij op dat
moment aan het dollen was en rent naar zijn baasje, zonder enig ongemak of last.
Ze vliegen elkaar in de poten en dan. Ja, Skye, dan? Dan gaat de hond met de
baas mee. Over de Brug. Naar een andere dimensie. Het zal allemaal niet echt
zijn maar dit verhaal helpt de mensen om het verlies van hun hondenvriend te
verwerken. Voor jouw mensen spelen Milo, Jaco, Gipsy en Muffin met elkaar. En
met de Grande Dame en met een Golden met ÈÈn oog, Balou en met Jari en Ashley en
Skip en Kyra en Flapper. Achter die Regenboogbrug is het een en al goud wat er
blinkt. Het zal hopelijk wel een tijdje duren eer er een zijn koppie optilt
omdat er een baasje de Brug over komt. Maar nu weet je wat het is. En het zal
heel erg lang moeten duren eer jij zover bent.î Hij zweefde weg, een dunne
sliert nattigheid achterlatend. Ditmaal geen aai over mijn bol met lange,
vochtige vingers.
Ik kroop stilletjes tegen mama aan. Het zal niet zo lang meer duren dat ik haar
niet meer elke nacht kan voelen. Ik wist even niet of het wel zo fijn is om een
Belangrijke Teef te zijn. Maar een van mijn broertjes begon zo heftig te dromen
dat hij met zijn poten in mijn buik bleef porren. En dat bracht me weer terug in
mijn eigen wereld. Ver van geboortes en regenbogen. Ik gaf hem een knauw. Hij
werd wakker en beet me in mijn poot. Het zou op bekvechten aankomen als we niet
door oma tot stilte werden gemaand.
Dat is de realiteit. Daarna ging mijn broertje weer tevreden slapen, in stilte.
En ik ook.Socialisatie en senioren.
Kijk, wij zijn nu bijna zes weken oud en dan schijnen we de zogenaamde
inprentingfase al bijna gehad te hebben. Nog niet helemaal, hoor, maar voor een
groot deel moeten we wel ongeveer weten dat mensen en andere dieren niet eng
zijn. Onze ogen en oren zijn open gegaan waardoor we veel indrukken hebben
gekregen die we ons leven lang zullen blijven herinneren en we zijn in deze
periode voor de duvel niet bang. Dat is waarom mijn Gave zich ook in deze vroege
periode al aan mij openbaarde. Op een later tijdstip zou ik me zomaar de
griebels kunnen schrikken van zoín vochtig grijs gedrocht waar ik als enige uit
het nest doorheen kan kijken. In deze fase zijn we nog bij onze mama en familie,
dat is veilig om van allerlei dingen te leren omdat we dan veel aan elkaar
hebben en veel van elkaar kunnen overnemen.
Vanaf onze achtste week tot we ongeveer drie maanden oud zijn, moeten we de
eerste socialisatiefase doormaken. Dat is ook het moment waarop we naar onze
eigen huizen gaan. Dan kunnen we wel een beetje bang worden voor vreemde dingen
en daarom is het belangrijk dat onze nieuwe mensen van alles met ons ondernemen
en ons met zo veel mogelijk verschillende situaties in aanraking laten komen.
Vaak ben je op deze leeftijd nog niet op een puppenklasje omdat je nog niet alle
entingen hebt gehad. Maar je kunt best al een keer mee tijdens een ritje in de
auto of met een bus, trein, boot of zeppelin. Of zoiets. Van alles is welkom.
Natuurlijk ook weer niet teveel want dat kunnen onze kleine hersentjes niet aan.
Van alles voldoende maar toch met mate. Een spreuk die mijn Geest zomaar uit
zijn wapperende, winderige, natte mouw schudde.
Zoals Noddy en Lewis bij onze mensen mee gingen naar boerderijen, de dierentuin,
kerstmarkten, tuincentra, restaurants, grote steden en kleine dorpen, zo zou
ikhet ook wel willen. Denk ik. Noddy heeft op heel jonge leeftijd kennis gemaakt
met een heel chique hotel in een kasteel. Waar hij tijdens de avondwandeling
schrok van een bronzen beeld in de uitgestrekte kasteeltuin. Later was hij
uiteindelijk erg gemakkelijk in andere omgevingen. Dat had ook te maken met de
vakantie naar Frankrijk, toen hij nauwelijks drie maanden oud was en dus nog in
zijn socialisatieperiode zat. Lewis heeft ook verschillende vreemde dingen
meegemaakt en zal bijvoorbeeld zijn leven lang niet bang zijn van een
verhuiswagen. Om maar wat te noemen. En als we dit dan toch doortrekken;
betoveropa Duffy zal werkelijk niet koud of warm worden van een reisje door de
lucht in een vliegtuig. Die ervaring heeft hij als jonge pup van drie maanden
opgedaan en er is geen hond die daar nog steeds zo onverstoorbaar op zal
reageren als hij.
Ik ben benieuwd waar ze mij mee naar toe nemen. Nu, in de puppyren, leren we al
van alles. Vreemde mensen, speelgoed, geluiden. We mogen buiten scharrelen en
luisteren een beetje naar onze peetmoeder als ze ons roept om naar binnen te
gaan. Maar met zijn achten is dat allemaal toch niet zo eng en dat is waarom de
tijd hierna een stuk ingewikkelder zal zijn. Als we het op onszelf moeten zien
te doen. Zonder mamaís inspecterende blik, zonder omaís wijsheid en zonder
elkaar.
Gelukkig heb ik straks de vrienden om me heen. Maar ook dat schijnt niet altijd
even gunstig te zijn. Ik hoorde dat Lewis bijvoorbeeld te veel aan zijn roedel
hing toen hij klein was en later als jonge hond in paniek kon raken als hij
zonder een van zijn grote vrienden was. Hij is net een beetje teveel met de
anderen mee geweest en net een beetje te weinig alleen. Het was geen dramatisch
hiaat in zijn ontwikkeling maar het viel wel op dat hij soms wat onzeker was als
hij alleen ergens mee naar toe genomen werd. Daarom onder andere heeft hij een
paar maanden geleden, toen hij nog geen twee jaar was, zonder zijn vrienden
gelogeerd in een heel klein roedeltje. Hij was daar samen met een mooie, jonge
teef. Ze waren de allerbeste maatjes en Lewis heeft daar ook wel moeten leren
dat hij zich niet altijd achter zijn grote vrienden kon blijven verschuilen. En
niet altijd achter zijn vriendinnetje aan kon blijven sjouwen. Want dat was best
een eigengereide dame die af en toe zelfstandig dingen wilde ondernemen. Zodat
Lewis zijn eigen boontjes moest doppen.
Die paar weken hebben hem een beetje zelfverzekerder gemaakt en dat was net wat
hij nodig had om als een volwassen, volwaardige reu in het roedel te fungeren.
Alhoewel, zo heb ik me laten influisteren, hij nog steeds met zijn twee jaar als
ìde kleineî wordt beschouwd. Als we stabiel genoeg door de eerste
socialisatieperiode zijn gerold en we zijn zoín dertien weken oud, dan moet
eigenlijk alles weer opnieuw herhaald worden. Dat is omdat we in die periode
gaan ontdekken wie we zijn en wat voor plaats we in ons roedel innemen. We
kunnen zomaar ergens van gaan schrikken waar we eerder kwispelend aan voorbij
gingen. Dus het geduld van onze bazen zal behoorlijk op proef gesteld gaan
worden. Helemaal omdat we na die tweede socialisatiefase gaan puberen en zomaar
alles kunnen vergeten wat we hebben geleerd. Dat komt niet alleen omdat we dan
geen zin meer hebben in de commandoís van onze bazen maar ook omdat onze
hormonen, wat dat dan ook moge zijn, opspelen. Als teef kun je in die tijd voor
de eerste keer loops worden met alle gevolgen van dien. Reuen willen nogal eens
laten zien dat zij echt wel de baas in huis zouden willen zijn.
Overigens schijnt Lewis daar nauwelijks last van gehad te hebben. Die heeft niet
gepuberd, als ik de Geest mag geloven. Noddy daarentegen was wel een handvol.
Dat, terwijl hij in alle fases de meeste aandacht kreeg omdat hij enigst hond
was en de baas en vrouw nog zelf ook zoveel moesten leren. Misschien had het een
met het ander te maken.
Als ik het allemaal goed begrepen heb is dat deel van opgroeien, die puberteit,
ook niet het meest eenvoudige wat je als hond moet doormaken. Niemand heeft
gezegd dat groot worden gemakkelijk is! En dan zijn de meeste honden nog niet
eens uitverkoren om Verder Te Gaan, zoals ik.
Het is een lang traject eer je de juiste hond voor je baas bent geworden. En eer
je baas de juiste leider voor jou is geworden, laten we dat ook vooral niet uit
het oog verliezen! Ik heb de Geest horen zeggen dat Lewis bijvoorbeeld nu pas
uitgegroeid is tot de hond die hij zou gaan worden. Zowel in kracht en uiterlijk
als qua karakter. Noddy heeft daar nog langer over gedaan maar is uiteindelijk
na een lange, lange puberteit een betrouwbare, trouwe vriend geworden waar de
baas en vrouw blindelings van op aan kunnen.
Er is een spreekwoord dat zegt dat een hond de eerste vier jaar een jonge hond
is, de tweede vier jaar een goede hond is en de laatste vier jaar een oude hond.
In die categorieÎn zijn mijn vrienden wel verdeeld. Lewis is duidelijk een jonge
hond, Noddy is een goede hond en Bo, Chico en Duffy zijn de oude honden.
Wat me meteen naar een ander deel van deze lezing voert: de voorliefde van mijn
mensen voor de oude honden. Die hebben hun leerperiode gehad, ze zijn ruim vier
jaar lang een goede hond geweest en hebben een uitgebreide ervaring in wat ze
geleerd en gedaan hebben. Over het algemeen hoeft een oude hond niet meer zoveel
te leren tenzij hij, zoals Chico bijvoorbeeld, nog heel leergierig is. Een hond
als Milo wilde op zijn negenjarige leeftijd nog een heel nieuw leven leren en
dat is hem tot op de dag van zijn heengaan ook gelukt. Hij was altijd bezig met
verder gaan. In zijn leerprocessen, zijn indrukken, zijn ontwikkeling. Hij dronk
vooruitgang.
Gipsy, die ook als oude hond bij de baas en vrouw kwam, war daarin een
tegenstelling. Hij hoefde niet meer te leren. Hij was gedegen in wat hij kende
en wist en zijn socialisatie moet eenvoudig en duidelijk zijn geweest. Er waren
geen zaken waar hij erg onder de indruk van raakte maar hij ontwikkelde zich ook
niet veel verder meer. Genietend van alles wat hij meemaakte, zeker van zijn
eigen kunnen en stabiel in zijn gedrag. Het is vanzelfsprekend voor mijn mensen
heel fijn om te zien dat de oude honden die ze opnemen, zich goed voelen door
zichzelf te kunnen zijn. Bo is het type wat door zijn omgang binnen het roedel
nog steeds, na bijna een jaar, aan het ontwikkelen is. Met kleine dingen kun je
dat aan hem merken. Hij heeft pas een paar weken geleden geleerd om te spelen,
hij haalt onverwacht allerlei trucjes uit die hij vroeger geleerd heeft, maar nu
met een andere draai eraan. Wat meer toegespitst is op zijn huidige situatie.
Dus je kunt wel zeggen dat ondanks zijn leeftijd en zijn verstandelijke
beperkingen, ook Bo nog steeds een beetje groeit.
Chico, ik zei het al, wil nog steeds veel en intens leren en werken. Het kind
merkt dat als ze met hem traint voor een show, de vrouw merkt dat als hij
onverwacht uit de hoek komt met nieuwe dingen waar hij veel plezier in lijkt te
hebben. Chico zou een geweldige kandidaat zijn om op zijn leeftijd van negen
jaar nog te leren doggydansen. Speuren zou hij ook uitstekend kunnen oppakken en
hij doet graag oefeningen op de behendigheidstoestellen. Spelen is, net als bij
Milo en Bo, iets wat hij sinds kort onder de poot begint te krijgen.
Duffy heeft de drie delen van een hondenleven doorgemaakt. Hij was een jonge
hond, hij was een heel goede hond, hij was een oude hond en is nu in alle
opzichten een veteraan. Hij leert niets meer of het moet iets nieuws zijn wat
niets met opvoeding te maken heeft. Hij weet dat hij, als enige en oudste, voor
de nacht nog een schaaltje yoghurt of vla mag uitlikken. Hij heeft zichzelf
aangeleerd om op de slaapkamer bij de baas en de vrouw te slapen. Daar ligt
lekkere zachte, inmiddels niet meer mooie vloerbedekking.
Hij had van Muffin meegekregen dat je tijdens het eten van de mensen naar hen
kunt gaan staan staren en dan een schelle blaf kan weggeven. Dat heeft hij
zichzelf overigens ook weer afgeleerd. Gelukkig maar, dat is beter voor de rust
tijdens de maaltijd.
Zo aandoenlijk en schattig de mensen ons, pupjes, vinden, zo aandoenlijk vinden
ze onze bejaarde medehonden ook. Wij zijn nog mollig, onbeholpen, knuffelig en
lijken hun bescherming nodig te hebben. De senioren hebben met hun grijze
snoeten ook hun bescherming nodig en zijn op een andere manier knuffelig. Soms
zelfs onbeholpen. Want een senior kan gaan kwakkelen met de gezondheid. Wat
minder gemakkelijk overeind komen na een dutje. Niet altijd de grote ronde mee
willen wandelen. Soms zien ze minder of worden wat doof, zoals opa. Er zijn ook
senioren die alles wat ze ooit in hun socialisatieperiode geleerd hebben,
helemaal vergeten. Dan zijn ze langzaam aan niet meer zindelijk of weten niet
wanneer het dag of nacht is. Ze vergeten dat ze pas uit geweest zijn. Allemaal
kwaaltjes die de bazen voor lief moeten nemen als ze hun senior een goede oude
dag gunnen.
Daar staat tegenover dat een senior een ander hoofd krijgt als ze wat witter
worden en hun ogen wat minder helder zijn. Ik hoor regelmatig van mijn Grote
Grauwigheid dat mijn mensen ontroerd kunnen raken bij het zien van Duffy, als
hij weer zijn oude clownskop trekt of als hij een onbeholpen sprintje trekt. Als
hij met een kreukelige snuit wakker wordt en hen dan verwonderd aankijkt. Zijn
kleine, krullerige berenoortjes gespitst. Zijn vacht lijkt dikker en er zit meer
golf in. Hij is niet goud meer maar wit. Er is een waas dat zijn gitzwarte
olijvenogen omfloerst. Van alle honden is zijn neus nog de meest zwarte en die
is in heftig contrast met dat licht geworden snuitje. In zijn
gezichtsuitdrukking kun je lezen dat hij al een lang leven achter de rug is.
Maar hij heeft er niet genoeg van. Hij blaakt nog van gezondheid voor zover dat
op deze leeftijd mogelijk is en als hij op zijn rug ligt te grappen, dan is zijn
gedrag als van een jonge hond.
Ook Chico wordt al een gedistingeerde grijsaard. Om zijn snuit is een krans van
witte haren ontstaan, rond zijn ogen tekent zich een lichte bril af en in zijn
diepgouden staart is een prachtige grijzige pluim te zien.
Als je hem ziet lopen met zijn dansende tred en rechte, wuivende staart dan zou
je niet zeggen dat hij aan de derde fase van zijn leeftijd is begonnen.
Bij Bo zijn nauwelijks tekenen van ouderdom te bespeuren of het moet de lichte
stijfheid van zijn heupen en achterpoten zijn. Toch zal ook hij niet lang meer
de gouden kleur hebben die hem nu zo siert. Je ziet al een paar lichte vlekken
in zijn snoet.
Deze oudere honden hebben allemaal hun eigen levenswijsheid en dat maakt hen zo
speciaal.
Wij jonkies zijn op onze manier speciaal. Wij staan aan het begin van die lange
levenswijsheid. Honden als Lewis en Noddy zijn speciaal om wat ze in hun tijd
geworden zijn en nog zullen gaan worden. En zo, als ik het allemaal goed op een
rijtje heb, kom ik tot de conclusie dat je eigenlijk als hond je leven lang
speciaal blijft. In elke fase. Van pup in de socialisatieperiode, van puber in
de hormonaal moeilijke tijd, van jonge hond die nog enthousiast veel leren kan.
Tot goede hond waarmee naar hartelust gewerkt kan worden met respect voor
elkaar. Tot slot als oude hond. De veteraan.
Wat is het fijn om zoín heel leven voor me te hebben en te weten dat ik later,
veel later, als bejaarde teef nog steeds geliefd zal zijn!
Ik hoor de Geest iets van ìAmenî prevelen. Maar het kan ook zomaar ìSamen!î
zijn. Het was geen zwaar onderwerp vandaag. Terwijl ik me in een slaaphouding
leg, zie ik door mijn oogharen dat hij door de kieren van het raam glipt. De
natte nacht in. Waar hij hoort.Hulphonden.
Vannacht wed ik met een schok wakker. Ik realiseerde me ineens dat ik niet lang
meer vergezeld zal worden door mijn Grauwe Alter Ego. Dat is best een eng idee.
Want als hij weg gaat, dan moet ik me weer als ìgewoneî pup tussen mijn
broertjes en zusjes voegen. Het schijnt dat ik veel van alles wat ik hier heb
genoteerd, zal vergeten. En behalve dat ik uiteraard mijn Missie blijf behouden,
zal het verhalende aspect van mijn ontwikkeling van de afgelopen weken langzaam
verdwijnen. Dan ben ik niet meer of minder dan Skye, mogelijk aanstaande
stammoeder van de kennel Hogmanay, zonder al die wijsheid en kennis. Volgens
mijn Geest weet ik later ook niet beter meer. Het voelt een beetje beangstigend,
alsof ik in de steek gelaten ga worden.
Dat is natuurlijk niet zo. Ik blijf nog bij mama en mijn nestgenootjes, ik ga de
tafel op, de puppytest is in het verschiet en er zijn nog minstens twee
bezoekmiddagen.
Toch gaat het allemaal snel. We hebben zelfs de rijstkorrel al in onze nekken
gekregen dus onze namen zijn ook bekend. Voor ons zelf dan tenminste. En voor
onze peetouders.
Er zijn andere Golden retrievers die ook een Missie hebben. Daar zijn
bijvoorbeeld de jachthonden, die van jongs af aan echt getraind worden om mee te
gaan jagen en dat zijn zeer zeker geen vrijblijvende, leuke cursussen om te zien
of je wel talent hebt. Nee, die trainingen zorgen ervoor dat de honden echte
jachthonden worden, ware werkers voor hun baas.
Ook honden die op een speciale manier geleerd wordt om mensen en waren op te
speuren worden al heel jong op school gedaan. Hun neus wordt gebruikt om
spannende dingen te zoeken. Foute spullen of verloren gewaande mensen.
Zij moeten weten dat ze mensen en dingen die ze vinden wel mogen aanwijzen, maar
ze mogen uiteindelijk niets vastpakken. Geen mens en ook geen handel. Dat is
uitsluitend weggelegd voor politiehonden. Daar zijn over het algemeen geen
Golden retrievers bij. Wij zullen nooit vervaarlijke politiehonden kunnen
worden. We zijn niet in de ren gelegd voor het zogenaamde pakwerk. Een hoogst
enkele keer is er wel een retriever die een beetje aan pakwerktraining mag doen,
maar het percentage pakwerkgoldens is te negeren. Daarvoor hebben we een te
zachte uitstraling. Stel je voor, dat bijvoorbeeld mijn mama of mijn oudoom
Lewis achter een boef aan zou moeten gaan. Ze zouden kwispelend op de man afgaan
en zich heerlijk tegen zijn been aanschurken. De boef in kwestie zou zich
omdraaien om zijn achtervolger achter de oortjes te kriebelen. Op zich heeft de
politieman dan wel het gewenste effect want terwijl de bandiet de hond knuffelt,
kan hij in de boeien geslagen worden. Maar toch is dat geen haalbare situatie.
Overigens, zo fluistert mijn Geest me in, de wereld zou er wel een stuk
aantrekkelijker uitzien. Als wij, Golden retrievers, ingezet zouden worden om de
misdaad te bestrijden met een charmeoffensief dan was alles mooier en
lieflijker. Elke crimineel zou huilend om zijn moeder smeken bij het zien van
ons, schattige, lieve honden. Omdat hij ook zoín wollig retrievertje wil hebben.
Of omdat hij zich beschaamd voelt dat hij opgespoord werd door een knuffel als
bijvoorbeeld overopa Duffy. Als je daardoor aangehouden wordt, dan vraag je
jezelf als crimineel toch terecht af of je wel de juiste weg bewandeld hebt.
Misschien moeten onze bazen dat eens voorstellen. Bij de Partij voor de Dieren
hebben ze daar vast wel oren naar.
Ik dwaal door het gemurmel van mijn Gave af. Ik was gebleven bij het feit dat er
veel Golden retrievers al op heel jonge leeftijd opgeleid worden om hulphond te
worden. Sommige honden worden er zelfs special voor gefokt. Dan kun je nog eens
over een voorbestemming spreken. Nog voordat je moeder gedekt is, heb je al een
missie.
Honden zoals Bo, nog niet geboren en al voorbestemd om De Mens te Helpen. Voor
de taak van Bo moeten ze in hun socialisatieperiode al heel veel commandoís
leren. Hele vreemde dingen. Behalve het gebruikelijke ìzit, af en blijf..î
moeten ze voorwerpen leren oprapen, vastpakken, en vooral loslaten op commando.
Naast een stoel met wielen lopen zonder te trekken, in allerlei verschillende
gebouwen moeten ze zich heel netjes kunnen gedragen. Want dat zijn vaak gebouwen
waar normaal een hond helemaal niet mag komen. Maar deze hulphonden wel, want
zij begeleiden hun Mens. Ze doen boodschappen, ze geven van alles aan, ze voeren
betalingen uit, ze helpen de mensen zelfs om zich uit te kleden. De wasmachine
kan zomaar door een hulphond met zachte bek leeggehaald worden. Ze doen de
lichten aan of uit, openen deuren die voor een ander gesloten blijven. Ja, dat
is nog eens een Taak.
Aan Bo merk je niet veel meer. Hij wil nog steeds heel graag dingen halen en
brengen voor de baas en de vrouw en kan van dat spelletje echt wel genieten.
Zeker als hij er voor beloond wordt. Maar hij geeft soms de spullen met moeite
af en dat is nou juist een van de meest belangrijke eigenschappen van een
hulphond. Dat hij of zij ten allen tijde het voorwerp loslaat als zijn baas dat
vraagt.
Naast die zware opleiding, die al zo vroeg in het leven van een puppy begint,
worden de hulphonden ook heel streng op medisch gebied onderzocht. Dat is nog
erger dan als je als Missieteef een nestje moet gaan krijgen. Hulphonden moeten
kerngezond zijn en een ijzeren conditie en uithoudingsvermogen hebben. Daar mag
men niet licht over denken. Bo is eigenlijk na een korte tijd al afgekeurd omdat
zijn heupen niet goed genoeg waren. Niet dat hij aantoonbaar de beruchte
afwijking HD had, maar helemaal goed zat het niet.
Er zijn allerlei verschillende soorten hulphonden. Honden die de ogen van hun
mens zijn met hun neus. Dat is zo knap! Als hun baas niet of nauwelijks kan
zien, helpen de honden hen. Ze lopen aan een soort beugel, enkele stappen voor
hun bazen uit. Die vertrouwen op hun hond. Hij wijst hen immers de weg door het
dagelijkse leven. Dat soort hulphond moet zorgen dat zijn niet ziende baas de
obstakels op de weg ontloopt. Ze helpen hen met het oversteken van een straat,
of om de juiste winkel in te gaan. Ze zorgen ervoor dat de baas de goede bus of
trein kan pakken. Volgens mij moeten dat soort honden niet ÈÈn enkele Mistige
Geest hebben, maar een heel roedel van Influisteraars. Je kunt dat als Golden
retriever toch niet helemaal zelf doen? Alhoewel wij natuurlijk heel goed kunnen
leren en heel goed kunnen onthouden en heel erg gericht zijn op onze baas. Al
die kwaliteiten hebben we nodig om te zijn wie we zijn. Die kwaliteiten worden
bij de hulphonden heel erg gestimuleerd en uitvergroot. Daarom dat ze zo knap
zijn. Want laten we eerlijk wezen. Het is heus belangrijk wat ik later mag gaan
doen als alles goed gaat. Die verantwoordelijkheid zal best op mijn schouders
gaan rusten. Maar dat valt in het niet bij wat deze honden voor een Missie
hebben. Ik mag dan mijn baas en vrouw wel gelukkig maken door hun misschien een
mooie nest gezonde puppies te geven, maar dat is toch van een andere categorie
dan dat ik mijn vrouw zou assisteren met de was of mijn baas in de trein zou
helpen. Of met het kind mee naar school zou gaan als zij in een stoel met
wieltjes zou zitten. Niet alleen de honden krijgen een gedegen opvoeding, ook de
mensen die ze moeten gaan helpen wordt geleerd hoe ze om hulp van hun hond
moeten vragen. De commandoís zijn soms in wel drie verschillende talen zodat de
hond niet verward kan raken met ìblijfî en ìvrijî bijvoorbeeld. Een fout die
mijn vrouw met Noddy heeft gemaakt. Nou was dat in Noddyís geval geen ramp, maar
stel je voor dat iemand in een stoel op wielen dat bij zijn hond zou
verwisselen. En de hond zou ìvrijî verstaan terwijl hij juist naast de stoel
moest blijven! Een soort hulphond is geleerd om te gaan hengelen aan de arm van
de baas als de telefoon gaat, of de deurbel. Als die laatste klinkt, zal de hond
aan de mouw van zijn baas gaan trekken en steeds even in de richting van de
voordeur kijken. De baas, die doof is en geen bel heeft gehoord, leest zo uit de
lichaamstaal van zijn hondenvriend dat er iemand voor de deur staat. En als de
telefoon gaat, weet zoín knappe gast ook hoe hij zijn baas daarop moet
attenderen. Dat zijn afgesproken regels die ze allebei begrijpen.
Tot slot zijn er hulphonden die hun baas of vrouw dag en nacht moeten beschermen
en in de gaten moeten houden. Zij weten, dat als hun chronisch zieke baas een
aanval krijgt, waardoor ze het bijvoorbeeld heel benauwd krijgen of waardoor ze
het bewustzijn verliezen, dat ze dan op een bepaalde knop moeten drukken in het
huis. Op een afgesproken plaats. Als de hond op die bewuste knop drukt, gaat er
ergens anders een alarm af en daardoor kunnen hulpverleners zien wie er waar
ziek is geworden. Hulphonden zijn voor deze groep patiÎnten meer dan alleen maar
een hulpje in huis. Ze zijn van levensbelang. En als je dat weet, als klein
pupje, en maar half begrijpt wat dat allemaal kan betekenen, dan kan je niet
anders dan diep respect voelen voor alle honden de mensen helpen.
Hulphonden mogen niet zwemmen, niet zomaar met andere honden spelen, ze moeten
zich vooral weten te beheersen en pas als het hun vrije speelkwartiertje is, dan
mogen ze even doen waar ze zelf zin in hebben. Eigenlijk staan ze vrijwel de
hele dag onder appËl.
Als ze de leeftijd van acht jaar hebben bereikt, mogen ze van hun vrije tijd
gaan genieten. Dan zijn de jaren van jonge en goede hond voorbij. Meestal worden
ze uitgeplaatst want de hulpbehoevende mens heeft dan vaak weer een vervanger
gekregen omdat ze niet zonder een maatje kunnen. En niet altijd ruimte hebben
voor een pensioengerechtigde hulphond. De band tussen hen is wel erg nauw en
intiem dus het is voor beide partijen niet gemakkelijk om afscheid van elkaar te
nemen. Toch is dat in veel gevallen onvermijdelijk. Het is dan zaak dat de
hulphond zijn laatste jaren in een goede, liefhebbende omgeving mag slijten.
Het zou me niets verbazen als er ooit een pensionada hulphond in ons roedel
opgevangen wordt. Mijn aanstaande baas en vrouw zijn er in ieder geval gek
genoeg voor. En de omgeving is zeker goed en liefhebbend.
Zoals de lezer ziet, kijk ik torenhoog tegen echte hulphonden op. Om hun
opleiding, hun standvastigheid, kracht en initiatief. Hun ongelooflijke ìwill to
pleaseî dat fenomeen waarvan de ene helft van de hondenliefhebbers zegt dat het
onzin is en niet bestaat en waarvan het andere deel het juist in zijn honden wil
fokken. Geloof me, ik weet door de lessen van mijn Hogere, natte Macht dat ìwill
to pleaseî wel degelijk een karaktereigenschap van de Golden retriever is.
Daar zijn onze verre voorouders op gefokt. Naast en achter je baas staan, voor
hem werken en met hem werken. Natuurlijk doen we ook dingen omdat we er beter
van denken te worden. We zijn, als hond, niet voor niets opportunist. Maar alles
volgens onze eigen instincten en de daarbij behorende onuitgesproken regels. We
volgen graag onze baas omdat hij voor ons eten zorgt. We willen gevoelsmatig
dicht bij hem blijven omdat hij ons beschermen kan maar ons ook wil leiden. Dat
is ìwill to Pleaseî in de meest simpele betekenis. Het is het mechanisme van ons
instinct, wat ons zo doet reageren. Al die typische eigenschappen van de Golden
retriever worden graag terug gezien in het karakter van een leuke huishond maar
is het absoluut onontbeerlijk voor een werkende hulphond. Vandaar ook de
fokprogrammaís. Sommige hulphondverenigingen hebben hun eigen reuen en teven en
zij fokken daardoor heel specifiek op dat wat ze voor een groep hulphonden nodig
hebben. Dat houdt in dat er bijvoorbeeld bij het Koninklijk Nederlands
Geleidenhonden Fonds puppies geboren worden van hun eigen honden. De puppen
zullen het eerste jaar vanaf hun vroege socialisatiefase bij een pleeggezin
wonen. Ook die pleeggezinnen worden voor een deel getraind om te weten hoe ze
met een pupje Met een Missie om moeten gaan. En hem tegelijkertijd echt pup
laten zijn.
Er komt heel veel bij kijken om een hulphond te worden en om zo vroeg al
uitgekozen te worden voor een Hoger Doel.
De Golden retrievers die dit werk doen, gedaan hebben of gaan doen, verdienen
alle lof en ze zijn hun gewicht in Goud waard. Gelukkig zijn zij geen puppies
meer van onze leeftijd, want dan was het gewicht nog maar een kleine klomp goud.

Uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat mijn aanstaande gezin morgen even over
onze koppen komt aaien. Ik heb al met mijn broers en zussen afgesproken dat we
heel erg schattig zullen doen en het ze heel erg moeilijk zullen maken. Want ze
weten nog steeds niet wie ik ben. Zolang ik mijn hulpgeest in de buurt heb, zal
ik mijn geheim helemaal voor mezelf kunnen houden.
Over een week zal ik op de tafel gezet worden en zal ik door diverse
professionals uitgekozen gaan worden. De belangrijkheid zal van mijn vachtje
druipen. Dan is het mysterie opgelost en weten ze eindelijk wat ik heel lang
weet.
Dat ik ben wie ik ben. Skye. De eerste Hogmanay-teef.Vriendjes en familie.
Voor ik weer een gewoon hondje ben, een van de acht tussen mijn broertjes en
zusjes, moet ik nog een tweetal onderwerpen behandelen. Want ik heb gedegen
kennis gemaakt met mijn aanstaande roedel en er zijn een aantal zaken aan de
orde geweest die belangrijk zijn om te weten voor een jonge Golden Retriever..
Zoals onze geschiedenis bijvoorbeeld, maar ook wat hulphonden zijn. En dat een
goede socialisatie ervoor zorgt dat we fijne, stabiele honden worden.
Het belang van vriendjes hebben we nog niet aangestipt en ook niet de
samenstelling van het roedel waarin ik nog twee weken verblijf. Tenslotte zijn
dat familieleden die ik vast nog regelmatig zal tegenkomen. En die dus
logischerwijs als familievriendjes in dit hoofdstuk hun plaats zullen vinden.
Behalve de grote kippen die rondflapperend op enorme veren poten door de tuin
banjeren bij mijn nieuwe gezin, zijn er paarden en koeien waar je als pup niet
achteraan moet gaan.
Trouwens, ook niet als grote hond. Het is wel eens gebeurd dat een
temperamentvol logeerteefje achter de gigantische, Friese paarden heen ging en
dat zijn angstige ogenblikken geweest voor de vrouw. Want de hond wilde niet
luisteren en die paarden zijn werkelijk buitensporig groot. Een enkele trap van
een hoef en je komt als hond niet meer rechtop de showring in. Ook haar broer,
met hetzelfde temperament, heeft Lewis en keer op sleeptouw genomen de wei in,
in een rechte lijn achter de koeien aan. Lewis heeft toen flink op zijn kop
gehad van de vrouw en haalt het niet meer in zijn haren om maar te proberen naar
de koeien of paarden te gaan. Misschien zijn dat uiteindelijk toch geen echte
vrienden.
De merkwaardig gebouwde, grote langoren met hun dunne beentjes en bolle buikjes,
wel. Je moet ze niet opjagen, want zij zijn veel sterker en vooral slimmer omdat
ze altijd met zijn drieÎn opereren. Maar ze ruiken nieuwsgierig aan een hond als
die hen rustig genoeg tegemoet treed. Duffy kan bijvoorbeeld geen kwaad bij hen
doen. Hij mag zelfs in hun wei rondscharrelen zonder dat ze de behoefte hebben
om hem op te jagen. Maar ja, dan noem ik ook een persoonlijkheid. Eigenlijk kan
je Duffy niet als voorbeeld genoemd worden.
Met zijn stalen onverstoorbaarheid en zijn ijzeren zelfverzekerdheid kun je hem
in een leeuwenkooi zetten en dan zal hij zich nog, licht kwispelend, laten
besnuffelen door de koningen van de jungle. Om vervolgens gebroederlijk samen
met hen een lekker hapje te verschalken.
Er zijn veel meer vriendjes. De kat niet echt, die schijnt leuk te zijn om heel
soms op te jagen. Maar ze verstopt zich altijd op plekken waar een hond niet bij
kan komen en bovendien zijn de baas of vrouw niet echt van dat opjaaggedrag
gediend. Van de hond dan, hË. De kat mag doen wat ze wil. Als die een muis mee
neemt om op te eten, dan kirren ze allemaal in koor dat ze zo geweldig is. Het
is niet helemaal eerlijk want ik denk dat wij als hond het niet moeten wagen om
met een dode muis thuis te komen. Niet dat het me trekt, hoor, een muis. Het
gaat om het principe.
Oom Midas is vanzelfsprekend een graag geziene vriend en is na een half uurtje
helemaal in de groep opgenomen. Dat gaat altijd snel. Misschien komt dat omdat
Midas een tijdlang deel uitmaakte van de groep. Tenslotte is drie maanden van
zijn leven ook drie maanden van het leven van het roedel geweest.
Lewis zijn knappe vriendinnetje is samen met haar oude roedelgenootje vaak op
bezoek geweest. Ze was dan weliswaar de hond die achter de zwarte paarden
aanging, maar ze speelde graag en enthousiast met de groep mannen en paste er,
door haar aanstekelijke kwajongensstreken, heel goed bij. Lewis en zij hebben
een heerlijke tijd gehad, samen. Helaas was haar oude vriendin een aantal weken
daarvoor over de Regenboogbrug gegaan. Zij heeft de logeerpartij van Lewis niet
meegemaakt. Ze heeft echter nog wel zij aan zij met Duffy langs de Tjonger
gewandeld en dat was een heel bijzondere wandeling. Want de twee senioren
konden het goed met elkaar vinden en distantieerden zich openlijk van het jonge
spul. Een aandoenlijke actie van die twee prachtige Veteranenkampioenen.
De groep krijgt ook heel regelmatig gezelschap van het kleine zwart witte
spanieltje. Niet bepaald van hun kaliber maar erg gezellig om achter aan te
jakkeren en mee te spelen. Ze weet, hoe klein ze is, goed van zich af te bijten
als een van de mannen te lomp over haar heen walst en ze daagt ze uit zichzelf
vaak uit voor een robbertje knokken op heel bescheiden schaal.
Verdere vriendjes zijn tijdens wandelingen te vinden. Daar heb je natuurlijk de
forumwandelingen, die hele grote groep honden die allemaal bij elkaar komen door
het virtuele roedel. Daar zijn honden bij waar de mannen heel graag me optrekken
en er zijn honden bij waar ze niet veel mee hebben. Ik zal zelf later ook vaker
mee gaan naar die bijeenkomsten van het forum. Al is het alleen maar in mijn
socialisatietijd om te wennen aan een twintigtal rasgenoten.
Op de puppencursus krijg je te maken met allerlei soorten honden, in allerlei
kleuren en maten. Dat is belangrijk voor later. Zeker voor mij. Vanwege mijn
veelvuldige showbezoek zal ik mij tussen veel vogels van verschillend pluimage
moeten voegen. (Excuus voor deze zin. Ik heb hem niet zelf verzonnen. Mijn Geest
wilde even woordtechnisch geestig wezen. Hij heeft nog maar twee dagen de tijd
om dat te kunnen doen. En dan lost hij op in het Grote Niets. Dus ik laat hem
maar en neem zijn teksten zonder morren over.)
Vrienden zijn voor mensen essentieel, dat had ik al eerder aangegeven, maar ook
voor ons, als hond zijnde. Maatjes voor het leven, er is weinig wat meer waarde
heeft. Noddy en Duffy zijn zoín twee-eenheid. Ook al zullen ze in de dagelijkse
gang van zaken niet meer zo onafscheidelijk lijken, toch trekken ze nog steeds
naar elkaar toe ondanks de groter geworden basis van het roedel. En als de een
er niet is om wat voor reden dan ook, dan is de ander niet in zijn humeur.
Lewis en Gipsy waren ook twee vrienden voor het leven. Niet voor niets was Lewis
bijna ziek van ellende toen Gipsy ziek was en zijn krachten tanende waren. Lewis
moet hebben gevoeld dat zijn maatje aan het einde van zijn leven was. Vraag me
niet hoe dat kan. Het zal het roedelgevoel zijn geweest.
Vrienden kan je, in principe, zelf kiezen. Als hond kun je graag met de ene
hond optrekken en de andere hond liever links laten liggen.
Familie daarentegen, wordt voor jou bepaald door je fokker. Of, in mijn geval,
door je peetouders. Want het woord fokker klinkt zo afstandelijk en als er iets
is wat mijn peetouders niet zijn, dan is het afstandelijk. Ze houden van ons
allemaal evenveel. Ook al hebben ze misschien wel meer dan tachtig hondjes op de
wereld laten zetten!
Ik had verteld dat Duffy mijn betovergrootvader is. Hij is de vader van mijn
overoma Nono. Ja, dat is degene die ons van extra melk voorziet. Waar we haar
nog steeds dankbaar voor zijn. Niet alleen vanwege de dubbele voedingen maar
vooral omdat het ook zoín mooi roedelgegeven is. Dit verhaal krijgt er een zeer
bijzondere tint door. Welke pup kan zeggen dat ze door twee moeders is
grootgebracht, zoals dat in een wolvenroedel ook gebeurd? In een hondenroedel
is dat soort hormonaal gedrag niet een veel voorkomend fenomeen meer. En wij
genieten er, letterlijk, met volle teugen van.
Dat is dus overoma Nono. Zij is de moeder van oom Lewis. Dochter van Duffy, dus
halfzus van Noddy. Blijf er even bij, beste lezertjes, ga nou niet een kop
koffie inschenken, want dit deel van het verhaal is erg ingewikkeld. Nono is ook
de moeder van mijn opa Dylan. Die dus kleinzoon van Duffy is en halfbroer van
Lewis. Een prachtige vent, die ondanks dat hij tussen de teefjes woont,
uitermate zacht van karakter is en de grootste knuffelbeer van de kennel Silence
Dream. Een goudkleurige beer met een imposante kop en een mooi gangwerk. Hij
wordt regelmatig als dekreu gebruikt en geef de teveneigenaren eens ongelijk!
De opa van Nono, van moeders kant, is de vader van Chico. Hij is derhalve ook de
overopa van Lewis. Lewis en Chico zijn daardoor aan elkaar verwant. Dan heb je
Tante Bowy. Een bijzondere, inmiddels wat oudere, dame. Een prachtige, charmante
hond die lange tijd de ranghoogste was en dat met ferme, vaste poot handhaafde.
(Of is het werkwoord voor ons poothaven?)
Bij Bowy zijn lijnen terug te vinden die ook bij mijn aanstaande roedel te zien
zijn. en dat ligt voornamelijk tegen Bo aan. De familienamen van die twee liggen
wat verder van elkaar weg maar ze hangen wel degelijk samen.
Bowy is de stammoeder van de Silence Dream kennel. Uit haar eerste nest is
Bubbles geboren. Een schattige, ook al gepensioneerde oma die vanwege haar
moeder dus ook verre familie is van Bo.
Logan is een tante die uit Engeland is gekomen. In haar stamboom komt familie
van Duffy terug maar ook van mijn eigen vader. En Lewis zijn overopa is Loganís
opa en derhalve dus mijn andere betoveropa. Ik had de lezer gewaarschuwd. Dit
hoofdstuk mag dan wel bijna het laatste zijn, maar het is zeker niet het meest
eenvoudige.
Tante Logan is de moeder van tante Liesl en oom Midas. Het dartele duo waar onze
baas en vrouw toch wel erg dol op zijn ook al wonen ze respectievelijk bij mijn
peetouders en in een dorp, een kwartier van de boerderij af.
De overopa van Liesl en Midas is dus dezelfde die mijn betoveropa is en dat is
niet Duffy. Om het geheel nog een beetje complexer te maken wil ik hierbij ook
kenbaar maken dat de opa van Dylan, mijn opa dus, dezelfde hond is als de
overopa van Liesl en Midas, dezelfde als mijn betovergrootvader en Lewis zijn
overopa. Dylanís overopa is Chicoís vader. En omdat Noddyís vader de opa van
Dylan is, zijn ook die twee weer met elkaar verwant. Tot slot heb je natuurlijk
mijn lieve mama, die als spin in het web van al die samenkomende stambomen mij
en mijn nestgenootjes heeft voortgebracht. Samen met mijn papa, die ook niet
bepaald en vreemde in deze lijnen is en bijvoorbeeld een betovergrootmoeder
heeft die onder meer Noddyís oma en Duffyís moeder is. Vermoedelijk zijn er hier
en daar nog opaís, omaís, tantes en ooms die ik heb gemist. Je kunt niet van
mijn Geest verwachten dat hij alles precies op een rijtje heeft. Wat dit
aangaat, dan. Het is zo ingewikkeld dat een verloren grootmoeder snel over de
kop gezien kan worden.
Je zou in een hele korte samenvatting kunnen stellen dat de honden die het
roedel van Silence Dream vormen, heel dicht bij het roedel van mijn aanstaande
gezin staan. Dat de beide kennels hetzelfde type Golden retriever aanhangen. Zo
dierbaar als wij, pupjes, voor onze peetouders zijn, zo dol zijn mijn aanstaande
mensen op de honden van mijn huidige roedel.
Vandaag zijn ze allemaal weer bij elkaar geweest. Niet de honden hoor, de
mensen. Ze hebben met zijn allen rond onze ren gezeten, we zijn allemaal buiten
geweest en alhoewel mijn ene broertje het erg koud had, hebben we toch heerlijk
gespeeld. De nieuwe baas lag op zijn rug en daar zijn een broertje en twee
zusjes helemaal overheen gekropen. Ze hebben hem gevloerd met zijn drieÎn! De
mensen hebben moeten lachen om mijn rare bokkensprongen en die van mijn zusjes.
We hebben veters losgeknoopt, een olifant gevangen, blaadjes opgespoord en op
onze kop in een gat gestaan. We hebben ons verstopt in een kuip en voor het
eerst de nattigheid van een winterse regenbui aan onze voetjes gevoeld. Mijn
peetouders en mijn aanstaande gezin vormen eigenlijk ook een soort roedel, wat
dan weer gebaseerd is op die bewuste, belangrijke vriendschap en niet op een
familieband. Alhoewel ik net uitlegde dat er tussen hun honden wel degelijk
hechte familiebanden zijn. Dus Dylan, Bowy, Bubbles, Nono, Logan, Liesl en Mama
Fallon zijn heel simpel in een woord te vatten. Zij zijn echte familievriendjes
van de groep in Friesland.
Het is een fijn idee dat ik later, als ik daar woon, toch regelmatig mijn mama
nog zal zien. En die bijzondere overoma.
En dat mijn peetouders me nog vaak over de kop zal aaien.
Nog ÈÈn dag.
Dan vliegt mijn geest voorgoed uit het raam en sta ik op eigen pootjes.
Maar gezien het voorgaande zal ik nooit alleen zijn. Ik mag me een gelukkige pup
prijzen.The End. Of het begin.
We zijn nu een maand verder. In die maand ben ik van klein, nog half doof en
blind pupje een hele dame geworden die volgende week om deze tijd haar laatste
puppenmiddag in het nest heeft en dan binnen enkele dagen spreekwoordelijk zal
uitvliegen. In deze afgelopen maand heb ik het ook gepresteerd om mijn
bijzondere Missie in een verhaal van minimaal 50.000 woorden te vatten.
Dat was niet altijd gemakkelijk want door mijn bezigheden binnensrens heb ik
enkele dagen moeten overslaan. Toch is deze eerste taak gelukt. De volgende taak
die voor mijn poten ligt, is mijn aanstaande familie ervan overtuigen dat ik
degene ben die ze zoeken. Dat ik Skye ben. Dat zal ik pas volgende week
duidelijk kunnen maken, als we alle acht door de onafhankelijke adviseur van
mijn peetouders getest zijn en ze op die manier een kijk op onze karakters
krijgen. Diezelfde avond gaat dan de spannende verkiezing plaatsvinden. Als mijn
zusjes en ik op tafel gaan en er zoín zeven paar ogen spiedend over onze lijfjes
gaan. Ze zullen ons, net als op een echte show, betasten, in onze ogen, oren en
bekkies kijken. Hengelen aan onze staart alsof ze een echte keurmeester zijn.
Onze poten opmeten, knijpen in onze billen. ìMag de beste teef winnen..î zo
lijkt het dan. Maar ik weet beter, Mama weet beter en ook mijn zusjes weten wel
beter. Wij zijn wie wij zijn en wat de uitkomst dan ook zal worden, ik ga naar
mijn nieuwe roedel en mijn zusjes naar hun bazen. Niemand is beter, we zijn
allemaal op onze eigen manier de beste voor onze taken. Ook mijn broertjes
zullen hun voorbestemming op hun manier in gaan vullen, wat dat dan ook moge
zijn.
Voordat ik mijn allerlaatste woorden opschrijf, wil ik, zoals een echte Ster dat
doet, nog wat bedankjes het wereld wijde web op sturen.
Allereerst natuurlijk wil ik mijn peetouders bedanken dat ze mama en papa hebben
samen gebracht en dat daardoor zoín mooi nest als dat van ons op de wereld is
gekomen. Niet alleen wij zelf, mar zeker ook onze aanstaande eigenaren zullen
blij met ons zijn.
Dan wil ik overoma Nono bedanken, die niet alleen haar genen via opa Dylan en
Mama aan ons heeft doorgegeven maar die ons ook heeft voorzien van een blik in
ons oorspronkelijke roedelgedrag. Dan heb ik haar heerlijke, warme melk niet
eens genoemd!
En degene die mij nu stilletjes gaat verlaten wil ik in het bijzonder bedanken.
Mijn Grote, Grijze Geest. Mijn Gave, Hogere Macht, Nevelige Influisteraar.
Van hem heb ik alles geleerd. Wat ik vervolgens in de loop van de tijd weer ga
vergeten maar wat allemaal hier in woorden gevangen is.
Lieve mistige plaaggeest, ik zal je missen. Maar als ik je vergeten ben, omdat
zulks nou eenmaal gebeurd, zal ik wel kunnen terugkijken op een schat aan
levenswijsheid, nog voordat ik het nest verlaten heb.
Dank je wel, vochtige vriend.
Ik hoop je ooit weer te treffen. Misschien als er een vervolg geschreven moet
gaan worden. Over de geboorte van een eerste nest, bijvoorbeeld.

Beste mensen, het bezoek van de puppymiddag staat bijna voor de deur. Onze ren
wordt nog snel even schoongemaakt. Ik ga me opmaken om tussen de anderen gewoon
pup te zijn.
Het was een heerlijke maand in het roedel van onze mama. We hebben veel warmte,
liefde en gezelligheid gekregen. Van de mensen en van de honden.
Mijn hele verdere leven ligt glanzend en hoopvol voor me.
Ik ben Skye, de stammoeder van Hogmanay.Hogmanay©

Nanowrimo 2009/2018

“Nanowrimo” is elk jaar in November een evenement voor (amateur) schrijvers. Het doel is eenvoudig: schrijf elke dag, de hele novembermaand, 1700 woorden, die samen een hele novelle vormen. In 2008 heb ik daaraan deelgenomen met twee andere schrijvers, wat ontzettend leuk en uitdagend was. Om de twee dagen was het de beurt aan een van ons en ondanks dat we wel in grote lijnen een verhaallijn hadden afgesproken, hebben we toch per dag allerlei verrassende elementen voor elkaar erin kunnen verwerken.

In 2009 heb ik het zelfstandig gedaan en netjes op 30 november het aantal woorden gehaald. Ik stond toen nog aan het begin van onze kennel-plannen en het ging volledig over de honden die we toen hadden, door de ogen van ons toen nog jonge teefje gezien. Deze novelle plaats ik op deze website, daar hoort het.

En… november 2018 zal opnieuw voor mij een Nanowrimo-uitdaging gaan worden!

17/22 september. Bijzondere dingen…

Enkele weken geleden kreeg ik een berichtje via de Engelse overkoepelende website voor hondenfokkers. Een Nederlands berichtje, van een vrouw met wie ik als 8 jarig kind een stukje verleden heb, eenvoudigweg omdat onze ouders in de jaren zestig innig bevriend waren. Ze was al geruime tijd naar me “op zoek” en ondanks het feit dat ze geen hond heeft, kwam ze door Champdogs aan mijn adres.

Deze week hadden een telefonische afspraak. Ruim een uur bijpraten om herinneringen op te halen, maar bij lange na niet genoeg tijd. Het blijkt dat we eigenlijk veel meer gemeen hebben dan onze kindertijd. Opvallend is ons beider tweede huwelijk met een geluidstechnicus. Ook daarover moeten we natuurlijk uitgebreid praten en hoe bijzonder is het dat de vaste opdrachtgever van haar echtgenoot een bigband is waar ik vroeger wel mee heb gewerkt. Het blijkt dat mijn hervonden kennis samen met haar man het geluidsbedrijf runt en dat ze voor een korte theatertour een belichter zoeken. Of, zoals ze menen, wellicht gevonden te hebben. In mij.

Ik bemerk bij mezelf een kriebel die ik heel lang niet meer zo ervaren heb, ondanks alle moois wat ik met de honden beleef. Maar na al die jaren en jaren weer in een theater werken, spots in mijn handen houden en mooie plaatjes maken die de muziek benadrukken en illustreren.. een oude, slapende liefde lijkt met een telefoontje wakker gekust te zijn. We besluiten het telefoongesprek met een “wordt vervolgd..” Ik ga in ieder geval proberen dat ik oppas voor de honden heb wanneer de optredens zijn. Naar alle waarschijnlijkheid is mijn huurster er, voor wiens honden ik zorg als zij in november in Engeland geopereerd moet worden. In ruil daarvoor wil zij tijdens mijn “tournee” op de mijne passen. Met een grote glimlach bedenk ik wat ik voor die tijd allemaal moet en wil regelen.

Een van de meest belangrijke zaken, op de hondenoppas na, is het ophalen en afstoffen van mijn kennis van de lichttechniek. Alhoewel de band met conventioneel licht werkt en dat in de afgelopen 10 jaar niet veranderd is, is het toch 10 jaar geleden dat ik ermee werkte en om zeker te zijn van mijn kunde, wil ik dat toch uitproberen. Een mailtje naar mijn dierbare oudcollega’s biedt soelaas, binnen het uur nadat ik op “verzenden” drukte, hoor ik de bekende stem van een van hen en opnieuw voel ik een theatrale blijdschap over me heen komen. Een “blijdschap van vroeger.” Hij zegt me toe er snel op terug te komen, een dagje met hen meelopen is een goed idee.

En dan slaat Gijs toe. Zijn schuur, zijn “mancave,” wordt opgeruimd en tussen de berg “weg te gooien materialen” vindt J. een koffertje met een verzameling 45 toerenplaatjes. We bekijken ze, het is echt een Gijs-verzameling, een ratjetoe van veel soorten muziek. En wie schetst onze verbazing en pret als we een plaatje uit 1962 tevoorschijn halen, van, juist, de bigband waarvoor ik ga werken! Het lijkt op een cadeautje van Gijs, een teken van toestemming!

42604404_717717058564416_4630903080794193920_n

15 september.. op de basis retour.

Goed uitgerust word ik wakker door de wekker ondanks dat ik bovenin het stapelbed sliep en het schip zo nu en dan behoorlijk deinde. De matrassen zijn zo goed dat ook A. beter heeft geslapen en vrijwel pijnloos wakker is geworden. Als eerste ga ik naar Iona toe. Net als gisterenavond is ook deze steward niet bijster vriendelijk en lijkt niet blij te zijn met zijn taak, dus ik neem mijn kans waar en loop zelf door een zware deur het dek op. Ze doet een plas en is duidelijk opgelucht, loopt daarna vrolijk weer met me mee naar de auto. Een vroege schoonmaker ziet me bij de deur van het autodek proberen hem open te schuiven en lijkt boos: ik mag dat zelf niet doen. Als ik aangeef dat de steward bij de auto is, wordt hij nog geïrriteerder: “He has to accompany you..” zegt hij knorrig, maar opent met zijn sleutel uiteindelijk de deur voor me.

Nadat ik me gedoucht heb, gaan we terug naar het rustige dek waar ook een koffie-hoek is. We vinden een prettig plekje aan het raam en ik haal jus d’orange, koffie en croissants. We kopen allebei een uurtje WIFI zodat A. nog wat e-mails kan bekijken en ik enkele berichtjes naar thuis kan sturen. Het is prachtig weer en de zee is nu kalm, dus eigenlijk slaan we een aangename paar uurtjes stuk.

bijna thuis

Wanneer we de haven van Ijmuiden naderen gaan we onze koffers halen en wachten we in de drukte totdat we naar onze auto mogen. Ook nu weer moeten we lang wachten eer we daadwerkelijk het schip kunnen verlaten maar ik haal Iona uit de auto en we kletsen wat met een stel medepassagiers over hun rondreis door Schotland.

Eenmaal van de boot af worden we direct naar de douane geloodst en rijden we binnen enkele minuten al naar het strand waar we Iona laten lopen. Het is heerlijk weer en ze geniet zichtbaar van de vrijheid, het zand, de wind en de zee. Het is een goede afsluiting van haar avontuur.

029

 

027036Ruim anderhalf uur later zijn we thuis. A. helpt me met het uitladen van mijn spullen en dan knuffelen we elkaar, ze wil meteen door, terug naar haar eigen huis, haar eigen hondjes en vanzelfsprekend haar eigen leven.

Mijn roedel honden begroet me enthousiast, ze zijn vrolijk en zien er tevreden uit, mijn huis is schoon, het erf opnieuw bijgewerkt, P. en haar moeder hebben weer zo liefdevol voor alles gezorgd dat het me ontroert. Nadat ik alles heb opgeruimd en de eerste was staat te draaien valt de stilte over me heen. De reis is definitief voorbij. Nu gaan we de periode van afwachten in en kan ik niet anders dan innig dankbaar zijn voor alles wat me deze week weer door dierbare vrienden en lieve kennissen gegeven is. Hoe eenzaam het ook is om na een intensieve week weer alleen te zijn, het is goed zo. Herinneringen zijn gemaakt en hopelijk ook een mooi nest pups!

14 september. Terugreis.

Ook deze ochtend is A. aan het werk als ik beneden kom en staat M. klaar om met haar jachthonden naar het landgoed te gaan. Het regent en het ziet er naar uit dat de herfst hier in dit mooie stukje van de wereld echt is ingetreden. We nemen innig afscheid, M. drukt me op het hart dat haar huis mijn vakantiehuis is en dan is het ineens vreemd rustig. Als A. bezig is met haar ochtendwerkzaamheden ga ik uitgebreid met Iona wandelen en gaan we daarna onze spullen inpakken. Dan rijden we naar Castle Douglas, want ik wil wat boodschappen doen om mee te nemen naar huis. Ook A. haalt wat lekkere dingen om mee te nemen en trakteert me op een fles van mijn lievelings-whisky. 

Eenmaal terug op Byways is er eigenlijk geen reden om te blijven; alles is gedaan, alles is gezegd en M. en S. zijn naar hun werk. Daardoor rijden we op ons gemak naar Newcastle terug en zijn er vroeg. We gaan naar het winkelcentrum vlak bij de haven waar A. wat broodjes voor de lunch haalt en die eten we op vlak voordat we gaan inchecken, zodat Iona nog een lekkere, lange wandeling kan maken en door veel voorbijgangers geknuffeld en bewonderd wordt.

064

Het inschepen neemt zoals gebruikelijk aardig wat tijd in beslag en ik merk dat Iona de enorme hoeveelheid motorrijders naast ons erg angstaanjagend vindt. Ze vergeet zelfs te kwispelen en wil de auto niet eens uit. Eenmaal op het schip besluit ik, zodra we zijn afgevaren, om maar meteen naar haar toe te gaan. Aan alle kanten klinken harde, schelle geluiden van auto-alarmen en ik vind dat heel onaangenaam. Als blijkt dat de zandbak, waarop de honden tijdens deze reis moeten plassen, niet op het dek staat maar in een hal en we dus niet het dek op mogen, word ik behoorlijk geïrriteerd door deze gang van zaken.

Het is vrijdags-druk op het schip en we hebben besloten dat we niet in het buffet gaan eten, maar ons diner laten “upgraden” naar een tweegangen menu in het restaurant. Dat zorgt ervoor dat we eerder aan tafel kunnen dan het buffet van kwart over acht. Als we aan een raampje gaan zitten in de pub, ontdekken we dat de verdieping waarop deze gesitueerd is, samen met het restaurant, opvallend rustig is.

Het diner, aan een tafeltje vlak bij het raam waardoor we uitzicht hebben op zee, is ronduit zalig. De wijn die A. erbij bestelt is de meest verrukkelijke Amarone della Valpolicella die ik ooit proefde en het complimenteert het botermalse stukje gegrilde vlees.

WPksbGtgSIGSpygygyPz5g_pl_375x500

Wanneer Iona daarna opgewekt is en op het dek een plas doet, ben ik helemaal blij. We keren terug naar de nog steeds rustige pub. A. laat de ober nog een heerlijke whisky inschenken en we praten wat met een Nederlands echtpaar. Bijtijds gaan we naar onze hut, die ondanks dat het een tweepersoons is, aanmerkelijk geriefelijker bedden heeft dan op de heenreis, waardoor we uitstekend slapen.

13 september.

De wolken jagen grijs over de heuvels en beloven herfst-weer.

022

Als ik met Iona beneden kom om haar uit te laten zit  A. al te werken en is M. voorbereidingen aan het treffen om vandaag op een landgoed in de buurt een groep jagers te gaan begeleiden. Ze neemt een aantal van haar jachthonden mee. Flynn, een van de Goldens en een paar werkende Cocker Spaniëls en Welsh Springer Spaniëls. Ze heeft gevraagd of ik tussen de middag de thuisblijvende honden wil uitlaten en uiteraard wil ik dat. Nadat ik een ontbijtje voor A. heb gemaakt en zelf ook wat e-mails van “thuis” heb verwerkt, komt toch S. tussendoor naar huis om de honden uit te laten. Dat zorgt ervoor dat we ruim op tijd Iona in de auto kunnen zetten. We gaan eerst langs de supermarkt, waar ik broodjes voor onze lunch haal en een bosje bloemen voor Liam’s eigenaresse. Dan rijden we opnieuw naar het mooie, landelijke Lanarkshire.

096 098

Het regent een beetje als we aankomen. Desondanks laat ik Iona toch een stukje wandelen en daarna loopt ze zelf al naar het gebouwtje toe. Kort daarna is Liam er ook, maar ondanks dat Iona wel degelijk nog op haar hoogtepunt is, lijkt het alsof Liam haar te goed kent. Na een aantal pogingen halen we de honden even bij elkaar weg, maken we nog een foto en gaan we koffie drinken.

017

We worden getrakteerd op een stuk Lemon Drizzle Sponge Cake en kletsen alles bij elkaar toch een klein uurtje weg over shows, gemeenschappelijke kennissen en het fokken in het algemeen. Dan haal ik Iona weer op en gaan we terug naar het kleine huisje. Liam laat er nu geen gras over groeien en weldra staan de beide honden gekoppeld en merk ik aan Iona dat ze nog steeds in haar meest vruchtbare dagen zit. Als we ruim 20 minuten later elk onze hond weer meenemen, Iona terug naar de auto, kunnen we constateren we dat er twee uitstekende dekkingen hebben plaatsgevonden en is het nu afwachten wat de natuur ons gaat brengen. Na een hartelijk afscheid vertrekken we weer richting Castle Douglas. Alles ligt nu in de poten van Iona.

42045185_190551388404461_8303001180007563264_n

“Thuis” komt een heerlijke geur ons tegemoet. A. is een beetje verbaasd, ze had M. uitgenodigd om met zijn vieren uit eten te gaan. Als ik dat te berde breng in de keuken, waar pannen op het vuur staan, geeft M. aan dat ze eigenlijk niet echt lekker is, erg verkouden, S. moe is en het een gewone, doordeweekse dag is waarop S. na het eten alleen een beetje TV wil kijken alvorens hij de honden uit laat.

Ze denkt dat ze niet van een avondje uit kunnen genieten, dus blijven ze liever thuis. We begrijpen het en ondanks vermoeidheid en verkoudheid wordt het een rustige, gezellige maaltijd en gaat S. toch na het eten nog even op en neer naar de supermarkt om een flesje wijn te halen.  Daarna gaan we allemaal naar bed voor een lange nacht.

077