Dag 13. 4 Juli. Guisachan.

De hele avond had ik zitten krabben, gek van de kriebel op mijn armen, benen, in mijn hals. Overal zaten bultjes d alhoewel kleiner dan muggenbulten, een helse jeuk gaven. Ik snapte er niets van want in de cottage was geen enkele mug, alles was door horren hermetisch afgesloten. Nadat ik van de dam terug was, had ik gegeten en daarna lang buiten gezeten met mijn laptop om de columns te schrijven die ik achterliep. Ook toen ik buiten zat met de tuinlantaarns aan, waren er geen muggen. Ik bleef werken tot het te donker werd en eenmaal binnen begon de jeuk. Eerst dacht ik dat ik allergisch was voor de distelvezeltjes die ook in de avond in wolken door de lucht zweefden, maar toen hoorde ik plotseling Craigs lachende stem: “Pas op voor de “midges” met je blote benen.” Die kleine pluisjes waren geen dansende zaadjes, het waren verdorie de verraderlijk kleine, gemene Schotse mugjes! Dat besef hielp niet, integendeel, de jeuk bleef me onverminderd teisteren. Bijna ziek van ellende was ik vroeg naar bed gegaan om in de nacht herhaaldelijk van de jeuk wakker te schieten.

Ik wilde de routine van “voor Edinburgh” (of was het voor Craig?) weer oppakken en ging in de ochtend al krabbend naar het hotel in Beauty om mijn emails te lezen, even op Facebook rond te kijken en daarna zou ik naar Guisachan gaan in de hoop dat het rondlopen bij de ruïne me een antwoord zou geven op de vraag: “hoe nu verder?” en dan niet in de context met Craig. Toen ik de zaal van het hotel binnen kwam groette de serveerster me alsof ik een oude bekende was. Terwijl ze een kop koffie voor me neerzette, keek ze me meewarig aan: “De midges hebben je flink te pakken gehad. Je moet je met Skin So Soft inspuiten, dat doet het leger ook.” Ik knikte vriendelijk, had geen idee waar ze het over had maar juist omdat ze er over begon, begonnen de bultjes weer aan alle kanten te jeuken. In mijn mailbox waren geen bijzonderheden. Op Facebook was het rustig en ook op mijn Iphone waren geen berichtjes. Ik stuurde vanaf mijn laptop een column naar de Gazette en bemerkte dat ik wat teleurgesteld was dat ik niets meer van Craig had gehoord. Maar, zo hield ik me voor, hij zou voor meerdere concerten naar het Zuiden gaan en daar vast het een en ander voor hebben moeten regelen. Na de koffie en nog een laatste blik op Facebook rekende ik af en stapte in de Fiësta, op weg naar Tomich.

Toen ik het schattige dorpje naderde, ongeveer op een kwartiertje afstand, merkte ik een aantal huizen en een kerkje op die me niet eerder waren opgevallen omdat ik de eerste dagen strak naar de weg en mijn navigatie had gekeken. Ze leken overduidelijk bij Guisachan te horen gezien de bouwstijl. Het landgoed was eigenlijk zoveel uitgestrekter dan de ruïne en de gebouwtjes in Tomich en het veld waar ooit kennels geweest moesten zijn. Ik had de opsomming van kavels en gebouwen wel in het boekje gelezen maar er geen aandacht aan besteed. Ik zette de auto weer bij het luxe appartementencomplex en liep het pad op naar het “Huis.” Opnieuw overviel me de sereniteit van deze plek, de geur van wilde roosjes en kamperfoelie in de hagen, het gekwinkeleer van de vogels, het groenpaars van de glooiende heuvels en het zilver van de heldere stroompjes. Wat was hier toch veel voorgevallen. Niet alleen ten tijde van de Clearances maar ook daarna. De rijke parlementsleden en notabelen die naar hier kwamen voor vertier, het van hand over hand veranderen van eigenaar, het merkwaardige zomerkamp, de oorlogen, en nog steeds waren er mensen die met een soort vertedering over “het Huis” praatten alhoewel het in de verste verte niet meer leek op een veilige haven. Ik liep er om heen, naar de dikke boom waar ik weer languit tegenaan wilde zitten. Ik keek eerst goed rond of er geen midges te bespeuren waren en toen ging ik in het inmiddels wat opgewarmde gras zitten. Sloot mijn ogen en liet alles van de afgelopen dagen nog eens de revue passeren. Waar ik maar steeds bleef steken was toch dat alles uiteindelijk hier begonnen was. Ook al was Don 1 als baby met zijn ouders hier vandaan gegaan, toch was de oorsprong van die familie hier. Ik vroeg me af waar precies. Zijn ouders waren pachters. Woonden ze in de buurt bij Tomich, of dichterbij Cannich, in een van de vele keuterboerderijtjes die daar volgens de oude foto’s in het boekje hadden gestaan? Waren zij een van de zestien boerengezinnen die wat schapen, kippen en misschien een koe hadden, die ze hadden moeten achterlaten? Kregen zij geld om te emigreren van Sir Dudley of werd hun huis juist platgebrand? En waarom ging Don 2 terug naar deze contreien met zijn jonge vrouw? Wilde hij uiteindelijk terug naar zijn “roots?”

Ik moest wat zijn weggedommeld want toen ik mijn ogen open deed zag ik dat het al flink veel later was en ik had nog steeds geen plan. Rozig stond ik op en liep rond de ruïne. Ik zag dat er aan de zijkant inmiddels een kudde schapen aan het grazen was en de stapel boomstronken leek kleiner dan een paar dagen geleden. Op mijn gemak wandelde ik terug naar Tomich. Ik had best trek gekregen, dus zocht een plaatsje op het kleine terras van het hotel en bestelde een paar sandwiches en een latte. Op het tafeltje lag een kaartje met wandelroutes in de omgeving en ik bestudeerde het zonder er een doel bij te hebben. Toen diepte ik een pen uit mijn tas op en begon te krabbelen. “Terug naar het begin. Guisachan, 1868.” De dame die mijn bestelling had gebracht, vroeg of alles naar wens was. Ik beaamde dat en bestelde nog een latte. “Bent u hier op vakantie?” vroeg ze, wat nieuwsgierig. Dat kon ik waarderen, ik was immers zelf net zo nieuwsgierig, dus ik mompelde wat over werk en plezier, liet in niets merken dat ik de columns van hun krant schreef. “En heeft u ook een Golden Retriever?” vroeg ze daarna. Dat lag voor de hand. “Nee, ik heb helemaal geen hond, laat staan een Golden Retriever. Maar wel bijzonder dat het ras hier is ontstaan.” zei ik beleefd. “Ja, de Golden is een van de weinige rassen waarover zo nauwgezet alles is opgetekend vanaf het eerste nestje. Hele goede kennelboeken zijn er bewaard gebleven. Lord Tweedmouth hield wel van registreren.” Ze lachte om haar eigen opmerking en ging mijn koffie halen. Ineens dacht ik dat ik weer naar Pat in Drumnadrochit wilde, de beste kenner van Guisachan. Want de vrouw had me een hint gegeven. “Lord Tweedmouth hield wel van registreren..” Als hij zelfs alles zo accuraat liet bijhouden van zijn honden, waarom dan niet van zijn personeel of van de pachters? Geboorte en sterfdata werden misschien in de burgerlijke archieven niet heel strikt bijgehouden, maar misschien was er ergens een logboek of register van Guisachan zelf, zonder de honden.

Met dat idee in mijn hoofd rekende ik af en ging terug naar naar het hotel in Beauty, waar ik Pat zou kunnen bellen. Misschien wist hij of er zo’n register zou zijn en zo ja, waar. Het was druk in de zaal van het hotel, toen ik hem aan de telefoon kreeg, dus ik hoorde hem niet goed door al het geroezemoes. “Kom morgen naar hier, dan gaan we even kijken wat we kunnen doen.” hoorde ik vaag door het Happy Hour door. Net terwijl ik het hotel weer uit wilde gaan zoemde mijn Iphone zijn WhatsApp toontje. “Wish I was there. XXX” Binnen een tel voelde ik me weer in Edinburgh, in zijn omhelzing, zijn mond op de mijne. ” Wish you were here..XXX” typte ik terug. “Wish we where kissing.” was de volgende app. Ik sloot even mijn ogen. Ik ook.. dacht ik. Ik stuurde een kus-emoticon, wist niets anders te zeggen. Ik liep naar de hal van het hotel waar het wat minder lawaaiig was want ik wilde hem dichterbij, over de appjes heen.. Er stond een bankje bij de balie waarop ik plaatsnam en toetste “Call” in. “My wee Dutchie!!” Het was nog fijner dan ik had gedacht, om de lach in zijn stem te horen. “Waar ben je?” “In Beauly nu.. En jij?” “In de bus met mijn collega’s. Op weg naar het eerste optreden, morgen. In Windsor. We hebben er best veel..” Ik drukte mijn mobieltje dichter bij, wilde hem in mijn oor voelen praten. ” Wat is veel?” Ik had daar geen idee van. We hadden het er helemaal niet over gehad. “We zijn over twee weken weer terug.” Wat had deze man toch een heerlijk positieve instelling. Een ander zou zeggen: ” We zijn zoveel dagen weg.” en dat zou lang kunnen klinken. Maar “over twee weken terug” was een tijd die te overbruggen leek. “Ik ga je geen kussen sturen via de telefoon. De bassist zit naast me. Maar weet dat ik eergisteren als iets heel fijns met me mee neem. We spreken elkaar snel weer, dat weet ik zeker.” “Ik kan je wel een kus sturen, heb geen bassist naast me zitten. Ik ben trouwens aangevallen door een kudde midges, gisteren. Dus ik ga nog even wat Skin So Soft kopen wat het leger ook gebruikt.” Daar was het geluid dat me tot in mijn ruggenmerg verwarmde. “Ja, onze stoere soldaten! Hebben ze je blote benen te grazen genomen, de midges dan he, niet de soldaten?” Oh, die lach. “Mijn benen, mijn armen, mijn nek, mijn gezicht.” “Ahh, de rotzakken. Niet krabben hoor. Maizena erop. En volgende keer tegen de avond en bij vochtig weer een muskietennet om doen. Van je hoofd tot je voeten. Beloofd?” “Beloofd.” zei ik. We braken af na veel “tot later’s.” “Maar” twee weken. En dan?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *