7/8 maart. Opvang.

Het is zaterdag. Het is droog weer. Het is weekend en tegenwoordig ” werk” ik dan. Zo ook vandaag. Er worden twee oude honden gebracht, die acuut van thuis moesten veranderen en bij ons komen totdat ik een heel goed nieuw adres voor hen heb gevonden.

Omdat de eigenaar ze zelf komt brengen ondanks dat ze al een paar maanden niet “thuis” hebben kunnen wonen, en ze van ver komen, zorg ik voor een schaal met verse, belegde broodjes en veel koffie.  Mijn eigen gezonde, blije, weldoorvoede en vrolijke teefjes hebben hun ochtendwandeling er al opzitten als ik naar de supermarkt fiets voor de lunch en ik ben net klaar met alles, als ik de honden van de buren hoor aanslaan en er een auto bij het hek staat.

De achterklep gaat open en er worden twee honden uit de achterbak getild. Ik schrik. Wat zijn ze in een afschuwelijke staat van achterstallig “onderhoud.”  De man huilt, nog voordat we ons aan elkaar hebben voorgesteld. In de auto zit een jongen en ik zie dat ook hij natte wangen heeft.

De beide honden laat ik op het veld, de grote man die erbij hoort, loopt mee en blijft huilen. Hij wil graag een kop koffie hier buiten. Het jongetje in de auto blijft liever daar zitten. wil niets.

Even later, als de eerste kop koffie op het veld is gedronken, komt het ventje toch uit de auto. Ik sla even mijn arm om hem heen, neem hem, de honden en zijn vader mee naar ” het kantoortje” waar ik nonchalant  de schaal broodjes zijn kant op schuif. Zijn snoet is vuil, met traanstrepen. Arm kind, die zijn maatjes moet gaan achterlaten bij een vreemde vrouw.

Maar ik beloof hem zo goed als mogelijk voor hen te zorgen. vertel, dat ik vaker hondjes een fijn, nieuw thuis heb gegeven. dat ze zo lang hier blijven als nodig is. Dat ik ga zorgen dat ze beter worden en zich beter gaan voelen. Wat kan je nog meer zeggen tegen een jongetje die zijn honden door de toestand thuis moet afstaan? Wat kan je nog meer zeggen tegen een man, die zijn bedrijf heeft verloren, zijn huis heeft verloren, zijn zelfvertrouwen heeft verloren en nu zijn beide honden moet achterlaten, omdat hij er zelf niet meer voor kan zorgen? Al lang niet meer voor kon zorgen?

Mijn hart breekt, als ik ze een uur later verslagen zie weg rijden. ” Rijd voorzichtig..” wens ik.

De beide honden zijn in een zeer verwaarloosde staat en liggen eigenlijk de rest van de middag trillend op de kussens die ze meekregen. Ik observeer: de oudste is benauwd, hijgt en snakt naar adem. Ik zie onder zijn volkomen verviltte vacht zijn hart vlinderen. Herken het. Ook de manier waarop hij zijn keel schraapt. Er zit veel vocht in zijn luchtwegen, zijn longen. Dat is niet goed. Hij is veel te zwaar en kan niet opstaan. 

De andere hond is juist mager en heeft totaal geen spiermassa op de achterhand. ook zijn vacht is vol klitten en knopen. Hij heeft niets van ondervacht, iets wat een Golden zeker hoort te hebben. En er zit een enorme bult op zijn schouder, die me, bij het aanraken ervan, onmiddellijk zorgen baart. Ik vrees dat het niet eens aangeprikt hoeft te worden, dat ik al weet wat het is.

Ik ben nu niet gelukkig met alle ervaring die ik in de afgelopen acht jaar heb opgedaan, met zoveel oude honden. Er zijn er ruim honderd door mijn vingers gegaan. Waarvan er, zowel jong als oud, meerdere waren met een bult als dit. En met gerochel en benauwdheid als de ander. 

Ik geef de beide hondjes een bak met vers vlees en kniel bij ze neer als ze, eerst voorzichtig, daarna gulzig aan hun maaltijd snuffelen. Wijs ze op het eten. “Toe maar, helemaal voor jou…” 

Zondag komt er een fokster op de koffie. Een kennis, we komen elkaar al jaren op shows, fora en sociale media tegen. Ze is in de buurt en het is mooi weer, we zitten buitenop het veld. Ongekend zacht, voor de tijd van het jaar. Hoe pijnlijk is het, dat we vier maanden geleden ook buiten op het veld zaten en dat het ongekend zacht voor die tijd van het jaar was…

Gijs, waarom ben je er nu niet? Je had om ons heen moeten rommelen, met de boot, bij de ezels, in je schuur met muziek en getimmer, schroefwerk, een schilderprojektje, iets. Je had af en toe even naar mij en de oude opvanghonden moeten kijken, moeten mompelen dat ze er niet goed aan toe zijn, maar dat je ze nu al leuk vind. Je had me moeten helpen terwijl ik de schaar in hun vachten zette. En je had me moeten behoeden voor dat, waarvan jij wist dat zou gaan gebeuren, omdat je me kende als niemand anders en op me in kon praten als niemand anders.  Dat ik “verliefd” zou worden op de jongste hond, omdat hij zo afschuwelijk pijnlijk veel lijkt op mijn allerliefste Chico… die er ook al niet meer is. Jij wist dat het zou gebeuren. En ik wist, dat het met jou precies zo zou gaan. Als jij er nog was, zou deze hond niet meer hier weggaan.

Het koffie drinken is gezellig. Het is goed, zo buiten zitten. Maar als het kennisje vertrokken is, ik haar lieve cadeautje heb uitgepakt en de spullen weer naar binnen heb gebracht, blijft het gemis van Gijs en de zorg om de oude honden over.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *