Dag 12. 3 juli. Terug in Strathconon.

Het gechat met Marianne had me nogmaals een veel te korte nacht bezorgd, maar naar mijn idee was elke minuut het waard geweest. Alleen haar vraag: “En wat nu, hoe nu verder?” had ik niet kunnen beantwoorden. Rationeel had ik bedacht dat een verhouding, in welke zin dan ook, niet iets was wat in deze tijd van mijn leven een plek zou kunnen krijgen. Helemaal niet met iemand die veel reisde, niet eens in Amsterdam woonde en met wie ik eigenlijk niet veel gemeen had behalve onze muzikale smaak en onze nieuwsgierigheid. Maar emotioneel was ik een puinhoop. Ik was niet eerder zo onverwacht, halsoverkop en hevig verliefd geweest. Elke gedachte aan zijn zoenen deed me vrolijk worden en eerlijk gezegd begon ik zelfs al te verlangen naar een moment waarop ik in de ochtend naast hem wakker zou worden en die adembenemend mooie blik op me gericht zou voelen. Marianne was praktisch en suggereerde: “Misschien moet je daar geen antwoord op zoeken. Of het is een leuke flirt en het stopt wanneer je weer terug naar hier komt, of niet. Laat het maar komen zoals het komt, ga er niet over nadenken. Verliefdheid is gewoon lekker. Zeker op zo’n fraai exemplaar!” Ik beantwoordde met wat “hahaha’s” en lachende emoticons en zou willen dat ik er zo naar kon kijken als zij. Maar ik moest het allemaal weer plat beredeneren en dat had voor weinig slaap gezorgd.

Uiteindelijk checkte ik tegen half elf uit, na een riant ontbijt met roereieren, crumpets, havermout en veel koffie. Ik gaf het meisje aan de balie mijn credit card. “Hang on, there is something for you.” zei ze en overhandigde me mijn kaart. Er zat een briefje bij en ik was niet verbaasd dat het van Craig kwam. “A wee kiss to remember last night when you are back in solitude. Be aware of the midges! Speak soon. xxx ” Ik had het gevoel alsof ik van oor tot oor grijnsde en deed het briefje voorzichtig in mijn handtas. Kort daarna draaide ik de snelweg op, richting het hoge noorden. Het was vrij rustig en ik kon goed doorrijden, zodat ik na een enkele stop tegen drie├źn bij “mijn” cottage aankwam. Ik pakte mijn spulletjes uit de auto en zette de tuindeuren open en wilde in de koelkast kijken wat ik nog voor boodschappen zou moeten halen voor de komende dagen. Daarna zou ik gaan nadenken hoe ik de komende stappen zou gaan aanpakken, want ondanks dat ik heel veel meer wist, was ik nog niet erg veel opgeschoten met mijn opdracht. En ik moest aan de columns werken voor de Gazette. Op de tuintafel zag ik een plastic zakje onder een steen liggen. Het was van de verhuurster van de cottage. “Deze brief is vanmorgen met de post voor je gekomen. Geniet van het mooie weer!”

Ik ritste de enveloppe open en keek meteen naar de afzender. “Marilynn Carter.” Dat was de wijkverpleegkundige. Ze schreef dat ze na ons telefoontje nog wat was gaan zoeken in de geboorteregisters en dat William Donald Lockhart, geboren 12 maart 1955 in het ziekenhuis van Inverness en gestorven op 23 november 2001 in Invermoriston, de jongste zoon was van Donald William Lockhart en Deirdre Macaffric. Zij waren op 1 april 1948 getrouwd. Deidre stierf enkele weken nadat haar zoontje geboren was. Opvallend detail was dat Donald William in Cannich geboren was in december 1828.

Ik vouwde de brief dicht en wilde eerst naar Dingwall zodat ik daarna deze nieuwe informatie in de tijdlijn kon gaan zetten, die ik samen met Mick had gemaakt. ik moest het voor me zien in een helder zwart op wit overzicht, want zo op het eerste oog leek het er op dat de vader van de in 2001 gestorven William de zoon was van de marinier die in de Scapa Flow omkwam. Wat een drama, eigenlijk, als ook zijn moeder zo jong was overleden. En waarom had ik de geboortemelding niet gezien in de archieven? “Omdat je alleen maar naar Don keek en niet naar een William.” zei een stemmetje in mijn achterhoofd. Ik voelde me meer en meer een slechte speurder. Met frisse tegenzin stapte ik weer in de auto en deed mijn boodschappen in Dingwall; brood, sap, veel groenten, melk, weer wat fruit, een diepvriespizza voor de voorraad, en een paar flessen wijn uit een actie “4 voor de prijs van 3” voor -je weet maar nooit- Daarna had ik het helemaal gehad met het autorijden, deed een luchtige kaftan aan, maakte een broodje en ging in de tuin zitten met een glas sap, de tijdlijn van Mick, mijn laptop en de brief van Marilynn.

Op zich kon ik dus weer een naam en geboortedatum aan de lijst toevoegen. Er waren nog wel een paar haken en ogen, met name de locatie’s. Don 1 was een paar maanden nadat hij geboren was, uit Cannich weggehaald. Zijn zoon was in Lanarkshire geboren. Diens zoon blijkbaar toch weer in Cannich. Dan was er een kind in Inverness geregistreerd. Ze hadden allemaal namen als Donald William of William Donald, wat een enorm gebrek aan originaliteit. Als ik dit zo bekeek, dan rezen er een paar vragen op: wie was de vriend van de opdrachtgever van Malcolm en dus indirect van mij? En bij het zien van deze tijdlijn zou er helemaal geen 40 jarige Don Lockhart zijn, want de laatste was in 2001 overleden. Dat was de meest logische gedachtengang. Toch “moest” ik iets met dat jongetje dat bij Mick in de klas had gezeten, dat weliswaar Macallister heette maar het over zijn opa had gehad die Don 2 leek te zijn geweest. En niet onbelangrijk, hij zou nu ongeveer de leeftijd van de gezochte Don hebben. Maar, hield ik mezelf voor, dat had Craig ook. Denkende aan hem verzandde ik meteen weer in heel andere hersenspinsels en de herinnering aan die onverwacht merkwaardige en liefdevolle dag gisteren, maakte dat ik mijn laptop dicht deed en de boel er bij neer wilde gooien. Het werd tijd dat ik Malcolm van alles op de hoogte ging brengen. Bij het gebrek aan bereik nam ik mijn Iphone mee en ging ik een stuk wandelen. Ik wist dat er bij de dam een plekje was waar wat bereik was, vermoedelijk omdat de dam een onderdeel was van een grote hydrocentrale.

Ik nam een plaid mee en ging richting het water, net zover tot mijn telefoon genoeg streepjes had om te kunnen bellen. Ook wilde ik Craig een bedankje sturen voor zijn lieve kaartje, wegzinkend in gezwijmel met uitzicht op het meer waarin de strakblauwe hemel weerspiegelde, omgeven door de hoge, groen/paarse bergen. Er dansten kleine distelpluisjes door de lucht, als wolken zacht witte vezeltjes boven het water en in de verte klonk wat geblaat van schapen en gekwinkeleer van vogels. Dit was alles behalve een onaangename werkplek. Ik begon met een SMSje aan Craig. Wat best lastig was, want ik wilde veel meer zeggen dan “dank je wel” maar ik wilde ook niet een heel epistel sturen, want stel dat het voor hem echt alleen een flirt was zoals Marianne had gesuggereerd. Toen ik eindelijk de juiste toon had gevonden en het berichtje wegstuurde, ging er een heimelijke zucht van verlangen mee. Ik moest mezelf streng tot de orde roepen. Ik werd niet betaald om verliefd te zijn maar om Malcolm te vertellen wat ik had gevonden. Ik sloeg wat kleine pluisjes van mijn benen en toetste zijn nummer in.

Hij was onder de indruk van mijn vorderingen. Ik vertelde over de aardige mensen die me in de afgelopen dagen hadden geholpen, Pat, Mick, Marilynn, ik vertelde over het dwaalspoor dat ik even gevolgd had doordat ik een heel andere Lockhart van ongeveer de juiste leeftijd had gevonden en daar “nader onderzoek” naar had gedaan in Edinburgh, maar tot de conclusie was gekomen dat hij niet eens van een Schotse familie was. En ik opperde dat ik toch nog eens naar Guisachan zou gaan omdat ik het sterke vermoeden had dat ik daar een draadje had laten liggen alhoewel de opeenvolgende Don’s chronologisch wel klopten tot het leek te eindigen in 2001. Malcolm zelf had navraag gedaan bij zijn client. Die bleef aansturen op een mogelijk link naar de Kanaaleilanden. Ik raakte een beetje in de war. “Was dat wel een Lockhart?” Er viel een pauze aan de andere kant van de lijn. Ik veegde een van de kleine pluisjes van mijn arm en het leek alsof ik Malcolm hardop hoorde denken. “Heel zeker Lockhart. Maar wellicht geen Don.” “Oh, Malcolm! Wat een gedoe! Waar moet ik nu naar zoeken?” riep ik uit. Hij had precies dezelfde “fout” gemaakt als ik door klakkeloos aan te nemen dat alle generaties voor de gezochte persoon Don Lockhart heetten. En hoewel er een aantal van waren, was er toch ook variatie zoals de Williams. En, bedacht ik ineens, Macallister. Na de dood van Don 2 zou Phoebe zomaar haar eigen naam weer kunnen zijn gaan gebruiken. Dat inzicht deelde ik onmiddellijk. “Weet je, misschien is dat helemaal niet zo’n gek idee. Misschien heeft ze nog wel een kind gekregen dat haar meisjesnaam droeg.” verwoordde hij mijn gedachten. “En dan is de kleinzoon van dat kind het jongetje dat bij Mick in de klas zat in 1984.” Hij zuchtte. “Dat lijkt er heel sterk op. Ik denk dat je in die richting moet gaan zoeken.” We braken het gesprek af. Ik bleef even over het meer turen. De zon ging wat lager staan, de bossen aan de overkant leken zich in hun groen te verdiepen. Ik hoopte op een berichtje terug van Craig maar ook al was het SMSje afgeleverd, er was geen reactie op gekomen. Met een hoofd, tollend van de namen en nieuwe mogelijkheden stond ik op, wapperde de wolk zwevende pluisjes weg en liep terug naar de cottage.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *