11/12 oktober. Aandacht.

Zaterdag gaan Lizzie en ik samen naar Gouda. Naar mijn vader, die het laatste weekend in de revalidatiekliniek zal zijn: volgende week verhuisd hij naar de aanleunwoning die zusje met zoveel liefde en verve voor hem aan het inrichten is. Met zeer bescheiden middelen, want Papa’s spullen zijn nog altijd in “het beheer” van anderen.

Gijs brengt ons naar het station, zodat we er precies twee uur en zes minuten over zullen doen, nadat we uit de auto stappen. Wonderlijk genoeg gaat de reis ditmaal soepel. Lizzie luistert naar muziek en ligt een beetje te dutten tegen me aan, het doet me denken aan de tijd dat ik met haar als klein meisje ook een deel van dit traject regelmatig reed, op weg naar mijn zieke moeder. Hoe vreemd is het toch dat Papa, na omzwervingen door Den Haag, Lichtenvoorde, Doetinchem en Maastricht, nu weer in de stad terug is waar hij met ons leefde. Zo lang geleden. Waar zijn voormalige vrouw bleef wonen en waar ze stierf. Ik denk aan die twee mensen, mijn ouders, die zo hun eigen levens leefden. Ook tijdens hun huwelijk, dat korter duurde dan Gijs en ik bij elkaar zijn.  Zullen zijn.  Ik probeer die gedachten een andere kant op te sturen, ik ga samen met Lizzie naar Gouda. Even naar de zaterdagmarkt rondom het majestueuze stadhuis, alvorens we naar de kliniek gaan. Stroopwafels kopen. Een terrasje pakken, het is mooi weer.

Maar tegen de tijd dat we in Gouda zijn, regent het pijpenstelen en is er niets van het mooie weer over. Toch lopen we, stevig gearmd, naar het centrum. Op zoek naar het winkeltje, waar ik altijd de lekkerste stroopwafels wist. Opvallend is, dat er zoveel hetzelfde is gebleven en tegelijkertijd zoveel is veranderd.  Ik ben hier in geen negen jaar meer geweest, in de binnenstad. Mijn stroopwafelwinkeltje is er niet meer. Het pand staat zelfs te huur. En ook het zaakje waar ik mijn eerste gouden hangertje kreeg als schoolmeisje en waar Gijs en ik onze klok kochten, is er niet meer. Het is een vervallen, scheefgezakt pandje geworden, genesteld tussen een Turks eethuisje  en een grote schoenenzaak.

Omdat we inmiddels doornat zijn, onze goede, leren jasjes eruit zien als een zeem, gaan we naar binnen bij een van de oudste cafés van de stad. Café Central, waar we een genoeglijk uurtje doorbrengen en een beetje opdrogen. Lizzie vindt het typisch Goudse accent, wat we om ons heen horen, vermakelijk. De jongen die ons de lunch brengt, spant daarbij de kroon.

Een uur later zijn we, met een tas vol stroopwafels en “snippers” bij Papa. Hij ziet er een stuk beter uit dan toen ik hem het laatst zag. We gaan beneden in het restaurant zitten, waar overal om ons heen mensen met familieleden bij elkaar zijn. Er worden glaasjes advocaat gelepeld, een gezin met een oude man in een rolstoel drinken grote, beslagen glazen witte wijn die er aanlokkelijk koel uitzien. Papa wil een flesje Seven Up. Ik vraag het aan de oudere dame achter de toonbank. Ze lijkt niet te begrijpen wat ik bedoel. “Nee, dat heb ik niet..” zegt ze stellig. “Of iets van Spa citroen?” doe ik water bij de wijn. Ze doet een lade open. “Nee, ik heb geen Spa Citroen. Wel Seven Up.” zegt ze dan. 

Papa wordt moe, is wat in de war en somber en wil na een tijdje weer terug naar zijn kamer. We brengen hem boven en nemen dan afscheid, alle-twee onder de indruk van hoe het allemaal zo anders kan lopen in een mensenleven.

De reis naar huis verloopt opnieuw vlekkeloos; Gijs staat bij het station ons op te wachten. 

Zondag is grijs en lijkt zomaar langs ons heen te glijden. Het is niet onaangenaam, we lezen wat, ik draai een paar wassen en zelfs de honden zijn niet echt van zins om er een drukke dag van te maken. Iona ligt veel in het mandje in de gang of komt bij me zitten. Zowel Gijs als Lizzie zijn ervan overtuigd dat ze drachtig is; ze lijkt ook wat dikker nu. Ze maken wat gekheid om mijn twijfel: ” We weten het toch al, de echo morgen is alleen maar een plaatje ter bevestiging..” Eigenlijk hebben ze gelijk: Iona vertoont alles wat we als dracht herkennen. 

DSC_0038

Later in de middag gloort er een beetje zon. Gijs wil er even uit en voor het eerst sinds een jaar, lopen we samen met een paar hondjes langs de Tjonger.

DSC_0001.1

Naar het bankje, waar hij zo vaak zat toen hij met de groep reuen hier dagelijks liep. Het valt niet mee, hij is verschrikkelijk moe, halverwege al. Maar het weer is lekker genoeg om even in het gras te gaan liggen, kleine Jane naast hem, terwijl ik een eindje verderop met Islay wat apporteer-oefeningen doe en aandacht-spelletjes.

Aandacht

Dit is zo’n goed moment dat je niet van tevoren kunt plannen, maar dat er ineens is. Zo moet het maar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *