Dag 31. 22 juli. Fort Augustus.

Het was zondag en omdat ik niet veel zin had om de hele dag in de cottage te blijven, reed ik naar Beauly en trakteerde ik mezelf op een middag-latte met scones in het hotel. Zo kon ik ook voor het eerst sinds dagen uitgebreid op FaceBook rondneuzen en mijn vrienden laten weten dat ik nog steeds leefde. Ik wel. Want ik bleef het triest vinden dat er tijdens deze rare zaak twee sterfgevallen hadden plaatsgevonden. Ik zag door het raam wat mensen lopen met Golden Retrievers en ook dat voelde vreemd. Alsof het allemaal heel ver weg was. Marianne was online en ik liet haar weten dat het terrasje op het Leidseplein nog niet in de pen zat omdat ik ruim een week “vakantie” had gekregen. “Oh, met je “hunk” de Hooglanden in? Zijn slechtere vooruitzichten.” Ik antwoordde maar met een smiley want wilde er niet verder op in gaan. Na mijn “afternoon coffee” reed ik richting Fort Augustus, maar kwam langs Drumnadrochit en het leek me een goed idee om wat cultuur te gaan snuiven, dus was het Urquhart Castle de stop van de dag. Ik liet me in een massa toeristen meezuigen om rond de ruïne te wandelen, las op de borden een stukje van de geschiedenis, kocht een ijsje en begreep dat ook van dit kasteel het dak was verwijderd om de belastingen te ontlopen. Het was voor mij persoonlijk bij lange na niet zo magisch en mysterieus als Guisachan, maar evengoed vond ik het indrukwekkend en was uiteindelijk blij dat ik er geweest was. Het korte ritje langs het Loch Ness voerde me langs Invermoriston, het dorp waar Don’s vader overleden was. Het was een klein Schots vlekje met wat witgepleisterde huisjes, een traditioneel postkantoortje, de rode telefooncel, nu omgebouwd tot mini bibliotheek en de nodige hotels en logeergelegenheden. Het Loch Ness beheerste de hele omgeving. Ik had geen flauw idee waar William gewoond had en het had ook niet bepaald veel zin om dat te gaan te gaan uitzoeken, dus ik reed door naar Fort Augustus. Het plaatsje schitterde in de middagzon. Ook vandaag waren er bussen met veelal Aziatische toeristen en ik werd onwillekeurig een beetje vrolijk van hun opgetogen gekwetter en hun fotografeermomenten. Het terras van het Lovat zat vol en het was druk bij de sluizen. Ik kocht een Nessieknuffel voor Marianne en keek rond in een schattig winkeltje waar ze prachtig gegraveerd glaswerk hadden.

Het was bijna 5 uur toen ik in de pub werd begroet door Britney’s schoondochter. Net als de vorige keer stonden er wat mannen aan de bar in kilt en met sneakers aan als merkwaardige tegenstelling. Ik ging aan het tafeltje bij het raam zitten en bestelde een Irn Bru en een zakje cheddar-snacks. Het was in vergelijk met de andere gelegenheden erg rustig, waardoor ik begreep dat de pub van John en Britney meer door de lokale bevolking bezocht werd. De mannen aan de bar bevestigden dat. Ik hoorde ze bulderen van het lachen en hun taal was zo sterk Gaelic dat ik er geen touw aan kon vast knopen. De deur ging open en ik zag Pat binnenkomen. “Hi love, wat leuk om je nog weer eens te zien. En dat Morris de Don is die je moest zoeken, hilarisch.” Ik begreep nu pas dat er bij Pat geen belletje had gerinkeld toen ik bij hem was. We hadden het voornamelijk over Guisachan en de registers gehad en niet bepaald over zijn stap-maatje die hij steevast Morris noemde als afkorting van zijn achternaam. Hij bestelde een pint en haalde een pakje uit een plastic boodschappentasje. “Ik heb iets voor je meegenomen. Een ingelijste oude foto uit 1880 van de hondenverzorgers op Guisachan. Er zit een jongetje bij, het zou zomaar de eerste Donny kunnen zijn.” Ik bedankte hem uitgebreid en probeerde zo dichtbij mogelijk de mensen op de foto te bekijken. Pat lichtte met de zaklantaarn van zijn telefoontje bij maar de foto was niet scherp genoeg om meer dan de contouren van de gezichten te kunnen zien. Ook de honden leken niet bepaald op de Golden Retrievers anno 2018. “Ik weet niet zeker of dit wel de Retrievers zijn waar Donny later zijn werk in kreeg.” zei Pat en wees op een figuurtje dat er eerder als een soort grote spaniël uit leek te zien. We bekeken de andere honden ook zo scherp mogelijk met het lampje erbij en daardoor merkte ik niet dat er weer nieuwe mensen de pub in kwamen. We bogen ons over de prent toen ik een bekende geur rook en ik een warme kus in mijn nek voelde. Ik draaide me om en daar was hij. Stralend, onwaarschijnlijk knap en in niets de gespannen man die eergisteren overhaast vertrokken was. Zijn mond lachte over de mijne en ik wilde niet dat het ophield. Maar Don stond naast ons en tikte Craig op zijn schouder. “Ik mag ook even dat meisje een knuffel geven. Ga jij maar wat te drinken bestellen, matey, we zijn er aan toe.” Craig liet me los en Don voegde de daad bij het woord en trakteerde me op een berenomhelzing. Een van de mannen bij de bar begon te fluiten, Don was hier natuurlijk kind aan huis. “Ze is niet mijn meisje hoor!” riep hij verontschuldigend. “Dat is de geluksvogel.” Hij wees op Craig die terug kwam met een blad met een paar pints en een glas witte wijn. “Je hoeft straks niet te rijden.” zei hij trouwhartig. Ik kon het nog niet geloven dat hij hier zomaar weer was, alsof ik me niet suf getwijfeld had. “Je telefoon ligt in de cottage. Je had hem in bed verloren.” zei ik zacht toen hij naast me was gaan zitten. “Ik kwam er pas achter toen ik in Newcastle was. Ik heb aan een stuk doorgereden want wilde op tijd zijn voor het gemeentehuis. Maar lieverd, ik vertel je later alles wel. Nu wil ik alleen maar voelen dat je naast me zit.” Don stelde hem voor aan Pat en we proostten. Op ons.

Don vertelde dat de reis naar Birmingham lang was geweest. Hij was vrijdag direct na het afscheidsdiner met de organisatie onderweg gegaan en had in Glasgow overnacht. Terwijl hij zijn reis schetste, vertragingen, rare opstoppingen, moe na een lange dag op het show-terrein, realiseerde ik me weer wat een enorme afstanden de mannen hadden moeten afleggen. Van hier naar Birmingham was meer dan acht uur rijden. “Maar vannacht ben ik bij Craig in Edinburgh gebleven.” besloot hij. Craig hief zijn pint. “Niet op kunnen treden, maar het was goed om samen een en ander door te kunnen spreken.” vulde hij aan. Natuurlijk was ik nog steeds enorm nieuwsgierig naar wat er nu eigenlijk tijdens de bijeenkomst had plaatsgevonden, maar zowel Don als Craig lieten niets los. Pat vroeg waar Craig in de komende tijd zou spelen, hij zou graag een keer komen kijken. “Ik heb voor dit weekend een hele goeie blazer bereid gevonden om mijn plek over te nemen, anders zat ik niet hier.” lachte hij. “Woensdag spelen we in Stirling. En dan zijn er een week geen optredens met de band. We gaan het bizar druk krijgen tijdens het Edinburgh festival, soms wel twee concerten op een dag.” Ondertussen was Britney binnen gekomen en kwam bij ons zitten. Ze omhelsde haar zoon en mij en werd voorgesteld aan Craig. Pat kende ze wel. “Maaltijd van het huis, beste mensen.” bood ze aan. “En als jullie niet meer naar huis willen, er is nog een kamer vrij. Ik ben veel te blij dat ik mijn kind eindelijk weer zie, de Golden Retrievers hebben hem wel erg lang bezig gehouden, dit keer.” Don knuffelde zijn moeder. “Ik blijf hier, de honden worden goed verzorgd. Ik heb je veel te vertellen, moedertje.” Ze klopte hem vertederd op zijn hand. “En er moet voor volgende week nog het een en ander gebeuren.” Hij gaf haar een kus op haar wang. “Dat komt in orde. Ik heb nu weer tijd.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *