Dag 11. 2 juli. 21.30 uur. Edinburgh by night.

Mijn zwierige rokje had ik ondanks de zomerwarmte toch maar verruild voor mijn jeans maar het nieuwe truitje hield ik aan. Ik had nog snel een kop koffie gedronken terwijl ik me omkleedde en met een sjaal om mijn schouders en mijn laarsjes aan durfde ik de avond tegemoet te gaan. We hadden afgesproken bij een pub in een zijstraatje van de Royal Mile vlakbij het kasteel. Het was niet ver lopen van het hotel. Ik voelde me verkwikt door de buitenlucht. En vooral heel opgetogen. Toen ik de kroeg binnen ging moest ik even knipperen omdat het er vrij donker was maar het leek inderdaad rustig en het zag er heel traditioneel uit met lambriseringen, schilderijtjes aan de muur en leren zitjes. Ik zag Craig nog niet maar net terwijl ik aan de bar wilde gaan zitten werd het dikke rood fluwelen gordijn bij de deur open geschoven en kwam hij binnen, keek zoekend rond. Hij zag me niet en dat gaf me de gelegenheid om naar hem te kijken. Mijn hart sloeg een paar tellen over. Ik begreep plotseling het woord “charisma.” Voor het eerst in mijn leven zag ik wat het was. Want hij had charisma. Het leek alsof de ruimte verlicht werd door zijn aanwezigheid en mensen hun hoofd omdraaiden om naar hem te kijken. Toen zag hij me. Hij kwam op me toe en gaf me een kus op mijn wang. “Fijn om je alweer te zien.” klonk het zangerig. Oh, die stem! “Ja, dat was onverwacht snel.” wist ik net uit te brengen en besefte met volle kracht ineens de staat waarin ik me bevond. Hartstikke en halsoverkop verliefd. Dat was het. “Ik had wel gevraagd of je een “wee dram” met me wilde drinken maar ik kan me voorstellen dat je helemaal geen whisky lust.” zei Craig, terwijl hij een bankje voor ons gevonden had. “Je drinkt immers ook liever koffie dan thee.” Het was een aangenaam zeteltje waarin ik wegzakte. “Ik ben nog maar een beginnende whisky-drinker, de verkoper die me mijn eerste flesje verkocht van de week zei dat ik een instapmodel nodig had, compleet met juist glas en een drupje bronwater à anderhalve pond per halve liter.” Dit was reden genoeg voor mijn begeleider om zijn klaterende lach te laten horen. Hij pakte in zijn enthousiasme mijn hand en drukte er een kus op. Mijn huid leek te branden onder die aanraking. “Ik wil je met alle liefde introduceren in de heerlijke wereld van de whisky, maar als je liever een pint hebt of een glas wijn of zelfs koffie, dan haal ik het voor je.” Ik was zo gecharmeerd van die vlinderlichte kus op mijn hand dat ik het gevoel had dat ik weer begon te blozen, iets wat in deze zacht verlichte kroeg gelukkig niet te zien zou zijn. ” Ik zou wel een instapmodel lusten. Met veel water ernaast.”

We toastten met onze drankjes. “Slāinte.” zei Craig en ik probeerde het vreemde woord ook uit te spreken. Er begon een pianist te spelen, wat ballads, ingetogen, mooi, romantisch en de avond vlinderde zacht over in de nacht. Ik liet het gebeuren. We praatten veel, fluisterend, hongerig naar informatie over de ander. We vertelden elkaar over onze levens, over ons vroeger en ons later, onze liefhebberijen en over de dingen die we verafschuwden. We zwegen ook zo nu en dan, genietend van de whisky en de muziek. Ik liet hem nog een keer “Concertgebouw” zeggen omdat het me mijn knieën had doen knikken, en hij zei het zacht fluisterend. Er waren meer woorden die me deden smelten. “Amoroso,” een radioprogramma van Lex Bohlmeijer waarin hij in Nederland had opgetreden. ” Zeg het nog eens?” En tegen het dunne membraan van mijn binnenoor zoemde zijn stem tot in mijn ruggenmerg, “Amoroso..” We zaten steeds dichter bij elkaar totdat onze benen en armen elkaar raakten. Uiteindelijk hadden we nog maar één glas waaruit we dronken. Kleine slokjes die we over onze tong lieten dansen als een belofte voor een lange afdronk. Toen de barman aangaf dat de laatste ronde geschonken werd was ik de tijd helemaal vergeten. Ik sloot af met een glas water met ijs, wilde de rokerige, zachte, fruitige nasmaak van de whisky niet verliezen. “Gaan we elkaar nog weer zien?” vroeg Craig, zijn mond vlakbij de mijne. Ik wilde tegen hem aan kruipen, wilde de dag niet beëindigen. Wilde eigenlijk veel meer, dingen die een zelfverzekerde, onafhankelijke buitenlandse journaliste, cq privé-detective, niet zou moeten willen. “Dat hoop ik wel.” antwoordde ik zacht. “Ik ben de komende dagen voor optredens de stad uit. We gaan naar Engeland met de band. Zuid Engeland.” zei hij en dat klonk als de andere kant van de wereld. “Ik ga morgen terug naar de cottage. Moet de Don nog vinden.” ik probeerde mijn stem luchtig te laten klinken. “Dan breng ik je nu naar je hotel. En dan zien we elkaar weer als jij je Don hebt en ik mijn concerten achter de rug. Misschien kan ik je een keer mee nemen naar de distilleerderij waarvan je vanavond de whisky dronk. Of ik neem je mee naar een van de eilanden, Skye, Mull of Islay, waar trouwens ook heerlijke whisky vandaan komt.” We liepen met de armen om elkaar heen de Royal Mile af, de brug bij het station over en veel te snel naar mijn zin kwam de verlichte gevel van mijn hotel in zicht.

We bleven stil staan. Craig zoende me. En ik zoende hem. Het voelde zo goed. Zo afschuwelijk goed. Met heel veel moeite scheurde ik me los uit zijn omhelzing. “Tot snel. Pas op jezelf.” murmelde hij en plooide zijn lippen weer over de mijne. Bij de straatlantaarn zag ik dat er kleine kuiltjes in zijn wangen zaten. Dat zijn wimpers als van een meisje zo lang en dik en donker waren. Dat er iets klopte onder de huid in de halsopening van zijn shirt. “Jij ook.” zei ik zonder adem. Ik maakte me nu echt los omdat ik anders zou gaan huilen van emotie en liep naar binnen, zag hem door de glazen wand nog eenmaal zwaaien. Terwijl ik naar de lift liep, schoot me ineens wat te binnen. Ik rende de deur weer uit, achter hem aan. “Craig! Wat zijn midges?” riep ik. Hij draaide zich om, ik hoorde zijn heerlijke lach. Hij spreidde zijn armen zodat ik erin kon rennen. ” Gekkie! Midges zijn de meest nare Schotse mugjes, nauwelijks te zien zo klein maar ze steken je overal. Ze zitten in de Hooglanden in de zomermaanden, als het vochtig weer is. Pas maar op met je blote armen en benen.” Een innige kus volgde. En nog een. Ik ging met mijn vinger over het kloppende plekje in zijn hals. Hij trok de spelden uit mijn haar en woelde zijn vingers erdoor. Er reed een ambulance met sirene langs. “Het klinkt als een valse klarinet.” lachte hij en voerde me mee in zijn schater en in een kus. Toen gingen we werkelijk uit elkaar.

Op mijn kamer was de zoem in mijn hoofd overgegaan in zingen. Het was laat maar ik wilde nog niet slapen. Hoe kan het dat je binnen een etmaal zo verliefd kunt zijn? Ik herinnerde het me zelfs van mijn eerste vriendjes en van Raff, mijn hippie ex niet. En dat op mijn leeftijd. In een opwelling stuurde ik de foto van Craig en mij door naar Marianne in Amsterdam, me pas later realiserend dat het daar een uur later was. Ik poetste mijn tanden en trok mijn pyjama aan toen de telefoon een berichtje piepte. Half hoopte ik dat het nog een keer van Craig was, maar ik zag een vraagteken van Marianne. “Wat is dit voor een geweldenaar? Is hij degene die je moest zoeken? Ik zeg, geslaagd!” typte ze er achter aan. “Ff bellen?” schreef ik verlangend terug. “Noh, dat kan nu niet. Peter slaapt hier naast me. Maar… vertel!! Wat heb je gedaan!” Ik wist dat Peter, haar “half wel half niet” vriendje een hekel had aan onze soms late conversaties en het was misschien maar beter om te schrijven wat me was overkomen. Dus, ook al had ik mijn tanden gepoetst en wat “drammetjes” whisky gedronken, schonk ik toch nog een klein slokje van de Pinot in en begon te typen. “Hij is niet degene die ik moet zoeken, maar ik heb hem wel gevonden. Ik ben verliefd geworden op een muzikant, geloof ik. Hij zoent zoals hij speelt.” “En zoals hij er uit ziet?” vroeg Marianne deskundig. “En zoals hij eruit ziet.” beaamde ik. “Dus… meer dan lekker!” concludeerde ze. En dat was de opening voor een uitgebreide chat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *