Maandelijks archief: november 2019

Dag 29. 20 juli. Eindkeuring, Shinty Field, Cannich.

Tussen alle exposanten en bezoekers door probeerde ik de man met de hond te vinden en uiteindelijk waren ze niet meer bij de ring, maar stond hij in de rij te wachten bij het podium voor een foto. Nadat ik zonder enige gene op iedereen was afgestapt die ik voor mijn onderzoek nodig had, vond ik dit op de een of andere manier lastiger. Maar de hond hielp me door enthousiast naar me te kwispelen toen ik langs liep. Ik vroeg of ik hem mocht aaien en de man knikte vriendelijk. Zoals ik verwachtte brak dat onmiddellijk het ijs. De hondenmensen, hoe gesloten binnen hun wereldje ze ook leken, kwamen los zodra je over hun geliefde viervoeter begon en ik zei hem dat ik hem al in de ring had bewonderd. En dat zijn naam me was opgevallen in de catalogus. Omdat ik voor mijn werk op zoek was geweest naar de familie Lockhart uit deze streek. Hij trok even een wenkbrauw op. “Ik kom zo wel even bij je, ik moet nu Larry neerzetten.” Hij was inderdaad aan de beurt voor de foto en ik bleef even staan kijken hoe hij de hond neerzette. Een pootje iets meer naar achter, zijn hoofd iets geheven en zijn staart zo recht mogelijk. De foto werd professioneel en snel gemaakt. De hond sprong van de verhoging af en we liepen naar de reuen-ring waar hij in een rennetje werd gezet en ging liggen op een kleed. Zijn baas klapte een extra stoeltje uit en bood me een blikje Irn Bru aan. “Noem me maar Donald. Tja, de familie Lockhart. De kant waar ik uit kom is eigenlijk erg klein. Ik heb begrepen dat mijn overgrootouders na de geboorte van hun tweeling een van de twee hebben laten adopteren en dat ze vanwege de Clearances verhuisd zijn naar Lanarkshire. Mijn opa is daar geboren en is vlak voor de oorlog omgekomen. Mijn moeder is pas na zijn dood geboren en ik ben alleen door haar opgevoed. Ze is eigenlijk vrijwel altijd alleen geweest. Er was wel een tijdje een vriend in ons leven, maar het boterde uiteindelijk niet zo tussen hen.” Hij vertelde dingen die ik wel al wist, maar vulde mijn kennis ook aan door te vertellen dat hij na de drie jaar die hij in Carluke op school had gezeten, met zijn moeder naar Engeland verhuisd was. “Mijn oma Phoebe was toen overleden en mijn moeder wilde weg uit haar oude leven. Dus we zijn naar het Lake District gegaan, waar ik de rest van mijn lagere schooltijd heb afgemaakt. Daarna ben ik naar de universiteit van York gegaan en heb Engels gestudeerd. Sinds een paar jaar ben ik weer terug in Kendal.” Ik gaf aan dat het inderdaad wel wist van zijn opa en oma door mijn onderzoek en ook dat hij in Carluke bij Mick in de klas had gezeten. Zijn gezicht lichtte op toen ik dat vertelde. “Dat was een fijne man, ik heb het in die tijd op school erg naar mijn zin gehad. Wat mooi dat hij je wilde helpen, maar ook precies zoals ik hem herinner; behulpzaam, joviaal en ook al waren wij soms behoorlijke rotzakjes, hij hield ons er met respect en vooral een consequente aanpak goed onder.”

Ondertussen was de open klasse begonnen. Dat betekende dat het grootste deel van de honden gezien was en het niet lang meer zou duren eer de eindkeuringen begonnen waarbij alle honden die in hun klasse eerste waren geworden, nu tegen elkaar zouden uitkomen. Ik zag Don bezig met van alles want de beide ringen werden samen gevoegd. Ik wees naar hem: “Kijk, dat is Don Lockhart waar ik in de eerste instantie naar op zoek was. Hij is een van de twee rechtstreekse achterkleinzoons van jouw overgroot-oom.” Hij lachte even. “Wat is de familie origineel met roepnamen geweest! In ieder geval is het erg interessant allemaal. Ik heb dan toch nog een stukje familie en dat hier op de Guisachan Gathering kampioenschapsclubmatch.” Ik had nog wel wat langer met hem willen praten, maar ik merkte dat hij over mijn schouder toch graag de keuring van de open klasse wilde volgen en ik had gezien dat het bijna tijd was voor mijn interview met Jack. Zoals alle mensen die ik tijdens mijn weken hier was tegen gekomen gaf hij aan dat ik hem altijd kon opzoeken als ik meer wilde weten. Zijn adres stond in de catalogus en daar schreef hij zijn telefoonnummer bij. Ik vroeg me af of hij kennis wilde maken met Don maar dat was eigenlijk niet mijn zaak dus ik aaide Larry en bedankte hem hartelijk voor zijn informatie.

Het interview met Jack ging gemakkelijk. Ondanks dat hij een gesloten mens leek, kon hij enthousiast vertellen en hij was in alle opzichten de gedistingeerde landheer. Hij had Guisachan nog maar kort in eigen beheer van de trust, maar hij begreep hoe belangrijk het landgoed was voor velen over de hele wereld. Financieel zou het onmogelijk zijn om het “Huis” in volledige glorie te herstellen daarom was zijn eerste doel nu om verder verval tegen te gaan en wanneer de fondsen daarvoor toereikend zouden zijn, zou als eerste met veel voorzichtigheid de begroeiing binnenin de ruïne verwijderd gaan worden. Dat waren inmiddels volwassen bomen, die met hun wortels het gebouw dusdanig ondermijnden dat er instortingsgevaar dreigde. Daarna zou het gebouw op een bepaalde manier gestut en beveiligd kunnen worden. Aan het einde van ons gesprek vroeg ik hem of hij na deze week zelf van plan was een Golden Retriever te nemen. Hij lachte beleefd. “Daar is momenteel in mijn leven nog geen plaats voor, maar ik ben het ras wel bijzonder gaan waarderen, dus wie weet..” Er waren mensen die hem hadden gezien en graag met hem op de foto wilde, er werd hem een pup in de armen gedrukt en ik beloofde hem om het interview uit te werken en het hem eerst te laten lezen voordat ik het naar de Gazette op zou sturen. Op het terrein waren de eindkeuringen in volle gang, beste pup teef tegen beste pup reu, beste jeugdhond, beste veteraan. Daarna kwamen alle klasse-winnaars van de teven bij elkaar. Ik merkte dat de spanning langs de ring opliep, er zat nu vrijwel niemand meer in de tentjes en mensen stonden in rijen dik te kijken wat er ging gebeuren. Een luid applaus ging op voor het teefje dat het beste van de dag werd. Er werd een enorme rozet uitgereikt en foto’s gemaakt. Daarna leek de spanning zo mogelijk nog meer te stijgen, want het was het moment waarop de beste reu werd uitgekozen. Opnieuw kwamen alle klassenwinnaars de ring in. Don stond ineens achter me. “Dit zijn de uitmuntende vertegenwoordigers van ons mooie ras.” zei hij en ik zag inderdaad een aantal honden staan die ik erg mooi vond. Er vielen een paar af en er bleven een paar staan. Het werd uiteindelijk de Nederlandse veteraan. Die moest tenslotte tegen het beste teefje. De beide keurmeesters bekeken de twee honden nog eens grondig, onder applaus liepen ze een ronde door de ring en toen draaide de hoofdkeurmeester zich om naar het publiek en vertelde dat ze heel blij was dat ze de in haar ogen mooiste hond van de dag had gekozen, om zijn geweldige kwaliteit en wat hij voor het ras over de hele wereld betekende vanwege zijn kampioenwaardige nageslacht. Ze koos voor de veteraan. Ik was verbaasd, want dat was de hond van de Nederlandse vrouw. Die sprong letterlijk een gat in de lucht, knuffelde haar winnaar en begon zo hard te huilen dat de keurmeester haar moest troosten en vroeg of het wel met haar ging. Er werd opnieuw luid geklapt, er kwamen ereprijzen, de enorme rozet, de fotograaf en het was een heel spektakel. “Ben je trots, een landgenote die hier wint?” vroeg Don in mijn oor. “Eerlijk gezegd snap ik het niet zo goed, maar ik ben natuurlijk een leek. Als ik denk aan een Golden Retriever dan zie ik toch een andere hond voor me. Meer zoals Larry van Donald.” Don lachte. “Dat kan natuurlijk. Deze hond is een beroemde multi kampioen, in die zin dus heel welverdiend en dit is de kroon op haar werk met hem.” “Was het de hond die je dacht dat zou gaan winnen?” vroeg ik nieuwsgierig. Don knikte. “Ja, daarom verbaasde het me niet. Maar het is haar gegund. Ze is in ieder geval door het dolle heen!” We zagen hoe de vrouw geknuffeld werd door de mensen die bij haar hoorden en ook de keurmeester gaf haar nog een innige omhelzing. Het was leuk om te zien hoe blij de vrouw was. De voorzitter bedankte iedereen voor hun aanwezigheid en sloot de week af met veel lovende woorden. De Guisachan Gathering 2018 was een succesvol evenement geweest waar veel mensen jarenlang met plezier op zouden terugkijken. Hij noemde nog een laatste keer Lord Tweedmouth die het ras zo had ontwikkeld, dat er nu zoveel mensen een heerlijke hondenvriend hadden en hij wenste iedereen een veilige terugkeer naar huis. Om ons heen begonnen mensen weg te lopen, tentjes werden afgebroken en honden in auto’s gezet. Don had me gevraagd of ik bij het etentje met de organisatie wilde zijn, maar ik sloeg het af. Ik wilde naar de cottage om het interview uit te werken. Hij zou morgen naar Birmingham gaan en we spraken af dat we elkaar nog zouden treffen als afscheid, voordat ik terug naar Amsterdam zou gaan. “Donald heeft me net aangesproken. Hij is met zijn hond nog een paar dagen hier op vakantie, dus we gaan een avond de pub van mijn ouders onveilig maken. Misschien is het leuk als je er bij bent? Dan vraag ik Pat ook, kun je daar ook meteen afscheid van nemen.” Het voelde naar. Ik wilde helemaal geen afscheid nemen. Maar het was zoals het was. Ik omhelsde hem, hij beloofde me te bellen na het gesprek morgen en ik liep met lood in mijn schoenen het terrein af.

Dag 29. 20 juli. Middag, Shinty Field, Cannich.

De knoop in mijn maag bleef onopgelost maar desalniettemin vond ik het hele showgebeuren interessant. Ik had aan Don gevraagd of hij al die honden ook persoonlijk kende. “Nee, alhoewel er een aantal zijn die ik qua stamboom ken. En sommigen herken ik wel aan hun hoofd of bouw, maar ik ken ze echt niet allemaal. Ik heb een idee wie er gaat winnen, maar dat is voornamelijk een kwestie van exposanten kennen. Het zou me dan ook niet verbazen als een van de buitenlandse honden het gaat worden, ik durf je bijna aan te wijzen wie.” Ik was verbaasd. “Hoe zit dat dan? Als je al van tevoren kunt zeggen wie er gaat winnen? Dat klopt toch niet?” Don lachte zijn leuke grijns die me rechtstreeks in de lach van Craig voerde. “Een prestigieuze hondenshow als deze is heel veel meer dan louter honden showen. Het is een soort jurysport waar erg veel passie mee gemoeid is. En vooral die passie kan tot minder sierlijke situaties leiden. Zie het zo: fokker A heeft een gerenommeerde kennel en een flink aantal goede kampioenen gefokt. Fokker B koopt een hond bij die kennel en dan is er al iets wat hen bindt. Ze vallen voor hetzelfde type. Gevolg is dan dat fokker B met haar hond naar de keurmeesters gaat waarvan ze weet dat ze van de honden van fokker A. houden. En voilà. Een volgende generatie kampioenen kan gaan ontstaan.” “Maar de anderen van het alfabet dan, met hun honden? Komen zij dan niet aan bod? Ze staan hier wel met een dikke tweehonderd.” Don haalde zijn hand door zijn stugge haren. “Ja, het is best ingewikkeld. De meeste exposanten willen winnen. Dat is onderdeel van dit soort sporten. Maar uiteindelijk zijn het toch voornamelijk de grote spelers die de hoge plaatsen krijgen. Als een hond internationaal heel hoog scoort zal hij dat blijven doen, er zijn dan weinig keurmeesters die om hem heen kunnen of willen. De sociale media hebben er ook debet aan, de wereld is klein. Als jij met je hond de hoogste plaats wint, dan ziet de hele hondenwereld dat. Niet alleen mede-exposanten en eventuele concurrenten, maar ook keurmeesters, die net als honderden anderen “vriendjes” zijn. Het is er niet leuker op geworden, zeg ik als ouwe mopperaar, maar we hebben het er mee te doen. Vaststaat dat de hond die vandaag zal winnen, ook echt wel een schitterend exemplaar is, ongeacht of het “terecht en zuiver” is, of niet. De hondententoonstelling is eigenlijk ontstaan om het publiek te laten zien wat de goede rasvertegenwoordigers waren om als ouderdieren te fungeren. Men kwam naar een tentoonstelling om kennis te maken met het ras en de fokkers. Nu is het een prestige-kwestie geworden, men wil zijn hond minstens tot kampioen maken want dat lijkt op een ticket naar naam en roem en goed verkoopbare nesten. Onder het mom van “het ras verbeteren.” Maar zeg nu zelf, je kent de geschiedenis misschien al beter dan veel mensen die hier aanwezig zijn en je weet waarvoor mijn oudoom Donny de Gele Retriever fokte.. hoeveel moet er werkelijk verbeterd worden aan de hond die Sir Dudley voor ogen had? Door de huidige verbeteringen gaan we juist steeds verder van zijn ideaalbeeld af. Toch is dat natuurlijk niet allemaal zo zwart wit. Ik vermoed dat vandaag ook genoeg exposanten zijn die alleen al blij zijn om hier te kunnen staan. Die trots zijn op hun lieveling en hun honden graag laten zien. Ook al heeft hij zijn staart en zijn oren aan de verkeerde kant zitten. Maar lieve schat, ik ga je hier niet een hele lezing geven over wat een goede en geen goede hond is. Geniet van wat je ziet, de honden die hier zijn ingeschreven zijn stuk voor stuk honden waar de eigenaren in ieder geval gelukkig mee zijn en trots op zijn. Hier is een catalogus. Kijk ook eens naar de fraaie stamboomnamen. Alleen dat is al een genot om te zien!” Hij gaf me een klein boekje en ik bladerde het even door, zag inderdaad de meest klinkende namen. Ik zag ook de namen van de exposanten erbij en zocht chauvinistisch naar de Nederlanders. Er waren een stuk of tien. Een van hen was de jarige vrouw met de rollende hond. Hopelijk deed hij dat nu niet in de ring. De winnaar van de veteranenklasse in de reuen-ring was ook een Hollandse exposant. Ergens vond ik dat als medelander wel leuk.

De lunchpauze was voorbij en er waren nu wat grotere klassen aan de beurt. Ik had mijn stoeltje van de teven naar de reuen verplaatst, omdat ik die eigenlijk mooier vond. Imposanter, met brede koppen en stevige lijven. Als ik dan toch van Golden Retrievers moest houden omwille van mijn artikel, dan moesten het maar reuen zijn. Ik keek in het programma-boekje, of de catalogus, zoals Don het noemde, en zag dat we aan de “Mid Limit klasse” waren. Ik had geen idee wat het betekende, maar er was een reu die ik met mijn lekenogen prachtig vond. Een diep glanzende, goudkleurige vacht, een gangwerk waarvan Don het zeker goed zou vinden en een heerlijke kop. Een knuffelhond met allure en kracht. Zijn baas of zijn “handler” zoals Don het noemde, was een elegante man die opviel, omdat er niet heel veel mannen showden en als ze er al waren waren ze een stuk ouder. Deze handler had een strak gesneden colbertje aan en liep het driehoekje, het op en neertje en de cirkel als een danser zo lichtvoetig. De manier waarop hij zijn hond neerzette was ook iets anders dan wat ik tot nu toe gezien had. Hij hield de hond niet bij de kop en de staart vast zoals de meesten maar stond ervoor, zodat de hond hem aankeek en bleef kwispelen. Ik vond dat er veel natuurlijker uitzien. Hij leek niet met zijn blik te communiceren met de dame die keurde, iets wat me was opgevallen dat sommige mensen deden als ze achter hun hond geknield zaten. Alsof ze haar om goedkeuring vroegen. Wat in zekere zin ook zo was. Deze man leek op te gaan in het samenspel tussen hem en de mooie hond. Ik wilde aan Don vragen of ik daar gelijk in had toen ik zag dat hij de tweede plaats kreeg. Hij knuffelde de hond en liep ermee naar de zijkant van de ring. Ik zocht in mijn catalogus het nummer op wat hij op zijn jasje droeg, daarmee kon ik zijn naam en dat van de hond vinden. Het was bizar. “D. Macallister. “Driftwood Laird of the Royal Oak.” Ik pakte mijn catalogus op en haastte me naar de tent, waar Don bezig was met het herinrichten. Er stonden aan alle kanten stoelen en rennetjes en er waren overal honden, maar op de plek waar het podium van de band had gestaan een paar dagen terug, werden weer tafels geplaatst. “Een etentje als afsluiting voor het ringpersoneel en de organisatie.” legde hij uit. “Don, kun je even kijken naar deze naam. Hoe moet ik dat lezen?” Hij keek mee. “De exposant is D. Macallister. Zijn kennel heet Driftwood. Dat is een kleine kennel met in mijn ogen knappe honden. De reu heet Laird of the Royal Oak. Vind je het een mooie hond?” hij leunde tegen de tafel aan. “Ik vind het een prachtige hond. Maar die naam. D. Macallister. Die naam had ik ook in de eerste instantie op mijn werklijstje staan. Er is een Donald Macallister van de radar verdwenen. Zoon van Ivy Macallister. En Ivy Macallister was de dochter van Don Lockhart die tijdens de ramp op de Royal Oak het leven liet. Zoon van William Lockhart uit Carluke. De tweelingbroer van Donny.”

“Dat zou wel heel toevallig zijn. Juist nu. Ik kreeg net een telefoontje van Malcolm dat er morgen inderdaad een bijkomst gepland is in het ziekenhuis in Birmingham met een notaris, hemzelf en de oude man. En met Craig en mij.” Ik huiverde. Noch Malcolm, noch Craig hadden het me doorgegeven. “Als deze exposant werkelijk de zoon van Ivy is, dan is hij niet de kleinzoon van Don senior. Dus zal niets veranderen aan jullie situatie. Maar het is wel erg frappant dat we hem hier moeten tegenkomen.” Don schudde zijn hoofd. “Zo frappant is dat niet. Guisachan was de basis van de Lockharts. En hoe bijzonder is het om een kennel te hebben met de wetenschap dat je voorvaderen ten tijde van de eerste Golden Retriever op Guisachan leefden? Ik vind dat niet vreemd. Ik heb zeker wel eerder van de Driftwood kennel gehoord, de stambomen van zijn honden gaan terug naar prachtige rasvertegenwoordigers.” “Ik zou graag een praatje met hem willen maken. Om er achter te komen of hij inderdaad de zoon van Ivy is. Maar ik heb ook nog mijn afspraak met Jack staan.” Don pakte me even bij mijn arm. “Vind je het vervelend dat de afspraak bij de notaris al is vastgelegd?” Hij sloeg de spijker op zijn kop. “Ik vind het vervelend dat Malcolm het me niet heeft doorgegeven. En ik heb ook niets van Craig gehoord. Dat vind ik nog vervelender. Maar hee! The show must go on. En zie daar, de laatste “lost person” staat zomaar zijn hond te showen.” Ik hoorde mijn stem schriller klinken dan gewoonlijk. Don trok me broederlijk tussen zijn knieën en hield me bij mijn schouders vast zodat ik hem moest aankijken. “Jaimie. Geef Craig de kans om uit te zoeken wat er voor hem en zijn familie gaat veranderen. Misschien is hij nog niet eens in Newcastle, het is zo’n rot eind weg. En ondertussen, ja, waarom zou je niet een praatje maken met een exposant omdat je zijn hond mooi vind en hij misschien, heel misschien familie is.” voegde hij er aan toe. Hij had me, zonder onaangenaam te zijn, op mijn nummer gezet. Ik schaamde me een beetje dat ik me zo onzeker voelde over Craig. Ik trok me los uit Don’s grip. “Oké. Ik ga Driftwood Laird of the Royal Oak maar eens aaien.. Mag ik straks hier een plaatsje aan tafel pakken als ik met Jack ga praten?” Hij gaf me een kus op mijn wang. “Natuurlijk mag dat. Als je lief bent voor mijn muzikale neefje.”

Dag 29. 20 juli. Kampioenschapsclubmatch.

Ik vertelde Marianne in het kort wat er gaande was. Ze begreep me omdat ze me al zo lang zo goed kende. “Kan het niet zo zijn dat Craig zelf ook gespannen is, of ongerust? Tot kort geleden was hij alleen maar een flierefluiter, een blije muzikant zonder complexe familie, laat staan met een onderzoekend vriendinnetje. Bekijk het eens van zijn kant. En wat is er nu eigenlijk veranderd? Hij moet 6 uur verderop papieren in orde te maken voor de notaris bij wie hij met spoed ontboden gaat worden. Goed, dat je hem daarop hebt kunnen voorbereiden. En hij moet een optreden afzeggen. Vervelend, maar overmacht. En, o ja, zijn hele leven staat ondertussen op zijn kop. Maar voor de rest gaat het best goed. Als jullie verliefdheid zo diep gaat als je zegt, dan moet je hem laten doen wat hij moet doen. Jullie kennen elkaar alleen nog maar in dat lekkere gevoel van verliefd zijn en elkaars lijf ontdekken. Maar elkaar ontdekken is ook elkaar leren kennen in lastige situaties. En dit is er een.” Ik moest even diep nadenken over haar woorden. Mijn dierbare, altijd wijze vriendin had gelijk. “Maak nu de heleboel af zoals je hebt aangenomen. Die andere leuke vent moet ook je ook nog even vertellen wat hem boven de bol hangt als hij bij die honden vandaan kan, zoek het papierwerk uit en stuur het naar je baas, schrijf dat artikel en kom dan gewoon terug naar huis. De Amsterdamse terrassen zijn minder gezellig zonder jou. Het is hier zomer, toevallig!” Zoals ze het schetste leek het veel te eenvoudig. Want in haar draaiboek moest ik een stuk van mijn hart achterlaten.

Ik zag dat Don en de voorzitter naar het midden van het terrein kwamen met een microfoon. “Ik denk dat de show gaat beginnen.” zei ik door de telefoon. “Jaimie? Maak je niet zo druk. Die ‘hunk’ van je is ook maar een mens. En ik wil over een paar dagen weer lekker op het Leidseplein met je kunnen kletsen, regel het maar. Hier zijn erg leuke jazzbandjes die vast een exoot uit Edinburgh willen hebben.” Ik moest onwillekeurig lachen om haar manier van troosten. “Luf joe.” zei ik. De voorzitter opende de speciale kampioenschapsclubmatch ter ere van 150 jaar Golden Retrievers en stelde de beide keurmeesters voor. Marianne lachte. “Gek gedoe, daar.” zei ze en we braken af.

De regen was overgegaan in een zacht buitje en eigenlijk vond ik het wel fascinerend wat er allemaal in de ringen, gebeurde. Een exposant stond klaar met een hond, die werd dan aan alle kanten betast en bevoeld en in de bek gekeken. Vervolgens moest de hond dan keurig een driehoekje lopen en nog een keer op en neer en dan met een grote cirkel terug naar de lijn waar de andere honden opgesteld stonden. Tijdens de laatste cirkel werd de volgende hond alweer in positie gebracht. Als dan alle honden waren geweest, en soms waren het er wel twintig of meer, zocht de keurmeester er vijf uit die ze op volgorde van kwaliteit een plaats gaf met een daarbij behorende kleur rozet. En terwijl de honden dan de ring verlieten en er nieuwe binnen kwamen dicteerde ze een verslag over de eerste en de tweede hond. Don was bij me komen zitten en legde me van alles uit: het opstellen heette een line-up, het driehoekje lopen was zodat de keurmeester dan zag hoe de hond van achter, van opzij en van de voorkant liep. Hij wees me op een hond waarvan het gangwerk niet goed was. “Die gaat in telgang. Dat kan wijzen op een constructie-fout of op luiheid.” Na een paar “klassen” zoals de groepen heetten, vroeg ik aan Don of ik hem even over iets anders kon spreken. “Kom, we gaan een kop koffie halen.” zei hij en we liepen naar het Dorpshuis waar de muffins al bijna allemaal op waren. “Waarom moest Craig nu zo plotseling weg? Hij hoefde toch morgen pas in Edinburgh te zijn?” Hij keek onderzoekend naar me. “Gisterenavond laat werd ik gebeld door Malcolm, mijn opdrachtgever.” begon ik en vertelde de situatie. “Ik ga nu naar Inverness om alle officiële papieren te halen en als Malcolm dat binnen heeft dan krijgen jullie zo snel mogelijk een oproep, vermoedelijk voor morgen al.” Don was even stil. “Ik ga zo wel even mee, misschien krijg je mijn geboortebewijs niet zomaar als niet-familie-lid. Ik kan er een paar uurtjes tussenuit. Als het in Inverness snel gaat en we zijn nog voor de lunchpauze bij de burgerlijke stand, kunnen we binnen twee uur weer terug zijn, ruim op tijd voor de eindkeuringen.” Ik slaakte een zucht van verlichting. Don maakte het allemaal een stuk gemakkelijker.

Inderdaad waren we iets na half twaalf in Inverness. Don had gelukkig zijn legitimatiebewijs bij zich en kreeg heel vlot een uittreksel uit het geboorteregister, maar ik moest moeite doen om ook de gegevens van William en Craigs vader te krijgen. Met een telefoontje naar Malcolm die een aanvraag van de notaris door mailde, was het uiteindelijk toch sneller gelukt dan ik verwachtte. Er was binnen het gebouw van de burgerlijke stand een internet-plek met printers en scanners, zodat ik meteen alles kon inscannen en doorsturen. Om half een zaten we weer in de auto. En zat mijn taak er op. “En hoe nu verder?” was Don zijn vraag, dezelfde die mij voortdurend leek bezig te houden. “Malcolm gaat nu de afspraak regelen voor jullie. En ik maak dit weekend mijn verslag voor de Gazette af. En zal daarna terug naar huis gaan.” Hij keek voor zich uit en ik zag, net als bij Craig, een spiertje in zijn kaak trillen. Dat moest een Lockhart-trekje zijn ten teken dat ze gespannen waren. “En hoe verder met Craig? Je kunt me niet wijsmaken dat het klaar is tussen jullie.” “Nee. Dat hoop ik van niet..” mijn stem brak en het huilen dat vanmorgen nog inwendig was, klonk nu hardop. “Ach meissie toch..” zei Don en zette de auto stil op een kleine inham. Hij nam me in zijn armen en liet me huilen totdat ik het bizarre van de situatie inzag. “Waar ben je bang voor? Ik heb zo duidelijk gezien hoe stapelgek Craig op je is. Dat was geen flirt of iets leuks tussendoor. Ik ben hem niet, natuurlijk, maar ik kan me niet voorstellen dat hij je nu al wil loslaten. Hij lijkt juist zo blij je te hebben gevonden.” Ik snikte nog wat na toen ik rechtop ging zitten. “Ik ben bang dat deze hele toestand tussen ons in komt te staan. Hij ging inderdaad halsoverkop weg en ik heb geen idee wanneer we elkaar weer spreken.” Don diepte een enorme zakdoek vol hooi op uit zijn bodywarmer. “Natuurlijk zijn hij en ik niet hetzelfde en kan ik ook niet echt voor hem spreken. We kennen elkaar niet eens. Maar ik kan me zo voorstellen dat hij naar Newcastle wilde om ook met zijn vader te praten. Zou dat niet een juiste verklaring zijn? En.. een Lockhart eigenschap is dat we alles zelf willen doen. Zo min mogelijk dingen aan het toeval of aan anderen willen overlaten.” Hij had een punt, dat zag ik ineens. Ze waren beiden zelfstandig. Of, om met Craigs eigen woorden te spreken, hij was een “zelfredzame muzikant.” Don startte de auto weer, aaide me over mijn wang en beloofde me dat het goed kwam. De regen was nu helemaal opgehouden en een vaag zonnetje kwam door het wolkendek.

Dag 29. 20 juli. Kampioenschapsclubmatch. Shinty Field, Cannich.

De regen sloeg tegen de ramen en het was donker door voorbijrazende wolken, toen ik als eerste naast het bed stond. Met een hoofd vol gedachten ging ik naar de keuken en zette dringend de noodzakelijke koffie. Daarna pakte ik mijn boekje en bekeek al mijn aantekeningen van de laatste tijd. Ik moest in Inverness bij de burgerlijke stand de geboortegegevens van William en Craigs vader op duikelen. Don vragen of hij zijn geboortebewijs kon regelen. Wellicht moest ik de afspraak voor het interview met Jack annuleren. Ik keek naar buiten en zag dat de regen eerder heviger werd dan minder, hoe jammer voor al die mensen die straks hun honden op hun best wilden showen. Craig kwam geeuwend en rekkend de kamer binnen, zijn haren overeind, een prille baardgroei op zijn wangen en zijn katoenen broek laag over zijn slanke heupen gezakt. Het toonbeeld van een viriele, sensuele minnaar “de ochtend erna.” Met een schok realiseerde ik me dat hij, samen met Don, degene was die ik had moeten zoeken en alhoewel ik dat voortdurend had afgewimpeld onder het mom van “liefde kun je niet dwingen, we werden verliefd toen ik meende dat hij niet van de juiste Lockhart-tak was” voelde het nu toch alsof er iets veranderd was. Ik hoorde Malcolm’s stem nadreunen: “Belangenverstrengeling.” Craig kuste me in mijn nek, pakte een mok koffie en ging tegenover me zitten. Ogenschijnlijk niets vermoedend van mijn gedachten. “Wat een weer ineens. Daar had niemand op gerekend. Wat zijn de plannen voor vandaag geworden?” Hij keek me onderzoekend aan waaruit ik opmaakte dat hij wel degelijk mijn gedachten vermoedde. “Ik moet naar Inverness, uittreksels van het bevolkingsregister zien te krijgen. En Don vragen om zijn papieren. Malcolm neemt contact met jullie op. En hij heeft jouw geboortebewijs ook nodig.” “Daar zal ik achterheen gaan. Ik kom dan niet weer terug naar hier, het is toch zo’n zes uur rijden van hier naar Newcastle.” Hij klonk zakelijk en accuraat, alsof er een randje warmte uit zijn stem geslepen was. “Dat snap ik. De bijeenkomst in Birmingham zal zo snel als mogelijk zijn. Malcolm weet dat je morgenavond in Edinburgh moet spelen.” Craig keek me peinzend aan over zijn mok. “Van Birmingham naar Edinburgh is ook ruim 5 uur. Ik denk dat ik voor morgen een vervanger ga zoeken.” Ik vertelde hem dat Malcolm het beter vond als ik niet bij de bijeenkomst zou zijn. Vanwege de belangenverstrengeling. Een woord waarvan ik zeker wist dat Craig er een kwinkslag van zou maken, dat hij er om zou moeten lachen. Maar hij deed het niet. “Dat begrijp ik. Het lijkt me in dit geval ook beter zo.” zei hij. Per woord leken we meer en meer uit de intieme cocon van ons samenzijn te raken. “Ik rijd je zo naar Cannich en ga dan door naar Newcastle. Laat me weten of je van daar nog dingen nodig hebt. Het geboortebewijs van mijn vader zal wel hier zijn. Maar misschien heb je zijn registratie in Newcastle nodig en een uittreksel van het huwelijk met mijn moeder. Zodat het zeker is dat ik ben die je denkt dat ik ben.” Het leek zo afstandelijk, zo precies waar ik bang voor was toen ik ontdekte dat hij een van de gezochte Lockhart’s was. En zijn eeuwige optimisme, zijn gave om altijd vrolijk te zijn en de mooiste kanten van alles te zien leek ineens in die laatste zin verstorven. “Ik weet wie je bent.” probeerde ik het luchtig op te pakken. Maar slaagde er niet goed in.

In de stromende regen reden we naar Cannich waar op het veld overal kleine tentjes stonden langs twee afgezette stukken terrein. Op beide velden stond een lange tafel met een paar stoelen onder een open partytentje en er hingen gekleurde rozetten aan de tafels te wapperen. Er heerste opwinding, er klonk een vrolijk “Happy Birthday” gezang op uit de grote tent. Dat bleek voor de vrouw van de rollende hond. Door de drukte zag ik Don niet zo snel. Met lood in mijn schoenen wilde ik hem gaan zoeken. Juist op deze drukke dag, tijdens de afsluiting van het grote feest, moest ik hem lastig vallen met heel andere zaken. En met een zwaar hart moest ik Craig laten gaan, als laatste stuiptrekking van mijn opdracht. We liepen het dorpshuis in waar in de gymzaal allerlei artikelen van lokale kunstenaars te koop waren die allemaal met het Huis of met de honden te maken hadden. In een hoek was een plek waar koffie en thee gekocht kon worden met allerlei zelfgebakken koeken, cakes en sandwiches. Don stond te praten met een van de dames die een grote schaal versgebakken muffins in haar handen had. “Ik zeg Don nog even goedendag en dan ga ik rijden. Eer ik in Newcastle ben is het over drieën, ik moet op tijd bij het bevolkingsregister zijn.” had Craig gezegd. Don maakte zich los van de dame met de muffins en zijn blik lichtte op toen hij ons zag. “Zo gek op de honden dat jullie er al zijn voordat de show begint?” lachte hij. “Nee, zaken gaan voor de hondjes,’mate.’ Ik moet onverwacht naar Newcastle, Jaimie zal je wel bijpraten. Ik kom je even de hand schudden en dan zullen we elkaar snel weer zien.” zei Craig. “Zaken gaan dus ook voor het meisje?” vroeg Don, nadat ze elkaar een mannenomhelzing gaven, compleet met gemoedelijk rug geklop. “Yep. Helaas. Zaken gaan ook voor het meisje.” beaamde Craig. “Ik zie je dan zo, Jaimie. Ik ben in de tent.” zei Don en liet ons discreet bij de muffins staan. “Ik loop mee naar je auto.” zei ik en wilde stampvoeten en huilen van frustratie. Was er dan ineens niets meer over van dat wat we vannacht nog hadden gedeeld? Craig vroeg of ik een muffin wilde, hij kocht er een paar voor onderweg. Bij de parkeerplaats nam hij me in zijn armen. “Het komt goed, meisje. Het is zoals het is.” Er werd geen afspraak gemaakt. Er werden geen uren afgeteld. Want Malcolm was nu degene die de regie in handen had en dat was niet fijn. Craig tilde mijn gezicht op en keek met zijn lieve, mooie ogen diep in de mijne. “We hebben het fantastisch gehad, lieverd, Dat is goed om mee te nemen.” Hij sprak in verleden tijd. Ik werd er onmiddellijk verdrietig door. Ik hief mijn gezicht hoger voor een kus. Craig vouwde zijn mond over de mijne en hoe graag wilde ik dat het een belofte was. Maar we lieten elkaar los en hij draaide zich om en klikte de auto open. “Dag lief,” zei hij en zond me eenzelfde handkus als nog maar zo kort geleden vanaf het podium. Van binnen huilend zwaaide ik hem na.

In de tent zag ik Don inderdaad maar hij was druk bezig en ik wilde hem eigenlijk niet storen. Ik keek naar buiten en zag dat langs de afgezette stukken veld allemaal stoelen werden geplaatst. Een veld was de “reuen-ring” was en de andere de “teven-ring,” begreep ik van iemand die allerlei papieren op de tafels legde. De kleine tentjes waren van de exposanten die hun honden zo droog mogelijk wilden houden. De dieren zaten in kleine rennetjes of een soort stoffen hokjes waar hun koppen bovenuit staken. Voor zoveel honden bij elkaar was het rustig, in tegenstelling tot het vrolijke geblaf en gespring van gisteren bij het Huis. Alsof ze wisten dat hun gedrag vandaag belangrijk was. Zo braaf en merkwaardig kalm als ze ook tijdens de fakkeloptocht waren geweest. Aan de zijkant van het veld was een soort podiumpje gemaakt waar de winnende honden gefotografeerd gingen worden. De bergen op de achtergrond lieten op een natuurlijke wijze zien dat de winnaars in Schotland waren. Ik kon me voorstellen dat men trots zou zijn op zijn hond die hier mocht staan. De bekende kraampjes met hondenspullen waren er nu ook weer en in een van hen werden nummers uitgedeeld die mensen op een jasje speldden of in een houdertje om hun bovenarm gespten. Ik hoorde allerlei talen, Italiaans, Spaans, Frans, Scandinavisch, hier en daar zelfs wat Nederlands er tussendoor en veel Schots en Engels. Het was dat ik een knoop in mijn maag voelde sinds ik Craig had nagezwaaid, die niet leek op te lossen. Anders had ik al dit ogenschijnlijk rommelige gedoe wel interessant gevonden. Ik vond een leeg stoeltje aan de “teven-ring” en ging doelloos zitten. Zodra ik Don had ingelicht zou ik naar Inverness gaan om alles in orde te maken maar zolang de show niet was begonnen kon ik hem nog niet aanschieten. Ondanks de drukte en het verwachtingsvolle geroezemoes om me heen voelde ik me intens eenzaam. Ik miste Craig lijfelijk. Waarom was er ineens zo’n vreemde kloof tussen ons ontstaan? Waarom kon ik dat beeld niet kwijtraken van die verschrikkelijk prachtige man die vanmorgen geeuwend uit bed kwam en de afstandelijke man die gehaast in de auto stapte, me een kushand toewierp en weg ging tot wanneer? Ik keek op mijn horloge en zag dat het 9 uur was, over een half uur zou de show beginnen. In Amsterdam was het 10 uur. Met een beetje geluk was Marianne thuis, ik wist dat ze op vrijdag meestal in de ochtend vrij nam om te sporten. Ik had haar wijsheid nodig.

Ze had duidelijk mijn nummer gezien. “What’s up, girl? Gaat het goed, hoe is het met dat lekkere ding van je?” Ik wilde niet gaan huilen op de hoek van de “teven-ring” dus ik schraapte mijn keel. “Dat lekkere ding is onweerstaanbaar. Ik denk dat ik echt van hem hou want ik mis hem, nu al een half uur. Maar er is toch gedoe door die hele erfenis, Mari.”

Dag 28. 19 juli. Loch Ness. “Stilte voor de storm.”

Craig bleek een tafeltje gereserveerd te hebben op het terras van “The Dores Inn” met een onwaarschijnlijk mooi uitzicht op Loch Ness. “Dit hebben we nog niet gedaan. Ik wilde tegenover je zitten en naar je kijken zonder dat we zelf daarna hoeven af te wassen, hoe graag ik dat ook met je doe.” zei hij met mijn handen in de zijne. Ik bedacht me dat we eigenlijk een heel andere route van een beginnende relatie hadden gevolgd. Nog geen drie weken geleden hadden we dezelfde dag van onze ontmoeting al een eerste kus gewisseld om vervolgens enkele dagen later al in mijn huisje te eten en af te wassen als een huiselijk echtpaar. We hadden intieme momenten gedeeld die ik niet eens kende binnen voorgaande relaties. Maar die waren anders. Mijn eerdere vriendjes waren geen Craig. “Je denkt aan iets moois. Daarom wilde ik naar je kijken.” zei hij. “ik dacht aan de Kelpies. En aan onze tweede avond samen die meteen onze eerste nacht werd.” Craig had voor ons beiden een glas prosecco besteld en er werden versgebakken broodjes met gezouten boter gebracht, samen met het menu dat niet uitgebreid was maar er heerlijk uit zag. We genoten van het “uit” zijn en van alles wat mooi was om ons heen. We hoefden niet veel te praten, zwijgen samen was minstens zo goed. We lieten elkaar de lekkerste hapjes proeven van onze gerechten en ik wist zeker dat als ik in een heel verre toekomst dit moment zou willen herinneren, dat “innige harmonie” de juiste omschrijving zou zijn. En mogelijk: “stilte voor de storm.”

Nadat de zon onder was gegaan werd het een stuk frisser en verschenen de midges weer. “We moeten naar binnen.” vond Craig, maar omdat we al aan de koffie zaten, besloten we naar de cottage te gaan. We waren beiden moe, een vroege avond zou geen overbodige luxe zijn. Craig zou overmorgen terugkeren naar Edinburgh want hij had optredens in het weekend. “Lever je huurauto in en blijf nog een paar dagen bij mij. Dan kunnen we rustig een plan maken.” stelde hij voor. Ik zou mijn kleine cottage aan Loch Meig missen. Ik zou Don en zijn geliefde Guisachan missen. Zelfs het vriendelijke festival met de Goldens zou ik missen, mijmerde ik hardop, languit in Craigs schoot liggend tijdens het delen van een slaapmutsje. Hij streelde mijn haren. “Je krijgt er weer andere avonturen voor terug, mijn lief.” Ik vertelde hem hoe ik aan deze opdracht was begonnen. Luchthartig, zonder enig idee dat het mij persoonlijk zou veranderen. Dat ik emotioneel zo geraakt zou worden door mensen die ooit geleefd hadden en ik niet kende. Dat ik ontroerd was door het adembenemende Schotse land. Dat ik om mensen als Mick, Pat, Britney, Ann was gaan geven op een bepaalde manier. Dat ik in mezelf iets had leren kennen wat er nooit was. Omdat ik een oppervlakkig, verwend mens was, voor wie het leven altijd voor de wind was gegaan. En ik door mijn simpele leventje van gemakkelijk werk, vrienden en terrasjes en was gedanst zonder me te bekommeren om anderen. “Ik ken het gevoel van geven om andere mensen en hen missen niet, behalve mijn moeder.” Craigs lijf en armen om me heen vormden een veilige kom waarin ik dingen durfde te zeggen die ik voorheen niet eens bedacht had. “Je kunt niet oppervlakkig zijn geweest. Want dan had je dit allemaal niet kunnen zeggen. Dit deel van jou is er altijd geweest maar had tijd nodig om te rijpen. Waarom denk je dat je zoveel mensen in zo’n korte tijd voor je hebt kunnen winnen? Niet alleen ben ik straalverliefd op je geworden, om wie je bent, maar wat dacht je van Don? Zelfs Andrew op zijn trieste manier? Waarom wilden Mick en Pat je zo graag helpen? Wees trots op wie je bent, meisje. Ik ben het in ieder geval.”

Terwijl ik mijn tanden stond te poetsen en Craig in de slaapkamer was, hoorde ik mijn telefoon gaan. Ik had hem in de keuken laten liggen en eer ik mijn mond had gespoeld, was het voorbij. Ik zag dat het Malcolm was geweest. Het was nog niet heel erg laat, al voelde dat voor ons wel. Maar laat genoeg om alarmbellen te voelen rinkelen. Ik beluisterde de voicemail: “Jaimie, bel me alsjeblieft zodra je dit hoort. Ik heb met spoed alle gegevens van de mannen nodig, mijn client is ernstig ziek.” Ik liep naar de slaapkamer, waar Craig al in bed lag en aan het bladeren was in een muziektijdschrift. “Sorry, lieverd, ik moet Malcolm bellen. Er is iets met zijn opdrachtgever aan de hand.”

Ik knipte in de kamer de lamp boven de eettafel aan en pakte mijn opschrijfboekje. Toetste het nummer in. Malcolm nam onmiddellijk op. “Fijn dat je terug belt, Jaimie. Mijn client is eind van de middag opgenomen in het ziekenhuis met ernstige hartklachten. Vanwege zijn hoge leeftijd is hij te zwak om te opereren. Hij is geestelijk goed bij, maar een nieuwe attaque kan fataal zijn. Hij wil zo spoedig mogelijk de zaken rond hebben wat de erfenis van zijn vriend betreft. Ik ga morgenochtend alles in gang brengen.” “Waar is je client?” “Hij ligt in Birmingham in het ziekenhuis. Ik laat de notariële papieren van Glasgow naar Birmingham komen. Vermoedelijk gaat het voor morgen allemaal niet lukken maar ik probeer het voor elkaar te krijgen dat er zaterdag een spoed-bijeenkomst met de notaris georganiseerd kan worden.” Ik dacht snel na. Don was na de festiviteiten zaterdag vermoedelijk alles aan het opruimen en afwerken, maar Craig had een optreden in Edinburgh. “En het kan niet in Glasgow? Je client woonde daar toch?” Malcolm snoof en door de weken heen had ik geleerd dat het “zeur niet zo.” kon betekenen. “Met de nadruk op -woonde.- Dat klopt. Maar hij heeft zelf ook kinderen en was al een paar weken bij zijn dochter omdat het niet goed met hem ging. Daarom moest er ook haast gemaakt worden.” “Ik begrijp het. Waarmee kan ik helpen, behalve jou nu alle gegevens van Don en Craig doorgeven en hen alvast inlichten?” “Ik heb uittreksels van de bevolkingsregisters nodig waaruit blijkt dat de mannen zijn wie jij zegt dat ze zijn. Zowel van henzelf als van hun vaders. Morgen. En Jaimie? Dit gaat nu voor. Het afsluitende artikel voor de Gazette moet je maandag maar inleveren, ik zal ze even een berichtje sturen.” “Wil je dat ik er bij ben in Birmingham?” Malcolm leek even na te denken. “Vanwege belangenverstrengelingen is het beter van niet. Ik weet niet hoe innig je vriendschap nu is met een van de erfgenamen, ik kan je natuurlijk niet tegenhouden. Dat is iets tussen jullie. Maar wat mijn opdracht betreft ben je op de columns na klaar, zodra ik de papieren van de heren heb.” Ik beloofde daar morgen meteen mee aan de slag te gaan en we braken af. Ik bleef even in de schemerige keuken zitten. Ik had verwacht dat Craig en Don over een paar weken eens een keer een oproep van een notaris zouden krijgen, niet beseffend dat de haast zo reëel was geweest. Natuurlijk had Malcolm me duidelijk gemaakt dat er weinig tijd was omdat de oude man echt oud was. Maar dit hadden we geen van allen in een scenario kunnen zetten. Ik deed de lichten uit en kroop naast Craig in bed. Hij leek al te dutten, met alleen het lampje op mijn nachtkastje aan. “Gaat het?” vroeg hij met een slaapstem. “Hou er rekening mee, lieverd, dat je zaterdag al naar Birmingham moet voor een bijeenkomst met een notaris en mijn opdrachtgever en zijn client.” Hij kuste me, weer wakker nu. “Als dat zo is, dan is dat zo. We gaan er niet van wakker liggen, meisje. We hebben onze rust nodig.” Hij boog over me heen, knipte het lampje uit en trok me tegen zijn slaapwarme lijf aan.

Dag 28. 19 juli. Guisachan Gathering.

We waren erg laat thuis en hadden in het donkerte van de nacht alle tijd genomen om aan elkaar te laten voelen dat ons samenzijn steeds verder ging dan de oorspronkelijke verliefdheid. We praatten niet over “later” want het heden was nog maar zo pril en toch betraden we een nieuwe dimensie, een innige liefde die geen praten over later nodig had. “Ik hou van jou. Zijn we nu een stel?” vroeg hij met een dikke stem van de slaap. “Ik denk het. Dat we een stel zijn.” vond ik. Hij rolde zich weer naar me toe, nam me in zijn armen.”Wat is dat leuk, een stel zijn. Met jou.” zei hij in mijn hals. We hielden van elkaar. De diepe, droomloze slaap met Craig’s armen om me heen, veilig, vertrouwd en koesterend kwam later. Er was dus toch een later, ook al hadden we er niet over gepraat.

Mijn matineuze muzikant was op toen ik wakker werd. Ik hoorde hem fluiten in de keuken. Floot hij wel eens een ochtend niet? Het klonk heerlijk en het had me al vertederd na onze eerste nacht. Nu maakte het me gelukkig. De deuren stonden open, ik hoorde vogels, de zon was sterk. Craig zette de ontbijtspullen op de tuintafel. Ik keek vanuit het slaapkamerraam naar hem. Hij droeg alleen zijn katoenen broek en was een heel andere verschijning dan de knappe klarinettist in zijn witte overhemd waar naar mijn idee alle vrouwen in het publiek mee moesten dwepen. Ik schoot zijn oude shirt aan en sloeg mijn armen om hem heen, kuste hem in zijn nek waar een plukje van zijn haar een zachte komma vormde. “Goedemorgen, lieverd, wat een mooie ochtend.” “Het is een prachtige ochtend. Na een heerlijke nacht. Na een prachtige avond. Ik ben een gelukkig man.” verwoordde hij het gevoel waarmee ik wakker was geworden. “Gaan we vanmiddag picknicken bij het Huis tussen honderden honden? Of blijven we hier zonder honden, maar met elkaar?” vroeg hij en nam vrijpostig een hap van mijn yoghurt. “Voor mijn laatste stukjes voor de Gazette zou het goed zijn als ik er een kijkje neem. Morgen is de laatste dag van het evenement. En mijn auto staat nog steeds in Cannich. Maar een dagje samen…” Ik was mijn kommetje yoghurt kwijt. “Hmm, lekker.. We kunnen er heen, we hoeven toch niet de hele middag te blijven. Dan rijden we met beide auto’s terug.” Het was een goed voorstel. We hoefden niet de hele middag te blijven. En we hoefden er ook niet meteen naar toe.

“Ik zal deze ritjes missen als het gewone leven weer is begonnen.” zei ik later naast hem in de auto. “Ik ook. Ik ben me hard aan het afvragen wat het gewone leven is, mijn lief. Jij in Amsterdam? Ik in Edinburgh?” Het idee alleen al stemde me verdrietig, terwijl ik echt terug naar Amsterdam moest. “Het gewone leven is er niet meer nadat ik je bij de Kelpies op me af zag komen als levenswijze, zelfbewuste en o zo nieuwsgierige schoonheid. Ik ben bijna veertig. Zo lang heeft het moeten duren om te ontdekken dat iemand je gewone leven helemaal op zijn kop kan zetten. In meerdere opzichten. Niet zomaar iemand, natuurlijk. It had to be you…” Hij neuriede het zacht voor zich uit. Ik realiseerde me dat als er een later kwam waarin we onze levens deelden, ik altijd omringd zou worden door zijn muziek. Dat veel van zijn gedachten gevolgd werden door een muzikale bevestiging, of dat nou fluitend, zingend of spelend was. En dat we met zijn drieën zouden zijn, hij, zijn instrument en ik. “Mijn leven in Amsterdam is daar. En mijn leven met jou is hier. Ik weet niet hoe het moet..” Hij streelde mijn been. “Misschien moeten we dat nog niet willen weten. We kunnen veel bij elkaar zijn, ook al ben jij daar en ik hier. Er zijn auto’s, treinen, boten, vliegtuigen. We groeien naar een juiste situatie toe, daarvan ben ik overtuigd want ik wil je in mijn leven houden en wil er alles aan doen om te zorgen dat het ons gaat lukken. Op welke manier dan ook.” Hij ontroerde me zodanig dat de tranen me weer hoog zaten. “Niet verdrietig zijn, lieverd. Het is een te mooie dag. Kijk, Tomich stroomt al vol met auto’s en honden.” We kwamen in een file terecht, een echte file in een van de kleinste dorpjes van Schotland. Ik kon me best voorstellen dat de bewoners hier niet blij mee waren. Maar overmorgen zou het voorbij zijn. Met zijn arm om mijn schouders liepen we vanaf het Kennel Field over het pad dat bijna net zo druk was als tijdens de fakkeloptocht. Op het stuk land naast de stapel omgehakte bomen stonden weer de kraampjes met kleding, hondenspullen, versnaperingen en souvenirs van het evenement. En overal waar we konden kijken waren Golden Retrievers. Blonde honden, donkere types, goudkleurige zoals de trouwring waar Don het over had gehad, een zee van honden. De merkwaardig serene stilte die de dieren tijdens de fakkeloptocht hadden bewaard was er niet. Er werd enthousiast geblaft, gesprongen, gekwispeld. Er waren picknickkleden met groepjes vrolijk lachende mensen erop, er was een deel van het weiland gereserveerd voor de haggis-werp-wedstrijden. Er plopten champagnekurken, mensen proostten en snoepten van allerlei hapjes en voor het Huis was een stuk van het veld afgezet zodat er foto’s gemaakt konden worden met de ruïne als achtergrond. De mensen van de organisatie waren te herkennen aan hun polo’s die als boterbloemkleurige vlekken in de massa opvielen. Craig bukte zich om een van de vele honden te aaien.”Je zou er toch bijna ook eentje willen.” zei hij en pakte me weer bij de hand. “Bijna.” benadrukte ik. Toch vond ik ze leuk en dat had ik van mezelf niet verwacht. Don stond op een trapje en riep de teams op voor het haggis-werpen. De deelnemers kregen een kilt om gedrapeerd en een slokje whisky en moest zo ver mogelijk gooien. Hij zag ons aan komen en zwaaide. We bleven even staan kijken naar de stoere dames en heren die uit alle macht de klei-achtige bal gooiden. Er waren een paar honden losgebroken zodat hun bazen achter ze aan renden. De zon scheen. Don kwam zijn trapje af. “We hebben voor het Britse team nog een touwtrekker nodig. Neef, laat de clan Lockhart niet in de steek!” Ik moest hardop lachen om zijn enthousiasme. “Natuurlijk laat ik je niet in de steek. Wij Lockharts kunnen alles aan als we maar door de juiste mensen worden aangemoedigd.” En hij stroopte zijn shirtmouwen hoger op. Gaf me een zoen en nam plaats aan een touw. Ik zocht naar Liz, die ook met een gele polo en een zonnehoed rondliep. Ze was samen met een groep anderen aan het proberen iedereen met honden zover te krijgen de dieren vast te zetten in het lege veld voor het Huis voor een foto. En dat had nogal wat voeten in de aarde. Het touwtrekken was over, het trapje van Don werd nu neergezet voor een jonge vrouw die de foto zou gaan maken. Eer alle honden in de juiste positie waren duurde nogal wat tijd maar toen eindelijk de laatste eigenaren tussen de honden uit waren gegaan, riep de vrouw op het trapje dat het ging gebeuren. Het was een waanzinnig moment, het grijze, markante, geschonden gebouw, een stralende blauwe lucht, de donkere bergen in de verte, het groene gras en de vele vele Golden Retrievers. Ook voor iemand als ik, die niet eens van honden hield, was dit een indrukwekkend moment. De vrouw riep dat ze klaar was en alle baasjes stormden naar hun hond toe. “Blijf. Blijf allemaal een paar tellen!” riep de voorzitter door een microfoon. En daar bromde de drone die we een paar dagen terug gezien hadden van het NBC news, over het terrein. Mensen zwaaiden, honden sprongen. Er klonk een gejuich op en sloeg tegen het Huis. Het grote fotomoment was voorbij. Iedereen ging weer naar zijn picknickkleed of groepte samen met landgenoten, er werden meerdere foto’s gemaakt van kleine groepjes honden bij de ruïne. De grote telling werd aangekondigd en ook dat was een onderdeel van de middag dat zeker drie kwartier duurde. Maar, toen de laatste hond onder een haag handen van tellende organisatoren werd gevoerd, was het totale aantal Golden Retrievers 361. De officiële onderdelen van de middag waren voorbij. Don vroeg of we deel wilden nemen aan een “Schotse avond” met traditionele dansen, muziek en whisky in de tent. Craig keek me even van opzij aan. “Ik denk dat ik mijn meisje mee uit neem voor een etentje en dat we het dan voor vandaag gezien houden.” verontschuldigde hij ons. “Heel verstandig.” zei Don. “We zien elkaar morgen nog wel?” “Ik heb het interview met Jack. En wil dat show gebeuren ook wel even bekijken.” Craig knikte instemmend. “Dat begint in de ochtend al. Er zijn iets van 250 inschrijvingen, dus een lange dag. Maar ik hoop dat we elkaar nog onder ons zien, voordat jullie terug gaan.” zei Don. “Dat gaan we zeker doen, vriend. Nu ik je gevonden heb wil ik je niet zomaar in de poten van 361 Golden Retrievers achterlaten zonder dat we een wee dram gedronken hebben op onze familieband.” Dit was Craig ten voeten uit. Emotioneel en warm en geestig.”Reken maar!” beaamde Don. “Dan zie ik jullie morgen!” Met zijn grote lijf en lange benen liep hij van ons vandaan, krachtig en doelbewust. “Kom, mijn lief. Ik ga je ontvoeren naar een plekje aan het Loch Ness waar we wat gaan eten, wat gaan drinken, wat gaan ontspannen. Ik wil op een terrasje de zon in het water zien zakken en verdrinken in jouw ogen. We laten jouw auto nog maar staan. Morgen is er weer een dag.” Dicht tegen elkaar aan liepen we tussen een stoet van Golden Retrievers en baasjes het vertrouwde pad over naar Tomich.

Dag 27. 18 juli. Feest.

De voorgerechten werden uitgeserveerd, ik had een zalige garnalencocktail gekozen omdat haggis me wat te ver ging. Er werd links en rechts van me gekeuveld, de band speelde dat het een lieve lust was. Ik praatte wat met Jack die een heel aimabel mens bleek te zijn en voor de organisatie een verrassing in petto bleek te hebben. “Dat kondig ik aan als het diner over is.” vertrouwde hij me toe. “Als journalist ben ik heel nieuwsgierig, maar ik wacht het rustig af.” Op het podium kwam de bandleider achter de spraakmicrofoon. Hij bedankte de organisatie dat ze vanavond mochten spelen, dat het weliswaar op heel korte termijn was maar dat ze toch graag een klein thema aan dit optreden hadden willen verbinden. Dus hadden ze Craig Lockhart bereid gevonden om twee nummers te bewerken. “Walking the Dog” van Rufus Thomas uit 1965, en nu voor hen als dansnummer omgezet. Maar om te beginnen de lichtvoetige Promenade, “Walking the Dog” van Gershwin, ooit gecomponeerd voor de film “Shall we Dance.” en speciaal vandaag voor klarinet en bas gearrangeerd. Ik nam een slok van mijn wijn en hield mijn ogen gericht naar de overkant. Craig boog zich voorover, pakte een flesje water, hield het als een toast naar de zaal, nam een slok en zette zijn instrument aan zijn mond. Nog voordat hij een noot had gespeeld had hij de zaal al voor zich ingenomen met zijn charisma. Het was een vrolijk, geestig deuntje dat het wandelen met een hond treffend illustreerde. De bas gaf ritmisch de tred van hond en baas aan terwijl Craig zijn vingers, wenkbrauwen en klarinet liet kwispelen en zingen. Hij was een met de muziek, bewoog zijn hele lijf mee, nu eens wiegend, dan swingend, alsof hij zelf een hond aan de lijn had. Hij kreeg een luid applaus, boog vriendelijk en nam zijn microfoon op. “Dank u wel! Alhoewel George Gershwin het schoothondje van Ginger Rogers in de film voor ogen had, heb ik toch geprobeerd een van jullie Golden Retrievers te laten wandelen.” Er werd gelachen en hij kreeg opnieuw een ovatie. Toen begon de bandleider aan een ander nummer. Craig viel in en werd weer een met de rest van de muzikanten. Het hoofdgerecht werd rondgebracht.

De band speelde het laatste nummer van de eerste set tegen de tijd dat wij wachtten op het dessert. Don tikte me even aan: “Moet jij je neus niet poederen voor het toetje? Dan zou ik het nu doen.” knipoogde hij, terwijl de bandleider een pauze aankondigde. “Dank je.” zei ik zacht en stond op, sloeg mijn stola om en liep de tent uit op het moment dat de muzikanten langs liepen. Ik draalde wat bij de ingang van het terrein. Craig bleef achter en stond ineens naast me. “Mijn lief, wat zie je er verrukkelijk uit en wat ben ik jaloers op Don.” zei hij en kuste me in mijn hals. “Dat hoeft niet. Jij ziet er ook verrukkelijk uit en ik ben zo trots op je!” gooide ik eruit. Hij lachte. “Ik moet naar de mannen en jij naar je toetje. Wat heb je gekozen?” “Cranachan.” probeerde ik zo Schots mogelijk uit te spreken. Hij legde zijn lippen op de mijne. “Cranachan.. hmmmm..” kuste hij. En snelde achter de anderen aan.

In de tent werden de prijzen van de loterij bekend gemaakt. Terwijl de laatste desserts rondgebracht werden, waren bij de eerste tafels al kannen met koffie en thee en schaaltjes met fudge neergezet. Het buffet werd snel en vakkundig afgebroken zodat er een ruimte ontstond voor de dansvloer. Nadat het sluitstuk van de loterij, het grote wandkleed, van eigenaar was gewisseld was het de tijd voor de verrassing van mijn buurman. Jack liep naar het midden en vertelde dat hij namens de Trust optrad, bijzonder geraakt was door de grote saamhorigheid van iedereen die zo van het mooie hondenras hield, dat hij zich ten volle besefte dat Guisachan een bedevaartoord was geworden en dat hij daarom op de verjaardag van de Golden Retriever een fonds had opgezet dat het behoud en zo mogelijk de restauratie van het “Huis” wilde realiseren. De trust had er een eerste bedrag tegenover gezet en hijzelf had het verdubbeld in de hoop dat velen zouden volgen en dat Guisachan voor de volgende generaties Golden-liefhebbers in stand zou blijven. Er ging een luid applaus op. Ondertussen hadden Craig en de mannen hun plaatsen op het podium weer ingenomen. De zanger was bij deze set en nadat Jack nogmaals beloofd had dat hij zich persoonlijk zou inzetten om Het Huis te behouden, gaf hij de band weer de eer. Zij zetten een lekker swingend nummer in en de eerste mensen verschenen op de dansvloer. Het licht werd gedimd, de laatste tafels ontruimd en Jack schonk ons nog een glas wijn in. “Zou ik je mogen interviewen voor de Gazette? Dat zou een mooie aanvulling op de laatste columns kunnen zijn.” Hij draaide zijn glas bedachtzaam om. “Ja, dat is goed. Ik treed niet graag op de voorgrond maar wil voor jou een uitzondering maken en misschien dat er daardoor ook mensen van hier interesse hebben om te doneren.” Don schoof bij ons aan toen we afspraken voor vrijdagmiddag ten tijde van de grote hondenshow. “Nieuw werk aan het zoeken?” vroeg hij plagend. Ik verdedigde me. “Nee, een mooie afsluiting van de week maken.” “Daar gaan we ons best voor doen.” proostte Jack. De Canadese dame boog zich naar hem over en vroeg hem iets. Don draaide zich naar mij toe. “Heb je het een beetje naar je zin?” vroeg hij lief. Ik knikte. “Heel erg. Jij en Jack zijn heerlijk gezelschap, ik heb zalig gegeten en ik hou van de band.” Hij lachte. “Dat snap ik. Kom, we gaan dansen.” Hij pakte me bij de hand en voerde me mee naar de vloer.”Basin Street is the street where the elite always meet..” zong de zanger in een dansbaar gearrangeerd tempo. Don bleek een verrassend goede danser. Hij nam me in de armen en pakte het ritme gemakkelijk op zodat ik alleen maar hoefde te volgen. Craig stond wat opzij, buiten het licht, toen de gitarist zes maten soleerde. Ik keek hem aan over de schouder van Don, die me al dansend dichter naar het podium had geloodst. “Love you.” mimede hij en bewoog zich weer terug om de melodie samen met de trombonist over te nemen. Na de Basin Street Blues werd het bewerkte nummer van Rufus Thomas aangekondigd, “Walking the Dog,” Don en ik liepen terug naar onze plaatsen. Het was een pittig nummer en ik vond het prachtig om te zien hoe iedereen stond te swingen in cocktailjurken en kilts, en luidkeels meezong: “Walking The Dog!” Craig had een heftige solo terwijl de anderen om hem heen het ritme klapten. Hij was een en al vuur. “I am walking the Dog..” viel de zanger hem na zijn solo bij. “Walking the Dog!” brulde de hele dansvloer mee en er werd gestampvoet en geklapt toen de bandleider een laatste nummer voor de pauze beloofde.

In de tijd dat de muzikanten zich in hun kleedkamer terug trokken draaide de ceremoniemeester wat lekkere, populaire muziek en kon men op eigen kosten drankjes bestellen. Er werd gedanst, gelachen en ik kon me niet herinneren wanneer ik voor de laatste keer zo genoten had op een feest. De drukke Amsterdamse partijen waar iedereen op elkaar gepakt stond en dezelfde bewegingen maakte, waren gelegenheden waar ik niet vaak kwam. En ik was op echte dansfeesten helemaal niet te vinden. Ik hield meer van een drankje in de kroeg en wat slap geklets. Maar hier had ik er plezier in en waagde een dansje met de ceremoniemeester. Ook de in mijn ogen wat stijve Jack danste een keer met me. Een rustiger nummer, maar desalniettemin was het leuk om in zijn armen te zwieren. Toen “Dancing Queen” van Abba werd gedraaid trok Liz me de vloer op en zongen en hosten we naar hartelust mee. De band kwam na een klein half uurtje terug voor de laatste set. Ze hadden hun jasjes uit en de bovenste knoopjes van hun smetteloos witte overhemden open. De Schotse strikjes hingen nu nonchalant los. Ik kon mijn ogen niet van Craig afhouden. Het dansnummer maakte plaats voor een snelle song dat door de zanger zelf geschreven was. Don kwam bij me zitten. “Ik zocht je.” zei hij simpel. In het nummer kwamen alle muzikanten een voor een naar voren voor hun eigen geluid. Daarna werden ze een collectieve achtergrond van melodieën die de zanger omlijstten. “We komen aan het einde van het optreden.” gaf hij aan. “Het volgende nummer is een favoriet nummer van een van onze mannen, speciaal gearrangeerd en in deze set opgenomen. En daarna, beste mensen, zijn we toe aan de verzoekjes. Maar eerst: “Stardust” van Nat King Cole, zonder mij erbij. Want hieraan heb ik niets toe te voegen.” Hij kreeg wat lachers op zijn hand. Er werd geklapt. Ik huiverde toen ik zag dat Craig de klarinet oppakte en was terug aan het meer waar zijn muziek tegen de bergen klom. Don pakte me bij de hand de dansvloer op en nam me in zijn armen op hetzelfde ogenblik dat Craig de intro blies. Ik voelde me alsof ik zweefde. De muziek omsloot ons. Don leidde me krachtig en tegelijkertijd teder door de melodie die Craig voor mij speelde. Ook al waren er meer paren aan het dansen, het was alsof we met zijn drieën waren. “My stardust melody, the memory of love’s refrain..” zong Craig in zijn instrument en liet het langzaam weg zinken, als de laatste zonnestralen in het meer. Don kuste me zacht op mijn haren en we bleven even dicht tegen elkaar staan toen het applaus losbarstte. Ik zag mijn lief buigen, de ovatie in ontvangst nemen, zo ongelooflijk dierbaar dat ik moest slikken. Ze gingen de toegiften in. “Walking the Dog” van Rufus Thomas werd nog een keer gespeeld met opnieuw swingende mensen, de zanger die de hond floot, “come on, boy, come on.” de spetterende solo van Craig en het hardop mee gebrulde: “Walking the dog!” Daarna kwam iedereen op de dansvloer en ging in een grote kring staan. De bandleider pakte de microfoon. “We zijn in Schotland. En daarom eindigen we met het traditionele Auld Lang Syne, maar niet voordat ik u wil bedanken voor deze mooie avond en ik ons muzikale wonderkind wil bedanken voor de speciale arrangementen die hij voor vanavond verzorgde, Craig Lockhart!… ” Er ging een gejuich op en Craig boog, stralend, lachend, gelukkig. “Dit is zijn leven,” bedacht ik me. “Hij is echt een podiumbeest.” Het applaus bleef aan duren omdat de bandleden een voor een genoemd en geroemd werden. Auld Lang Syne werd ingezet. Alle gasten pakten elkaars hand. Op de maat van de muziek deinden we onze handen samen, zongen de woorden uit volle borst mee en dansten naar voren en naar achter, tot de muziek eindigde en een laatste applaus de tent tot in de nok vulde. De voorzitter bedankte de band en alle aanwezigen, hij zette wat zachte achtergrondmuziek op. Het geroezemoes verstomde, de tent liep leeg. Ik bleef bij Don staan terwijl er mensen afscheid kwamen nemen en hem bedankten voor de fantastische organisatie. Jack gaf me drie onhandige kussen op mijn wang en zei dat hij genoten had van mijn gezelschap en “tot vrijdag.” Ik zag dat Craig van het podium sprong terwijl zijn collega’s alles aan het inpakken waren en de geluidsman de installatie afbrak. “Ik ga nu mijn liefste zoenen.” zei hij tegen Don die met een paar dames praatte. Die lachte; “Volkomen terecht. Ik zou hetzelfde doen.” Craig pakte me bij mijn hand en trok me in een innige omhelzing. “Ik zag je dansen. Ik zag je lachen. Ik zag hoe ontzettend mooi en lief en bijzonder je bent en ik zag iedereen van je houden. En ik kon alleen maar denken: “die prachtige vrouw is mijn meisje.” We kusten elkaar, intens en liefhebbend. En het plagende fluitconcert vanaf het podium deerde ons niet.


Dag 27. 18 juli. Vroeg in de avond.

“Ik hou van je.” Ik hoorde het als een echo in mijn hoofd, toen ik naast Don in de auto zat. “Als we thuis zijn, wijs ik je de badkamer en de logeerkamer die je kunt gebruiken. Dan kun je rustig douchen of een bad nemen terwijl ik de honden verzorg.” Hij zei het zoals hij was. Praktisch. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat een vrouw een bad kwam nemen.

De honden waren duidelijk blij om hem te zien en ik keek naar hem terwijl hij ze kalmeerde, aaide en naar buiten liet. Ik zag iets wat me niet eerder bij hem was opgevallen. Hij straalde toen hij met zijn beesten bezig was. Zo groot als hij was, zo stoer en met zijn laarzen stevig op de grond, zo zacht en lief was hij tegen hen. Hij had misschien niet de fijngevoelige emotionaliteit als de bevlogen, alles en iedereen liefhebbende Craig, maar hij toonde wel degelijk dezelfde passie. En dat maakte hem een prachtig mens.

De badkamer was voor de kleine eenvoudige boerderij verrassend luxe en ik nam een douche met een lekkere gel die er stond. Er waren zachte handdoeken en er hing een lange, nieuwe badjas die ik aanschoot. Ik stak mijn haren op, deed een paar kleine oorhangers in en was blij te zien dat de kneuzingen in mijn hals alweer een stuk minder zichtbaar waren. Ik hoopte dat het licht goed gedimd was, dan zou het vermoedelijk nauwelijks opvallen. Ik hoorde Don ergens in het huis fluiten. Mijn nieuwe jurk was nog mooier dan ik dacht en nadat ik mijn schoentjes had aangedaan, een vleugje parfum op spoot en mijn tasje pakte, liep ik tevreden naar de keuken. Don was daar al. “Wat zie je er prachtig uit.” zei hij bewonderend en pakte mijn hand en drukte er een kus op. Hij droeg een kilt met een traditioneel jasje, kousen en glimmende schoenen en was bijzonder imponerend. “Jij ziet er ook prachtig uit.” lachte ik. Hij gaf me een soort corsage, een klein paars bloemetje met een Schots geruit strikje. “Alle dames van de organisatie krijgen dat van de Kennelclub.” Ik probeerde het op te doen maar Don nam het van me over. “Geef maar hier.” Ik voelde me blozen tot in mijn decolleté waarboven hij accuraat de corsage vastspeldde. Hij bleef praktisch: “Dat dunne ding voor over je schouders, neem je dat wel mee?” Ik herinnerde me ineens de organza sjaal in een van de tasjes. Toen ik mijn spullen bij elkaar had en de sjaal omgeslagen, had hij de honden al in de grote bijkeuken gedaan. “Goed zo. Dan zijn we er klaar voor.” Onderweg vroeg ik hem naar de status van het diner. Was het erg officieel? “Er is een hoogwaardigheidsbekleder van de Trust waaronder Guisachan valt en omdat het de 150 jarige verjaardag van het ras is, zijn er 150 kaarten verkocht. Een voorstelronde, wat toespraken, dat is het officiële gedeelte, maar voornamelijk lekker eten, mensen leren kennen, dansen tot we moe zijn.” “En moet ik me ook voorstellen?” vroeg ik me hardop af. “Ja, geef maar aan dat je de journaliste bent voor de Gazette.” “Maar is het dan niet vreemd dat ik als jouw partner daar zit?” ik merkte een soort koudwatervrees op bij mezelf. “Een goede vriendin van mij. En journaliste. Is dat makkelijker?” Hij klopte me luchtig op mijn knie. “Zo officieel is het ook allemaal weer niet, hoor. Ga er gewoon net zo stoer in als je in de hele opdracht bent gegaan. Je kunt het.” Hij zei het met een scherts, maar het zette me aan het denken. “Don, waarom heb je eigenlijk geen partner?” vroeg ik hem op de man af. “Omdat, lief meisje, geen mens het ziet zitten om met een kluizenaar en een stel honden te verkeren. En ik er hoogstwaarschijnlijk het geduld niet voor zou hebben. Ik vond het heerlijk om deze dagen met jou op te trekken, zelfs te gaan winkelen voor je jurk, maar ik moet er niet aan denken dat ik dat vaker zou moeten doen.” Hij grinnikte het weg en parkeerde de landrover naast het dorpshuis achter de tent waar alleen auto’s van de organisatie stonden. “Dan ben ik blij dat je een uitzondering voor mij hebt gemaakt.” kwam ik er nog even op terug. “Ik ook.” beaamde hij en hield me hoofs bij de arm toen we het terrein op liepen.

Hij stelde me voor als “mijn goede vriendin” en ik ontdekte dat de man die naast me zou zitten een van de trust-eigenaren van Guisachan was. Er hing een feestelijke sfeer. De dames droegen kleurige toiletjes en veel heren een kilt, wat ik erg indrukwekkend vond. Liz, de vrouw met wie ik gisteren het kraampje had begroette ons.”Wat zijn jullie een beeldschoon stel samen!” riep ze uit. Ik voelde me kleuren, maar Don lachte fijntjes: “Ja, dat vind ik nou ook.” Iemand stelde zich voor aan mij en begon een gesprek met hem. “Ik ga even mijn neus poederen.” zei ik vriendelijk en Don gaf me een knipoog. De toiletten waren in het dorpshuis. Hoe graag was ik naar de kleedkamer van de band gegaan om Craig te zien. Maar er klonk gelach van achter de deur. Er werd gezongen. Ik moest geduld hebben.

Bij de ingang van de tent zat een man die de entreekaarten in ontvangst nam en een stempel op polsen drukte als op een echt festival, wat een grappig contrast vormde met alle formaliteit. Bij het zien van mijn corsage werd ik naar binnen genood. Binnen heerste een gezellige drukte. Het was feestelijk en chique met de strikken om de goudkleurige stoeltjes, twee kroonluchters in de nok van de tent, kleine lampjes overal, het podium een beetje aangelicht en langs de zijkanten allemaal vlaggen van Golden Retriever Clubs van alle windstreken. Buiten begon de doedelzakspeler te spelen. Don stelde me voor aan de man die aan mijn andere kant zou zitten. Ook weer zo’n rijzige, imposante Schot, statig in zijn traditionele kilt met grijze haren en een onderzoekende, vriendelijke blik. En een prachtig accent. Ik was trots dat ik tussen twee knappe mannen zou zitten. Met een klein steekje van spijt dat een van hen niet Craig was. Maar, hield ik mezelf voor, hij zou tegenover me staan. Want onze tafel had het beste zicht op het podium.

De tent vulde zich en vrijwel alle plaatsen werden ingenomen. Dames omhelsden elkaar met opgewonden kreetjes, er werden handen geschud, een hoogblonde, goedlachse vrouw in een pastelkleurige kanten jurk trok enthousiast een vrouw in staalgroen naar een plaats aan de tafel in het midden. Ik herkende de laatste als bazin van de hond die steeds lag te rollen. Op de achtergrond klonken de specifieke Schotse klanken en de meisjes van de catering liepen af en aan met flessen wijn en water. Mijn linker disgenoot “zeg maar Jack,” schoof beleefd mijn stoel aan toen ik ging zitten. Don vroeg me wat ik wilde drinken en schonk een glas witte wijn in. Toen de man bij de ingang een handgebaar maakte naar de ceremoniemeester, leek dat het teken te zijn dat iedereen binnen was. Buiten stierven de laatste tonen van de doedelzak weg. De voorzitter tikte tegen zijn glas om aandacht en kreeg een microfoon. Hij hield een kort praatje over Guisachan, het Huis, de honden en hij heette iedereen van harte welkom. Achter in de tent kwamen, bijna onopvallend, de bandleden het podium op. De mannen droegen hun nette pakken met witte overhemden en strikdasjes met een Schotse ruit. Er ging een warme gloed door me heen toen ik Craig zag. Weliswaar niet in kilt, maar onweerstaanbaar aantrekkelijk. Don kneep me in mijn hand. “Wat een knappe neef heb ik.” zei hij zacht. “Dat ben ik helemaal met je eens.” kneep ik terug. Iedereen aan onze tafel kreeg de microfoon in handen om zich voor te stellen. De ceremoniemeester, zijn vrouw, de secretaris van de kennelclub en diens echtgenote, de Canadese onderzoekster. Daarna was Don aan de beurt, die zich voorstelde als organisator vanuit Cannich zelf en gaf de microfoon aan mij: “naast me zit mijn goede vriendin uit Nederland.” Ik bedankte hem en zei simpel: “Ik ben Jaimie, verslaggever voor de Cannich Gazette over deze bijzondere gebeurtenis. Het is een eer om hier te mogen zijn.” snel gaf ik het woord aan Jack, die in het kort zijn rol aangaf. Ik keek over alle hoofden naar Craig, die met twee vingers zijn lippen aanraakte en ze mijn richting op wees, zo tersluiks dat het nauwelijks waarneembaar was, maar mij deed glimlachen. De voorzitter nam weer het woord en opende het diner. Er werd luid geapplaudisseerd en de band zette een rustige ballade in.

Dag 27. 18 juli. Voorbereidingen.

Ik had Don daarna verteld van het overlijden van Andrew en hij leek ook daarvan niet te schrikken. “Weet je, Jaimie, vroeg of laat zou het toch gebeuren. Toen ik voor onderzoeken in de VS was om uit te vinden of ik aan dezelfde ziekte als mijn vader leed, heb ik er veel over geleerd en een van de afschuwelijke bijkomstigheden is dat in de meeste gevallen de patiënten niet heel oud worden. Hetzij omdat ze er zelf voortijdig uitstappen, hetzij omdat een deel van de hersenen uit gaat vallen met alle gevolgen van dien. Ze leven op een tijdbom. En naast hun depressieve, manische en kwaadaardige problematiek is dat alleen al iets om heel somber over te zijn. Ik ben de dans ontsprongen, gelukkig. Ik ben geen lijder van het gen.” “Inderdaad gelukkig dat jij de dans ontsprongen bent.” zei ik zacht.

“Maar.. jij zult de dans niet ontspringen! Ik wil vanavond met je dansen als dat van mijn neef mag.” hij had dezelfde gemakkelijke manier als Craig om somberheid in zonnigheid om te toveren. Er kwam iemand die iets van Don wilde weten. Hij excuseerde zich en daarna zag ik dat hij met een man naar de achterkant van de tent liep waar het podium stond. Er werd een auto uitgeladen. Het was duidelijk dat het de geluidstechnicus van de band was die allerlei spullen het podium op sjouwde. Ik ging een beetje op het veld rondkijken naar de honden die nog steeds braaf moesten zijn en realiseerde me dat ik nu helemaal klaar was. Op een paar columns na. Vanaf het eerste mailtje van Malcolm was ik er toch ruim een maand mee bezig geweest, dus het voelde vreemd. Ik schudde het melancholieke gevoel van me af en liep naar het dorpshuis toe om Craig even te zien. Ondertussen waren de bandleden gearriveerd want tussen alle auto’s en busjes met namen van Golden Retrieverkennels erop uit binnen,- en buitenland, stond ook een bus met de naam van de band. Daarom ging ik toch maar niet naar binnen. ik vond het een beetje lastig om naar Craig te gaan waar zijn collega’s bij waren en wilde terug lopen toen ik hem hoorde. “Ben je klaar met alles?” Hij trok me even tegen zich aan. “Ja! Don had het al begrepen. Hij is blij met een nieuwe neef. En wil vanavond met me dansen, maar alleen als het van jou mag.” Craig streelde met zijn mond langs mijn gezicht naar mijn oor. “Dat mag. Beloof me dat je ook met hem danst als we “Stardust” spelen. Want er is geen moment dat wij daar samen op zullen kunnen dansen.” Mijn oor kreeg een zoen. “Oh, jawel hoor.” zei ik opgewekt. “We spelen het filmpje dat je me stuurde. Simpel.” Hij begon nu aan mijn oor te knabbelen en murmelde: “Zullen we dat bewaren als er geen neef en geen hondenmensen bij zijn?” Met tegenzin maakten we ons los. “Ik ga wat te drinken voor de mannen halen. En dan moeten we hard gaan studeren.” Samen liepen we naar het veld waar een kraampje was dat verschillende versnaperingen verkocht, tot aan zakjes met hondenkoekjes toe. De proeven waren afgelopen. Hier en daar liepen honden los te spelen over het afgezette terrein en overal stonden groepjes mensen of zaten op picknickkleden. Het had een festival-achtige sfeer. Vanuit de tent klonk: “Een,Een, Een, TSSS..” Ha, onze geluidsman is er ook al.” constateerde Craig blij en rekende de blikjes frisdrank met consumptiebonnen af. Don kwam met een map vol papieren onze richting uit. “Welkom in de familie, neef!” begroette hij Craig joviaal. Ik keek naar beide mannen. Zo verschillend, een grote aardse man met zijn haren alle kanten opstaand, stoppels van dagen, een bruin verbrand hoofd, de oude bodywarmer aan waarmee hij gisteren in een damesfauteuiltje had gezeten, zich niet bekommerend om de haren op zijn uitgezakte spijkerbroek en zijn modderige laarzen. De ander iets kleiner, een goede coupe, netjes geschoren, een wat uitgesprokener uitstraling, gewend dat mensen naar hem keken als artiest en elegante schoenen die niet in de klei op een veld vol honden pasten. Maar ze hadden dezelfde open blik, dezelfde leuke ogen en lach. Ik was er trots op dat ik ze gevonden had. Craig pakte de blikjes op en verontschuldigde zich. “We moeten nog flink repeteren. Het is tenslotte hoog publiek, vanavond.” lachte hij. “Aye mate. 150 gasten. En een speciale.” Don keek naar mij. Craig sloeg hem vriendschappelijk op zijn rug. “Een hele speciale.” zei hij, gaf me een snelle kus en ging naar zijn collega’s.

Langzaam verdwenen er steeds meer honden van het veld. Hun eigenaren gingen hen waarschijnlijk eten geven en zichzelf voor de avond gereed maken. In het midden van de tent werd het buffet opgebouwd. Op de gedekte tafels werden kaarsen en flessen neer gezet, bij elk bord kwam een menukaart met een foto van het Huis uit de tijd dat het nog een dak had. Don liep af en aan met zijn collega’s. Een van de dames had een grote doos waaruit ze allemaal donkerblauw chiffon haalde, die als grote strikken om de stoelen geknoopt moesten worden. Ik hoorde haar tegen iemand zeggen dat ze nog zoveel te doen hadden, dus ik vroeg haar of ik het klusje van de versieringen kon overnemen. “Thanks love,” zei ze dankbaar en overhandigde me de doos.

Ik begon bij de tafel voor de organisatie en zag dat er op de bordjes naamplaatjes waren, zelfs mijn naam zat er tussen. Ik zat naast Don en een man die ik niet kende. Het was inderdaad een tijdrovend klusje om de stof tot mooie strikken te knopen, maar hoe meer ik er deed, hoe bedrevener ik er in raakte. Toen ik ongeveer halverwege was, kwam de band de tent in. Craig knipoogde naar me toen hij langs me liep. Ik wist niet zo goed of zijn collega’s ervan op de hoogte waren dat er iets tussen ons was, dus ik wilde daar niet de nadruk op leggen. Ze gingen bezig met hun opstelling, er werden statieven neergezet voor een extra microfoon, een stoel voor de gitarist. De slagwerker bouwde zijn drumstel op. Ik knoopte nog steeds strikken. Op een bepaald moment riep de technicus die in de hoek bij het podium zijn geluidstafel had ingeregeld, om stilte voor de soundcheck. Hij riep Craig’s naam, die gehoorzaam een up tempo nummer inzette. Na een aantal maten werd hij bedankt en werd de naam van een andere muzikant geroepen. Nadat iedereen geweest was vroeg de technicus om een collectief nummer met de zanger en een zonder. Terwijl de mannen dat speelden hoorde ik soms een instrument er helderder bovenuit, soms leek er een weg te vallen maar tegen het einde van het nummer was het een harmonisch geheel. Ik was erdoor gefascineerd, wist helemaal niet hoe zoiets in zijn werk ging. Mijn chiffon was bijna op toen Don langs kwam met een doos waar flessen drank inzaten. “Hij speelt lekker, die vent van je. Maar zijn maten ook. Blij dat je ze aangeraden hebt!” Ik voelde me warm worden bij zijn woorden, “die vent van je.” De band ging samen met de technicus terug naar het dorpshuis waar ze een maaltijd aangeboden kregen en verder wilden oefenen. Ik zocht de vrouw op van wie ik de strik-klus had overgenomen en vroeg of ze nog meer voor me te doen had. Er moest een tafel ingericht worden met daarop allerlei artikelen die de prijzen van een loterij waren. Van oude flessen whisky tot een soort wandkleed met Golden Retrievers erop. Boeken over het landgoed, een schilderij en uiteenlopende andere snuisterijen, ik maakte er een mooie uitstalling van. Nadat ook dat naar wens was slenterde ik naar buiten. Er werd duidelijk de laatste hand gelegd aan het diner want vanuit een kleine tent achter de grote kwamen heerlijke geuren het veld op drijven. Een van de meisjes van de catering liep met een karretje te ploeteren waarop borden en bestek lagen en een paar warmhoudschalen vervaarlijk schudden. Een collega van haar droeg flessen water, flesjes bier en een fles wijn. “Zal ik even helpen?” vroeg ik haar omdat ik zag hoe ongelukkig ze met de kar stuntelde. Don kwam weer voorbij. “Jaimie, ga je zo mee naar mijn huis? Ik moet de honden voeren en me omkleden en misschien wil jij je ook opfrissen.” Het meisje nam mijn aanbod aan en ik het zijne. “Ik help haar even en dan kom ik er aan.” Voorzichtig rolden we het karretje naar het dorpshuis. De collega klopte op de deur en we gingen de ruimte binnen die er uit zag als een kleedkamer van een voetbalelftal. Overal stonden tassen open, een van de mannen zat met zijn voeten op een stoel te appen, de gitarist zat op een tafel en speelde wat terwijl de zanger met hem mee zong, Craig haalde uit een kledingzak een zwarte pantalon en ik kreeg het gevoel alsof ik dit tafereel in mijn toekomst wel vaker zou zien. Geroutineerd schoven de beide meisjes van de catering twee tafels naast elkaar. Aan de technicus legden ze uit wat er in de schalen was en we wensten de mannen smakelijk eten. Bij het veld merkte ik dat Craig achter ons aan rende. “We hebben nog geen glazen, ik loop even mee.” zei hij. Ik bleef een beetje achter van de beide meisjes zodat hij naast me kwam lopen. “Zo gek om jou bezig te zien met van alles en je niet aan te kunnen raken. Straks wel, vanavond.” hij raakte licht mijn arm aan maar we liepen de tent al in waar een van de meisjes de glazen voor hem pakte. “Ik ga zo met Don mee om me om te kleden. Als ik je niet meer zie, speel ze, lieverd. Hoe bijzonder is het om je weer op het podium te zien!” Hij nam de glazen van het meisje over. Boog zich razendsnel naar me toe en kuste me op mijn wang. “Tot straks. Ik hou van je.”

Dag 27. 18 juli. Shinty Field, Cannich.

Uiteindelijk, nadat we nog een uurtje terug naar bed waren gegaan en er weer nieuwe koffie nodig was, belde ik Malcolm. Ik bracht hem op de hoogte van het feit dat Craig zelf met zijn vader had gesproken en hij inderdaad de kleinzoon van Don senior was. Dat Andrew zichzelf na mijn bezoek van het leven had beroofd. En dat in feite, op een paar laatste columns na, mijn taak erop zat. Ik had niet een, maar drie kleinzoons van Don Lockhart gevonden, waarvan er een na een noodlottige val op de rotsen van Guernsey het leven had gelaten. “Prima werk, meisje.” koerde Malcolm tevreden. “ondanks dat je met een van de twee slaapt en ik dat nog steeds niet het meest sierlijke vind, heb je het binnen een goede tijd geregeld en zullen de beide heren door mijn client uitgenodigd gaan worden. Ik weet niet wie van de twee degene is die mijn client zocht. Maar dat ligt niet meer in onze handen.”

Ook al wist ik dat Don het druk zou hebben met de voorbereidingen voor het diner vanavond, en Craig bijtijds met zijn collega’s had afgesproken, toch hoopte ik dat ik vandaag de tijd zou krijgen om aan Don te vertellen wat de ontwikkelingen sinds gisterenavond waren. Het leek alsof er vele etmalen in de nacht waren geweest en niet alleen in de armen van Craig. Ik voelde me akelig en verdrietig om de dood van Andrew. Craig voelde dat feilloos aan en was zo mogelijk nog liever dan onder gewone omstandigheden. “Schat, ik hoop dat je vanavond wat kunt ontspannen. Probeer de trieste situatie op Guernsey te vergeten. Jij kunt er niets aan doen. Je hebt hem juist wat gegeven, daarvan ben ik overtuigd. Misschien wel de moed om te springen, hoe afschuwelijk ook. Je gaat heerlijk eten, je bent in gezelschap van een knappe man, er speelt een leuk bandje, wat wil je nog meer?” Hij lachte zijn heerlijke lach waardoor hij me instant troost gaf. “Ik wil Ann bellen om haar persoonlijk te condoleren. En als ik Don heb gesproken, is mijn werk op een paar columns na, af. Dan ga ik feesten en dansen op de muziek van een leuk bandje.”

Craig had met de bandleden en hun geluidsman afgesproken dat ze in de middag in een ruimte van het dorpshuis de sets konden repeteren omdat ze wijzigingen wilden aanbrengen. De concerten in Engeland waren volgens een thema geweest en dat was hier niet het geval. “Of het moet met honden te maken hebben.” zei Craig. Dus voor het middaguur gingen we naar Cannich, waar op het veld allerlei demonstraties en proeven met Golden Retrievers werden gehouden. Craig had zijn instrument en zijn pak mee genomen en ik mijn nieuwe outfit, in de hoop dat ik me in het dorpshuis ergens kon omkleden. Op en neer naar de cottage was voor ons beiden niet handig. Bij het terrein nam Craig me even in zijn armen. “Ga jij nu maar naar mijn knappe neefje, ik wil gaan werken aan een nummer dat we nog niet gespeeld hebben zodat ik het straks met de mannen nog een paar keer kan repeteren. Probeer er een fijne dag van te maken, mijn lief, je werk is af, je bent nu vrij.” Ik omhelsde hem en keek hem na. Hij liep met zijn charismatische uitstraling, lichtvoetig, met opgeheven hoofd van me weg en ik kon alleen maar zielsblij zijn dat ik hem later op de dag weer kon vasthouden.

Ik besloot mijn taken op volgorde van moeilijkheid te doen en dat hield in dat ik van het terrein af ging en in het dorp een plek op een terrasje zocht. Het was druk, overal wandelden mensen met hun goudkleurige honden die glansden in de zon. “De Golden Retriever heeft bij voorkeur de tint van een gouden muntstuk.” Had Don me gedoceerd. “Maar bij gebrek aan dat muntstuk zullen keurmeesters op shows hun geelgouden trouwring als indicatie gebruiken.” Met een Ice Tea voor me belde ik met Ann op Guernsey. Ik hoopte inwendig dat ik niet Amanda aan de telefoon kreeg en gelukkig was dat niet het geval. Ik condoleerde Ann en vroeg haar wanneer de uitvaart zou zijn. “Andrew was, net als Rupert, een graag geziene man hoe vreemd dat ook klinkt. Dus er zal behoorlijk wat belangstelling zijn. We hebben ervoor gekozen om hem naast zijn vader hier in St Martin’s te begraven en we hebben de tearoom bij Moulin Huet afgehuurd voor een besloten bijeenkomst.” Haar stem was moe en verdrietig en zoveel ouder als dat ze er uit had gezien toen we samen in St Peter Port winkelden. “Dat begrijp ik. Het is een schitterende plek.” zei ik, maar voelde de wilde paniek weer van binnen groeien bij de herinnering aan die naargeestige spelonk waar Andrew me bezeerde nadat hij had verteld over de zelfmoord van zijn vader daar. Ik vond het een beetje bizar dat Ann en haar dochters juist voor die plek hadden gekozen, alhoewel het er absoluut prachtig was. “Amanda vertelde me dat Andrew een brief aan je had geschreven. dat is misschien een vorm van troost?” ik wilde niet meteen beginnen over mijn naam daar in. “Dat zou troost kunnen bieden als hij niet zo verschrikkelijk eenzaam was geweest toen hij het schreef. Hij moet al zoveel langer met deze gedachten hebben rondgelopen. Hij heeft jou er in genoemd. Hij schreef letterlijk dat hij nooit een vrouw zoals jij zou kunnen vinden. Dat nooit zou willen omdat hij tegen haar net zo zou worden als zijn vader tegen mij. Ik weet, Jaimie, wat hij gedaan heeft, dat hoefde je me niet te vertellen want ik heb het gezien. Maar ik denk dat hij er enorme wroeging over heeft gehad, dezelfde wroeging die Rupert ook altijd later toonde. En dat is heel moeilijk om mee om te gaan want er komt een moment dat ze voortdurend spijt voelen. En onmacht. Ik weet dat Andrew nu rust heeft. Net als mijn geliefde Rupert. En daar houd ik me aan vast.” Ze klonk, alhoewel gebroken, tegelijkertijd ook sterk. Met de troostende opmerkingen van Craig in gedachten dat ik Andrew misschien wel iets moois had gegeven door hem te zoenen, wilde ik het haar vertellen. “Ann, ik heb Andrew nog gezien op de vluchthaven toen ik op mijn vliegtuig wachtte. En ik heb hem omhelsd, zodat ik dat doe als ik afscheid neem van een dierbaar iemand. Van een vriend. Hij was lief.” Meer wilde ik niet vrijgeven, de kus was van Andrew. “Ach..” zei ze. “Ik ben blij dat je me dat vertelde. Het neemt niet weg dat hij kort daarna die verschrikkelijke keuze heeft gemaakt. Maar hij heeft een knuffel gehad van een jonge vrouw. En dat gun ik hem.” “Hij had de keuze al gemaakt, Ann. Daarvan ben ik overtuigd.” We praatten nog wat over en weer en beloofden elkaar weer eens te spreken. Ze was benieuwd of Don de erfenis zou gaan krijgen, waarvan ze nadrukkelijk aangaf dat die hem ten volle gegund was. Ik vertelde haar dat inmiddels ook de zoon van haar schoonvaders eerste kind gevonden was en ze was oprecht verheugd daarover. “Dat doet me deugd. Helaas komt ook dat veel te laat, wat zou de oude man het geweldig hebben gevonden als hij wist dat zijn kind het goed heeft gehad. Dat heeft hij toch?” “Dat heeft hij zeker. Ik hoop hem binnenkort eens te ontmoeten. Hij heeft in ieder geval een fantastische zoon, dus Don senior kan in vrede rusten. En dat hoop ik innig voor Andrew ook.” Het gesprek was voorbij. Ik had me voorgenomen om voor de uitvaart een boeket te sturen en hoopte dat Amanda me niet teveel zou kwalijk nemen.

Ik wandelde terug naar het terrein en terwijl ik langs het dorpshuis kwam hoorde ik uit een van de opengeslagen ramen het specifieke geluid van Craig’s klarinet met steeds eenzelfde riedeltje. Het verwarmde me. Ik zocht naar Don. Op het veld waren nu een soort gehoorzaamheidsproeven gaande, ik zag hoe een stuk of zes mensen langs een aantal paaltjes moesten lopen waarbij hun hond hen op de voet volgde. Een van de dieren maakte zich los en begon te rollen in het gras op dezelfde wijze als ik het de hond bij het Huis had zien doen onder de klanken van de doedelzak. Misschien was het wel dezelfde hond, een grappenmaker. Zijn eigenaresse riep hem bij zich en ze moesten de oefening nog een keer herhalen. Nu volgde hij haar braaf.

Don kwam met een stapel kleurige rozetten in zijn hand uit de tent. Hij knikte naar me, wees op de vrouw die naast de instructrice van de proeven stond. Hij bracht haar de rozetten, praatte even en kwam toen naar me toe. “Volgens mij heb ik je vriendje al gehoord.” zei hij. “Don, heb je even een klein ogenblikje voor me? Ik ben klaar met mijn opdracht.” Hij nam me bij de arm mee naar de tent waar het rustig was. Er liepen wat mensen van een cateringbedrijf rond die de tafels aan het dekken waren, maar de tafel voor de organisatie was leeg, dus we gingen zitten. “Craig is je neef. Hij is uit Newcastle.” Don keek me aan en er brak een glimlach door op zijn door weer en wind getaande gezicht, die mijn hart verwarmde. “Vertel me iets nieuws. Dat wist ik! Ik zag hem gisteren en keek in het gezicht van mijn opa’s liefste. En hij heeft duidelijk trekken van de Lockharts. Wat zou opa gelukkig zijn als hij het geweten had.” Het waren bijna dezelfde woorden die Ann had gebruikt. “Ik vind het leuk, een nieuwe neef. Aardige vent met verstand van microfoons. Alleen jammer dat hij jouw vriendje is.” Zijn grijns was plagend. Ik lachte mee. “Dat vind ik niet zo jammer.”